Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-10-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:237

Zaaknummer

26-767/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk ongegrond. Verweerder mocht namens zijn cliënt het standpunt innemen dat klager gehouden was om de slotnota van zijn cliënt te voldoen en dat aan zijn cliënt een opschortingsbevoegdheid toekomt zolang de slotnota niet is voldaan.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaak 26-767/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 28 augustus 2026 met kenmerk 2537936/EvR/FS, door de raad digitaal ontvangen op 28 augustus 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager en zijn ex-partner hebben in mei 2025 een overeenkomst gesloten met H, die mediator is. H zou op grond van deze overeenkomst voor klager en zijn ex-partner optreden als mediator en zou daarnaast onder meer zorgdragen voor het ontwerpen van een convenant. 1.2    H heeft aan klager en zijn ex-partner een slotnota d.d. 21 november 2025 toegezonden.  1.3    Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat H de overeengekomen werkzaamheden niet naar behoren heeft uitgevoerd en dat H geen aanspraak kan maken op het door H met de slotnota in rekening gebrachte bedrag.  1.4    Verweerder heeft klager als advocaat van H aangeschreven per brief van 1 december 2025. In die brief schrijft verweerder, voor zover relevant:  “(…) Tussen u en [ex-partner] enerzijds en [H] anderzijds is sprake van een MfN Mediationovereenkomst d.d. 27 mei 2025. Op grond van die overeenkomst zijn u en [ex-partner] hoofdelijk nog een opeisbaar bedrag verschuldigd van € 3.500 incl. BTW. Ik verwijs hiervoor naar bijgaande slotnota van 21 november 2025. In het kader van de Mediation dient het convenant tussen u en [ex-partner] en daarmee verband houdende documenten door een advocaat bij de rechtbank te worden ingediend. Dat gaat via [H]. Recentelijk is u echter door een collega van [H], [B], medegedeeld dat die indiening pas zal plaatsvinden nadat u aan uw betalingsverplichting heeft voldaan. In een e-mail van 28 november 2025 berichtte u dat dat wettelijke niet zou zijn toegestaan. Dat is echter juridisch niet juist. Ik zal dat toelichten. Krachtens het toepasselijke MfN-Mediation Reglement en artikel 6: 52 BW is [H] gerechtigd zijn verplichtingen op te schorten, waaronder die van het laten indienen van het convent, zolang u onder meer in verzuim bent in de nakoming van uw betalingsverplichting. Zolang integrale betaling dus niet heeft plaatsgevonden zal Heijnen zijn verplichting opschorten. Uw stelling dat indien u het convenant door een andere advocaat zou laten indienen de kosten daarvan voor rekening van Heijnen zouden komen is evenmin juist. Daartoe bestaat namelijk geen enkele (rechts)grond (…)” 1.5    Op 1 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 1.6    Klager heeft op 2 december 2025 een brief aan H gestuurd met verweerder in cc. Daarin sommeert klager H om onverwijld het echtscheidingsconvenant en alle daarbij horende documenten af te ronden en in te dienen bij de rechtbank. Verder schrijft klager in deze brief onder meer dat hij het beroep van H op een opschortingsbevoegdheid juridisch onhoudbaar acht.  1.7    Eveneens op 2 december 2025 heeft verweerder aan klager het volgende bericht: “(…) Ik vernam zo even dat bijgaande slotnota direct na het versturen van mijn brief gisteren (door [ex-partner]) is betaald. Waarvoor dank. Er is dus geen reden meer tot het opschorten van de werkzaamheden. [B] zal als waarnemer van de heer Heijnen de zaak oppakken (…)”

2    KLACHT a)    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager is van oordeel dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld door namens de mediator aan te dringen op betaling van de slotfactuur.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Maatstaf 4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Beoordeling 4.2    De voorzitter stelt voorop dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende civiele geschil een oordeel te geven. De tuchtrechter beoordeelt uitsluitend of verweerder zich in zijn bijstand aan de wederpartij van klager ten opzichte van klager heeft gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelend advocaat. Verweerder had een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen en deze vrijheid wordt in dit geval alleen beknot als verweerder met zijn sommatiebrief aan klager de belangen van klager nodeloos en op ontoelaatbare wijze zou hebben geschaad.  4.3    De voorzitter overweegt dat verweerder met het versturen van zijn sommatiebrief aan klager de grenzen van het betamelijke niet heeft overschreden. Het was zijn taak om als partijdig belangenbehartiger de belangen van zijn cliënt te behartigen. Hij mocht in dat kader namens zijn cliënt het standpunt innemen dat klager gehouden was om de slotnota van zijn cliënt te voldoen en dat aan zijn cliënt een opschortingsbevoegdheid toekomt zolang de slotnota niet is voldaan. Dat klager meent dat van een opschortingsrecht van de cliënt van verweerder geen sprake was, is een inhoudelijke kwestie die niet door de tuchtrechter, maar zo nodig door de civiele rechter moet worden beantwoord.  4.4    Aangezien verweerder met het versturen van de sommatiebrief en door aan te dringen op betaling van de slotfactuur niet klachtwaardig jegens klager heeft gehandeld, zal de voorzitter de klacht kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond

Aldus beslist door mr. J.J.  Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 26 oktober 2026