Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-10-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:242

Zaaknummer

26-143/A/NH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; klacht ongegrond. Het is de raad niet gebleken dat verweerster met de door haar gekozen bewoordingen aan de rechter bewust onjuiste informatie heeft verschaft. Evenmin is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerster de door haar van haar cliënt ontvangen informatie nader had moeten controleren. Uit het klachtdossier is niet gebleken van onnodig grievende uitlatingen. Het is niet aannemelijk geworden dat verweerster met haar brief de rechtbank op het verkeerde been heeft willen zetten. Verweerster heeft het standpunt van haar cliënt verwoord en zijn belangen behartigd, binnen de ruime mate van vrijheid die haar op dat punt toekomt. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaak 26-143/A/NH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerster gemachtigde: mr. A. Stam

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 27 juni 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 24 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-330/2501362 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 september 2026. Daarbij waren klaagster en verweerster met haar gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 13. Daarnaast heeft de raad kennisgenomen van de e-mails van klaagster van 20 maart 2026 (12:28 uur en 13:37 uur) en de e-mail van verweerster van 20 maart 2026 (12:53 uur). 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster heeft tot medio 2023 een relatie gehad met de heer F, hierna de ex-partner. Klaagster en haar ex-partner hebben samen een dochter, geboren in 2023. De ex-partner heeft de dochter erkend. De dochter heeft haar hoofdverblijf bij klaagster.  2.3    Klaagster en de ex-partner zijn verwikkeld (geweest) in geschillen over onder meer de zorgregeling en de achternaam van de dochter. Verweerster staat de ex-partner bij. 2.4    Bij beschikking van 24 oktober 2024 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld.   2.5    Op 8 februari 2024 heeft klaagsters advocaat aan verweerster onder meer geschreven: “Op zichzelf kan cliënte dan ook instemmen met erkenning. Echter, zoals u weet, is met ingang van 1 januari 2023 geregeld bij Wet, dat als een kind wordt erkend, ook gelijk gezag van de erkennende ouder wordt geregeld en dat is niet wat cliënte wil (…) Hoewel gedurende het begin van de zwangerschap van cliënte zij aanvankelijk positief tegen over een dubbele achternaam van [dochter] stond, heeft het feit dat uw cliënt zich niet respectvol gedraagt jegens cliënte als moeder van [dochter], haar doen besluiten dat niet langer te accorderen. Cliënte wil graag dat [dochter] de achternaam [achternaam klaagster] blijft dragen.” 2.6    Op 14 mei 2024 heeft verweerster aan klaagsters advocaat onder meer geschreven: “Van cliënt verneem ik zojuist dat uw cliënte thans op Bali verblijft en op zeer opdringerige wijze probeert haar persoonlijke eigendommen te verkrijgen. (…) Thans neemt uw cliënte contact op met de manager die de verhuur van de woning regelt, om een tandenborstel en muggenspray (?) die nog in de woning lagen op te halen. Voorts verzoekt zij nog om andere goederen – waarschijnlijk is dit de reden van het contact, en gaat het primair niet om een tandenborstel of muggenspray die al maanden in de woning liggen te verstoffen. (…) Is dit nu echt noodzakelijk? Deze gedragingen zijn geenszins constructief en uw cliënte handelt hiermee bovendien in strijd met hetgeen tijdens het viergesprek is besproken.” 2.7    Klaagster heeft verweerster hier vervolgens direct over aangeschreven. 2.8    Verweerster is, namens de ex-partner, een procedure gestart om vervangende toestemming te krijgen om de achternaam van de dochter te wijzigen in de achternaam van de man. De zaak is op 11 maart 2025 op zitting behandeld. In de pleitnota voor deze zitting heeft verweerster onder meer opgenomen: “1. (…) hebben partijen er destijds bewust voor gekozen de erkenning nog niet te regelen, zodat de erkenning, het gezag én de dubbele achternaam in één keer geregeld zouden kunnen worden. 2. De vrouw heeft nadien besloten om ook daar niet aan mee te werken, (…) Pas nadat er een procedure aanhangig is gemaakt door de man, en de benoemde bijzonder curator zich uitliet over het belang van erkenning en gezamenlijk gezag, kwam de vrouw in beweging. (…) 11. Belangrijker nog is het juridisch aspect, zoals dat naar Indonesisch recht wordt uitgelegd. De achternaam houdt namelijk direct verband met het juridische statuut van een persoon, en de rechten en plichten ten aanzien van de familie. De achternaam bevestigt de afstamming van een persoon. Alleen familieleden die afstammen van een overledene hebben recht op een deel van het vermogen van de overledenen, volgens de wet van erfrecht. Aangezien de man diverse vermogensbestanddelen heeft in Indonesië, die bij zijn overlijden moeten worden verdeeld, is het voor [dochter] zeer relevant om de achternaam van de man te dragen. Ook als de man een testament zou willen opstellen is het nodig dat zijn erfgenaam correct geïdentificeerd kan worden, doordat de erfgenaam zijn achternaam draagt. 12. Volgens het Indonesisch Burgerlijk Wetboek (KUHPerdata) worden erfgenamen geïdentificeerd door hun afstamming van de overledene. Dit betreft zowel de biologische als juridische afstamming, die wordt bevestigd door de achternaam. Op basis van artikel 850 en 859 van het Indonesisch Burgerlijk wetboek wordt geregeld wie de wettige erfgenamen zijn. (…) Hierbij wordt ook verwezen naar artikel 5a van het wetboek, waarin vrij vertaald staat dat kinderen (wettige of buitenwettige kinderen) de achternaam van hun vader behoren te dragen, wanneer de man het kind heeft erkend.“ 2.9    Op 20 maart 2025 heeft verweerster een e-mail aan klaagsters advocaat gestuurd over de start van de omgang op vrijdagmiddag om 15.00 uur. Verweerster heeft in die e-mail onder meer geschreven: “Uw cliënte heeft laten weten dat [dochter] rond 15.00u vaak wakker wordt van haar slaapje en dat zij [dochter] niet eerder zal wakker maken, maar pas als cliënt er is, “zodat hij zelf kan zien hoe chagrijnig ze dan is”. Dat is natuurlijk niet de bedoeling en ook in strijd met de beschikking. [Dochter] hoort om 15:00u klaar te staan voor de overdracht aan haar vader en het ligt op de weg van uw cliënte om dit voor te bereiden en te faciliteren. Bovendien kan cliënt zich niet aan de indruk onttrekken dat uw cliënte simpelweg niet wil dat de overdracht om 15:00 uur plaatsvindt. (…) Hoe vervelend ook, de rechter heeft een weloverwogen beslissing genomen voor de overdrachtsmomenten en deze dienen allerminst nagekomen en uitgeprobeerd te worden.” 2.10    Op 20 maart 2025 heeft klaagster een reactie hierop direct aan verweerster gestuurd, waarin klaagster verweerster onder meer verzoekt te stoppen met het verspreiden van onjuiste informatie. Op 21 maart 2025 heeft klaagster aan verweerster laten weten dat haar e-mail een tweede en laatste waarschuwing is, na de eerste waarschuwing door klaagsters vader. 2.11    Op 13 juni 2025 heeft verweerster een e-mail aan klaagsters advocaat gestuurd over de zorgregeling met de dochter, waarbij zij schrijft dat de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking leidend is, wat zou inhouden dat haar cliënt de dochter die middag om 15:00 uur ophaalt. 2.12    Op 17 juni 2025 heeft verweerster aan klaagsters advocaat laten weten dat ze nog geen reactie op haar e-mail heeft ontvangen en dat de omgang het afgelopen weekend niet conform de beschikking is vormgegeven. Verweerster heeft daarbij gevraagd of klaagster het eerstvolgende omgangsweekend (ingaand op vrijdag 27 juni) zal nakomen conform de beschikking. 2.13    Op 24 juni 2025 heeft klaagsters advocaat aan verweerster geschreven dat klaagster blijft bij haar voorstel zoals gedaan in haar e-mailbericht van afgelopen weekend. Klaagsters advocaat schrijft in de e-mail dat zijn cliënt de omgangsregeling opschort in afwachting van het hoger beroep, in die zin dat de start van de omgang met verweersters cliënt niet op vrijdag 15:00 uur is, maar zaterdagochtend om 9:00 uur. De e-mail waar klaagsters advocaat naar verwijst, betreft een e-mail van klaagster aan verweersters cliënt van 21 juni 2025. 2.14    Op 24 juni 2025 is verweerster een spoed kort geding gestart tegen klaagster. In haar bericht aan de rechtbank schrijft zij onder meer: “Reeds tijdens het vorige omgangsmoment vanaf vrijdag (13 juni jl.) is de omgang gefrustreerd, maar de omgang van aankomend weekend is om voornoemde reden van extra zwaarwegend belang.” 2.15    Klaagsters advocaat heeft de rechtbank diezelfde dag verzocht het verzoek tot verkorting van de dagvaardingstermijn af te wijzen en daarbij geschreven dat het evenement plaatsvindt op zaterdag vanaf 12:00 uur, zodat het evenement bezocht kan worden met de dochter. 2.16    Verweerster heeft op 24 juni 2025 vervolgens aan de rechtbank onder meer laten weten dat haar cliënt al op vrijdagmiddag bepaalde taken moet verrichten, waarbij er ook extra aandacht is voor de dochter. 2.17    In de kort geding dagvaarding heeft verweerster onder meer geschreven: “6. De man stelt dat de vrouw, in strijd met deze beschikking, de omgang frustreert en niet nakomt. [De dochter] wordt niet meegegeven op vrijdag, waardoor de man [de dochter] niet ziet conform de bedoelde regeling. Indien deze opschorting langer voortgezet wordt, heeft dat een grote impact op zijn band met [de dochter] en op hun welzijn.

7. De situatie is zodanig dat de man zich genoodzaakt ziet een kort geding aanhangig te maken teneinde nakoming van de zorgregeling te vorderen. De man benadrukt dat [de dochter] recht heeft op contact met beide ouders en dat het voortduren van de huidige situatie schadelijk is voor de ontwikkeling van [de dochter]. (…)

17. De man is van mening dat het feit dat de vrouw de zorgregeling niet nakomt, reeds een spoedeisend belang oplevert. Het is in het belang van [de dochter] dat er contact is tussen [de dochter] en haar vader.”

2.18    Op 26 juni 2025 is het spoed kort geding mondeling behandeld. In het proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 26 juni 2025 is onder meer opgenomen: “2.4.     Partijen hebben afgesproken dat afgeweken zou worden van voornoemde zorgregeling, (…). Dit voor de duur van het mediationtraject, (…). De mediation is na één gesprek beëindigd door de mediator. 2.5.     De vader meent dat de afwijkende afspraak niet meer geldt en wil [dochter] het aanstaand weekend meenemen naar een festival, dat hij mede organiseert, en waar op vrijdag 27 juni 2025 een kindermiddag is waar zij ook met haar halfbroertje samen kan zijn. (…) 3.3.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende vaststaat dat de afwijkende afspraak op dit moment nog geldig is, omdat er geen lopend mediationtraject meer is en die afspraak in het kader van het mediation traject was gemaakt. Onvoldoende staat vast dat zwaarwegende belangen van [dochter] zich er tegen verzetten dat de vastgestelde zorgregeling wordt nageleefd. (...) 3.4.     (…) Het moet de voorzieningenrechter van het hart dat de stelling in de dagvaarding dat de zorgregeling sinds 13 juni 2025 niet meer na wordt gekomen een wat forse insteek is voor een discussie over een halve dag latere start van de omgang. Uit de dagvaarding bestond de indruk dat de omgang volledig gestaakt was, terwijl dat niet zo is. (…) 3.6.    De vordering van de vader zal worden toegewezen. Dat geldt vanaf vandaag.” 2.19    Op 27 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.  2.20    Vanaf 12 december 2025 heeft klaagster de op 24 oktober 2024 vastgestelde zorgregeling eenzijdig stopgezet. De aanleiding daarvoor was dat zij op 9 december 2025 naar eigen zeggen heeft geconstateerd dat er bloed in de onderbroek van de dochter zat (na terugkomst van omgang bij de ex-partner). 2.21    Op 23 december 2025 heeft de rechtbank in een tussenvonnis een wijziging van de zorgregeling uitgesproken.  2.22    Op 15 januari 2026 heeft verweerster de rechtbank verzocht klaagster te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling. Verweerster heeft daarbij onder meer geschreven: “Hierbij is door de behandelend artsen gesteld dat het enige type onderzoek ten aanzien van een “misbruikverdenking”, een ‘licht SOA-onderzoek’ is. Dit onderzoek is ter plaatste bij [dochter] verricht. De uitslag hiervan is dat er geen SOA (of andersoortige aandoeningen die uit dit onderzoek kunnen volgen) is aangetroffen bij [dochter]. In zowel het dossier van de huisarts als het ziekenhuisdossier zijn geen zorgen over potentieel misbruik opgenomen. (…) Tot op heden is nog steeds niet aangetoond dat het vermoeden van moeder juist is. Daarmee concludeert de man dat hij ten onrechte beschuldigd wordt van een zeer ernstig feit, en dat uit het onderzoek van het UMC – voor zover dat mogelijk is – niet is gebleken dat de beschuldigingen van moeder waar zijn. Er zijn geen redenen om te denken dat de man [dochter] onheus zou hebben behandeld, of erger nog: seksueel zou hebben misbruikt. Op de dag voor oudjaarsdag zat er opnieuw een gekleurde substantie in de onderbroek van [dochter], waarna partijen samen met haar naar de huisarts zijn gegaan op oudjaarsdag (de man had de onderbroek in een zakje bewaard – nu dit er net zo uitzag als de eerdere vondst van de vrouw). De conclusie? Ontlasting.  (…)” 2.23    In het vonnis in kort geding van 22 januari 2026 heeft de rechtbank de vordering tot nakoming van de zorgregeling toegewezen en daarbij onder meer overwogen: “2.7.     Uit wat partijen over (de resultaten van) het onderzoek naar voren hebben gebracht kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn voor seksueel misbruik van [dochter] door vader. Het enige onderzoek dat zou kunnen resulteren in een verdenking van seksueel misbruik (SOA-onderzoek) is negatief uitgevallen. Wat de oorzaak van de gekleurde substantie in de onderbroek van [dochter] (die op oudjaarsdag kennelijk weer is aangetroffen) is geweest, is dus nog een raadsel, maar kan niet in verband worden gebracht met de vader.”

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: a)    verweerster heeft bij een kort geding een onjuiste voorstelling van zaken gegeven door ten onrechte te stellen dat klaagster in het geheel geen medewerking wilde verlenen aan de omgang in het komende weekend; b)    verweerster heeft onzorgvuldig en escalerend gecommuniceerd en een waarschuwing genegeerd; c)    verweerster heeft ter zitting feitelijke onjuistheden gepresenteerd over het Indonesisch recht en in een brief aan de rechtbank over medische bevindingen. 3.2    Klaagster stelt dat verweerster heeft gehandeld in strijd met de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid en deskundigheid. 3.3    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Maatstaf 5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: -    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, -    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, -    het verloop van het geschil tot dan toe en -    de kans op succes van de procedure. Beoordeling Klachtonderdeel a) – het kort geding in juni 2025 5.3    Klaagster verwijt verweerster dat zij in het kort geding van juni 2025 een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, door te stellen dat klaagster in het geheel geen medewerking wilde verlenen aan de omgang. De suggestie dat klaagster de omgang zou frustreren was niet alleen feitelijk onjuist, maar heeft bovendien geleid tot een onnodig spoedtraject, met onnodige kosten voor klaagster tot gevolg. 5.4    Verweerster voert aan dat de rechter aan de hand van de dagvaarding en hetgeen ter zitting is besproken voldoende aanleiding en spoedeisendheid heeft gezien om toch vonnis te wijzen, waarmee volgens haar de discussie over het bestaan van spoedeisendheid direct zou moeten worden beëindigd. Verweerster merkt verder op dat haar cliënt haar heeft overtuigd van de door hem op vrijdag geplande activiteiten en geeft aan dat zij niemand heeft misleid. 5.5    De raad overweegt dat verweerster haar woorden in de dagvaarding en haar e-mail aan de rechtbank, hiervoor weergegeven onder randnummers 2.14 en 2.17, zorgvuldiger had kunnen kiezen. Dit volgt ook uit de overweging van de voorzieningenrechter dat de stelling dat de zorgregeling sinds 13 juni 2025 niet meer wordt nagekomen een wat forse insteek is voor een discussie over een halve dag latere start van de omgang. Bij de voorzieningenrechter bestond na lezing van de dagvaarding ten onrechte de indruk dat de omgang volledig gestaakt was.     5.6    De raad kan zich voorstellen dat die indruk is gewekt. Maar de vraag is niet of verweerster een indruk heeft gewekt, maar of zij de rechtbank bewust onjuist heeft geïnformeerd. De zin in de dagvaarding: “Het is in het belang van [de dochter] dat er contact is tussen [de dochter] en haar vader.” lijkt te suggereren dat er helemaal geen contact was. Aan de andere kant: dat staat er niet met zoveel woorden. De opmerking in de dagvaarding dat “de vrouw, in strijd met deze beschikking, de omgang frustreert en niet nakomt”, suggereert dat de regeling helemaal niet wordt nagekomen. Maar strikt genomen betekent deze zin niet per se dat zij de regeling in het geheel niet nakomt. Het frustreren en niet nakomen kan ook slaan op een gedeelte van de regeling, in dit geval de omgang op de vrijdag. 5.7    Hoewel de raad vindt dat de formulering van verweerster op het randje was en zij haar woorden zorgvuldiger had kunnen kiezen, vindt de raad de woordkeuze van verweerster net onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt. Het is de raad namelijk niet gebleken dat verweerster met de door haar gekozen bewoordingen aan de voorzieningenrechter duidelijk onjuiste informatie heeft verschaft, en dat zij dat bovendien bewust heeft gedaan. Evenmin is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerster de door haar van haar cliënt ontvangen informatie nader had moeten controleren. Hoewel de inhoud van de kortgedingdagvaarding de onjuiste indruk kon wekken dat de zorgregeling door klaagster in het geheel niet werd nagekomen, staat dat niet met zoveel woorden in de dagvaarding. Ook blijkt uit het klachtdossier niet dat verweerster dit standpunt tijdens de mondelinge behandeling van de zaak namens haar cliënt heeft ingenomen.  5.8    Daarnaast kan van verweerster in een familierechtkwestie zoals de onderhavige weliswaar een zekere terughoudendheid worden verwacht bij het starten van een procedure, maar dit betekent niet dat zij de hier aan de orde zijnde kortgedingprocedure niet had mogen starten. De raad acht het begrijpelijk dat verweerster onder de gegeven omstandigheden voldoende aanleiding zag om deze door haar cliënt gewenste procedure te starten. Dit volgt ook uit het feit dat de voorzieningenrechter de vordering van de ex-partner heeft toegewezen, terwijl klaagster voorafgaand aan de procedure niet bereid was om dienovereenkomstig te handelen, en uit de omstandigheid dat partijen tijdens de mondelinge behandeling kennelijk evenmin tot een vergelijk konden komen.  5.9    Gelet op het voorgaande is dit klachtonderdeel ongegrond.  Klachtonderdeel b) – escalerende communicatie en suggestieve beweringen 5.10    Klaagster verwijt verweerster dat haar communicatie escalerend en onnodig denigrerend is en dat zij suggestieve beweringen heeft gedaan. Klaagster stelt dat verweerster zich herhaaldelijk heeft uitgelaten op een wijze die niet past binnen de vereiste professionele distantie in een familierechtelijke kwestie. Verweerster heeft klaagster structureel weggezet als een ouder die de omgang zou belemmeren, terwijl klaagster constant bereid is tot overleg en zich juist inzet voor een regeling en het belang van het kind. Verweerster kiest in haar toon en framing herhaaldelijk voor juridisering en (onjuiste) beschuldigingen in plaats van bij te dragen aan de-escalatie en handelen in het belang van het kind, aldus steeds klaagster. Klaagster heeft onder meer gewezen op de kwestie over de achternaamwijziging/erkenning, de communicatie over het ophalen van spullen en de discussie over het startmoment voor de omgang.  5.11    De raad overweegt dat verweerster in een aantal van haar uitlatingen, waaronder de door klaagster aangehaalde e-mail van 20 maart 2025, weliswaar scherp van toon is, maar uit het klachtdossier is niet gebleken van onnodig grievende uitlatingen. De raad begrijpt dat de door verweerster op verschillende momenten en in verschillende stukken namens de ex-partner ingenomen standpunten voor klaagster mogelijk onprettig of zelfs kwetsend waren, maar dat maakt deze standpunten nog niet ongeoorloofd. Zij raken immers aan de kern van het debat tussen klaagster en de ex-partner en kunnen dan ook niet als onnodig grievend worden aangemerkt.  5.12    Verweerster heeft steeds het standpunt van haar cliënt vertegenwoordigd, wat ook haar taak is als partijdig belangenbehartiger. Zij mag daarbij afgaan op de (juistheid van de) informatie van haar cliënt. Van een uitzonderingssituatie op grond waarvan verweerster nader onderzoek had moeten doen naar deze informatie is de raad niet gebleken. Het is duidelijk dat klaagster een andere visie heeft op de geschilpunten tussen partijen, maar dat maakt de standpunten die verweerster inneemt namens haar cliënt niet onjuist, suggestief of escalerend. Verweerster was daarnaast niet gehouden om gehoor te geven aan de waarschuwing van klaagster (of haar vader).  5.13    Gelet op het voorgaande is er wat betreft dit klachtonderdeel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet gebleken. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond. Klachtonderdeel c) – feitelijke onjuistheden 5.14    Klaagster verwijt verweerster met name een onjuiste voorstelling te hebben gegeven van medische bevindingen door te stellen dat er geen sprake was van (seksuele) kindermishandeling en dat hetgeen werd aangetroffen ontlasting betrof. Hiermee doelt klaagster op de brief van verweerster aan de rechtbank, zoals hiervoor aangehaald onder 2.22. Verweerster presenteert een medische onzekerheid als een vaststaand feit en dit is misleidend, aldus klaagster. Daarnaast wordt klaagsters constatering van 9 december 2025 structureel gebagatelliseerd en blijft verweerster klaagsters handelen aanmerken als een ‘onterechte beschuldiging’. Klaagster stelt daarnaast dat verweerster in de procedure over de achternaamwijziging ter zitting plotseling verwees naar Indonesisch recht, wat zij niet vooraf had gedeeld of toegelicht, terwijl zij wist dat klaagster geen advocaat had. 5.15    De raad overweegt dat het beter was geweest als verweerster in haar brief van 15 januari 2026 aan de rechtbank de woorden “Conclusie? Ontlasting” anders had gekozen. Deze woorden kunnen namelijk de onterechte suggestie wekken dat het de conclusie van de huisarts betrof. Tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak door de raad heeft verweerster toegelicht dat zij hiermee heeft bedoeld te zeggen dat dit de conclusie van haar cliënt was en dus niet die van de door partijen bezochte huisarts. Het is, mede gelet op deze toelichting van verweerster, niet aannemelijk geworden dat verweerster met haar brief bewust de rechtbank op het verkeerde been heeft willen zetten. Verweerster heeft met haar brief het standpunt van haar cliënt naar voren gebracht en dat stond haar als partijdig belangenbehartiger vrij.  5.16    Het volgende verwijt ziet op de procedure over de achternaamwijziging, waarbij verweerster ter zitting (in haar pleitnota) is ingegaan op Indonesisch recht. De raad overweegt dat het verweerster vrij stond om namens haar cliënt tijdens de zitting een nadere onderbouwing te geven van de ingenomen standpunten. Voor verweerster hoefde het daarbij geen verschil te maken of klaagster wel of niet werd bijgestaan door een advocaat. Het is de taak van de rechter om de door partijen naar voren gebrachte informatie te onderzoeken en de door partijen ingenomen standpunten te wegen en vervolgens een beslissing te nemen. De raad kan niet vaststellen of wat verweerster in haar pleitnota heeft opgenomen onjuist is. Dat is ook niet de taak van de raad in deze procedure.  5.17    Tot slot kan de raad uit het klachtdossier niet afleiden dat verweerster klaagsters constatering als bedoeld onder 2.20 (structureel) bagatelliseert. Verweerster heeft het standpunt van haar cliënt verwoord en zijn belangen behartigd, binnen de ruime mate van vrijheid die haar op dat punt toekomt. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken.  5.18    Gelet op het voorgaande zal de raad ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht in alle klachtonderdelen ongegrond;

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. D. Horeman en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.

Griffier     Voorzitter

Verzonden op: 26 oktober 2026