Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-10-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:241

Zaaknummer

26-217/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening. Verweerster heeft de strafzaak van klaagster behandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. De raad merkt daarbij nog op dat verweerster, in een zaak die zij pas kort voor de zitting kreeg toegewezen, juist zorgvuldig en adequaat heeft gehandeld. De klacht is ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaak 26-217/A/A naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerster gemachtigde: mr. S. van der Woude 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 28 juli 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster 1.2    Op 16 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2508858/ER/KV van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 september 2026. Klaagster nam telefonisch deel aan de zitting. Verweerster was aanwezig met haar gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagezonden stukken van verweerster van 3 april 2026 en 28 augustus 2026 en van klaagster van 10 april 2026 en 1 september 2026.   

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster is bij vonnis van de politierechter van 25 april 2024 veroordeeld tot een werkstraf van 30 uur met een proeftijd van twee jaar voor het onthouden van zorg aan diverse dieren. In eerste aanleg is klaagster bijgestaan door mrs. W en S. Mr. S heeft namens klaagster hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 25 april 2024. 2.3    Klaagster heeft zich op 16 juli 2025 tot de deken gewend met een verzoek tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet.  2.4    Bij beslissing van 21 juli 2024 heeft de deken verweerster aangewezen om klaagster bij te staan in het ingestelde hoger beroep. Op 22 juli 2024 heeft klaagster per e-mail stukken aan verweerster gestuurd. Hierop heeft verweerster diezelfde dag aan klaagster geschreven: “Gaarne geen stukken opsturen zonder dat ik u heb gesproken. Ik kan morgen uw zaak oppakken. Ik zal dan telefonisch met u overleggen 30 minuten en daarin met u bekijken wat ik kan betekenen en welke documenten ik van u nodig heb. Daarna hebben we nog de mogelijkheid voor een bespreking van 60 minuten over het procesdossier ofwel eind van de dag of in de ochtend voorafgaand aan de zitting.” 2.5    Verweerster heeft het dossier op 23 juli 2025 ontvangen. Verweerster heeft klaagster diezelfde dag een opdrachtbevestiging gestuurd met de klachtenregeling van haar kantoor. Op die dag heeft verweerster telefonisch overleg gevoerd met klaagster.  2.6    Bij e-mail van 24 juli 2025 (08.38 uur) heeft verweerster klaagster het volgende geschreven:  “Gisteren heb ik u 60 minuten gesproken. Dank voor het delen van uw verhaal. Ik heb u verzocht 6 documenten met mij te delen. Dit zijn de kernpunten. Anders word ik overspoeld aan info en gelet op het feit dat het kort dag is is er ook onvoldoende tijd om dat grondig te bestuderen. Bovendien is deze informatie ook irrelevant zoals ik met u heb besproken. Wat ik graag wens te ontvangen is: 1. mail vd verhuurder dat (…) vreemd gedrag vertoont. 2.mail of schriftelijke verklaring van de dierenarts dat u vanaf 2019 tot 2022 goed voor uw 9 dieren zorgde en hoe 3.corr van (…) aan u dat hij u bedreigt 4mail of verklaringen van vrienden/andere hondenbezitters dat u goed voor de dieren zorgde 5bewijs dat u aangifte heeft willen doen. 6. stukken die door de andere adv bij de klaagschriftprocedure (dieren zijn ibn) zijn ingebracht waar u naar verwees in ons gesprek. Ik heb ook uw verzoeken in het kader van de strafzaak zoals uiteengezet in de strategie met u besproken met mijn reactie per punt: Erkenning belangenverstrengeling U verzocht mij om erkenning van belangenverstrengeling. Ik heb u uitgelegd dat mijn erkenning daarvan in deze strafzaak niet relevant is, en dat ik ook overigens geen aanleiding zie om belangenverstrengeling, zoals door u benoemd, in deze zaak aan de orde te stellen. Ook heb ik aangegeven de adoptie van de PG niet aan de orde te zullen stellen. Verzoek tot aanhouding U heeft afgezien van het verzoek om aanhouding. Vaststelling van geweld Het gaat hierbij niet om mijn persoonlijke vaststelling, maar om de mate waarin geweld is vastgelegd in het dossier. Ik heb dit onderzocht. De rechtbank heeft in eerste aanleg al in strafmatigende zin rekening gehouden met uw situatie, wat betekent dat deze omstandigheden voor de rechtbank vaststaan en dat ik daar in hoger beroep naar kan verwijzen. Klacht bij het EHRM Zoals aangegeven valt een klacht bij het EHRM buiten mijn expertise. Ik zal deze dan ook niet in behandeling nemen. Vaststelling trauma Ook ten aanzien van de vaststelling van een eventueel trauma heb ik aangegeven dat ik daar zelf geen onderzoek naar kan doen. Ik kan enkel afgaan op deskundigenrapporten die u zelf in het kader van de procedure aan mij verstrekt. Verzoek tot terugvordering dieren U heeft aangegeven hiervan af te zien, aangezien deze procedure inmiddels is afgerond en het niet langer mogelijk is de dieren terug te vorderen. Uw verzoek om mijn visie op de strafzaak U heeft mij gevraagd hoe ik de zaak juridisch en feitelijk inschat. Ik heb u uitgelegd dat de rechtbank in eerste aanleg wel is uitgegaan van het leed dat u is overkomen, maar dat dit desondanks onvoldoende is geacht om u volledig te ontslaan van uw zorgplicht voor de dieren en dat zij vinden dat gelet op de situatie ter plekke en de verslagen van de dierenarts dat er sprake is van verwaarlozing. Ik heb daarbij toegelicht dat het Openbaar Ministerie zich op het standpunt zou kunnen stellen dat wanneer u in staat bent om (incidenteel) met de dieren naar buiten te gaan of afspraken buiten de woning te maken, u in beginsel ook in staat bent om hulp in te schakelen voor de dieren. In het dossier is deze belemmering op dit moment nog onvoldoende onderbouwd. Daarbij heb ik u gewezen op de juridische eisen die gelden bij een beroep op overmacht: als er mensen of dieren aan iemands zorg zijn toebedeeld, moet zeer concreet en overtuigend worden aangetoond dat er sprake was van een uitzonderlijke situatie die zorg en vragen om hulp onmogelijk maakte. Dat vereist bijv bij voorkeur verklaringen van derden, voorzien van een kopie identiteitsbewijs, of verklaringen afgelegd tegenover een onafhankelijke instantie zoals een rechter of hulpverlener.” 2.7    Bij e-mail van 24 juli 2025 (09:23 uur) heeft klaagster verweerster bericht dat het mr. W (een van de vorige advocaten van klaagster) niet lukte om voor de zitting de opgevraagde stukken door te sturen, zodat zij de stukken niet in de procedure konden inbrengen.   2.8    Op 24 juli 2025 heeft de zitting in hoger beroep plaatsgevonden. Verweerster heeft zich op de zitting bediend van een pleitnota. Hierin heeft verweerster onder meer opgenomen:  “Ik verwijs naar correspondentie tussen haar en de voormalige advocaat. Mocht u twijfelen aan deze informatie dan verzoek ik u de zaak voorwaardelijk aan te houden teneinde deze stukken toe te voegen aan het dossier.” 2.9    Op 24 juli 2025 (11:48 uur) is namens verweerster de volgende e-mail aan klaagster gestuurd:  “Dank voor het toesturen van de stukken. In deze e-mail geef ik u een korte toelichting op de berichten die u aan [verweerster] heeft verzonden. In de bijlage vindt u alleen de stukken die ik daadwerkelijk toevoeg aan het dossier in hoger beroep. Er is niets dubbel ingediend bij het hof. Per stuk leg ik hieronder kort uit waarom het wel of niet is gebruikt. Daarbij kijk ik steeds naar wat het hof belangrijk vindt, namelijk bewijs dat van een betrouwbare bron komt, iets aantoont over uw situatie in de relevante periode, en aansluit bij de centrale punten van uw verweer. In overleg hebben we zes soorten bewijs benoemd die belangrijk zijn voor uw zaak. Dat zijn de doelen waar we bewijs voor zoeken: 1.Een e-mail van de verhuurder waaruit blijkt dat (…) vreemd of gewelddadig gedrag vertoonde. 2.Een verklaring van een dierenarts dat u goed voor de dieren zorgde in de periode 2019–2022. 3.Bewijs dat uw ex u controleerde of bedreigde. 4.Een bericht van iemand (vriend, bekende, hondenbezitter) dat u goed voor de dieren zorgde. 5.Bewijs dat u aangifte heeft geprobeerd te doen. 6.Stukken die door de andere adv bij de klaagschriftprocedure (dieren zijn ibn) zijn ingebracht waar ze naar verwees in onze gesprekken. Het hof hecht vooral waarde aan bewijs van een onafhankelijke bron – dus niet van uzelf of bekenden, maar bijvoorbeeld van een instantie, arts of politie. Berichten via WhatsApp of Facebook worden vaak minder serieus genomen, zeker als ze alleen uw eigen kant van het verhaal laten zien. Gebruikte stukken (…)  Andere berichten zijn niet toegevoegd omdat ze te veel herhalen, geen nieuwe informatie geven, of niet bijdragen aan de bewijsdoelen. Sommige berichten laten bijvoorbeeld vooral zien dat u contact had met vrienden of afspraken maakte, wat juist tegen uw verweer zou kunnen worden uitgelegd. Door alleen de meest relevante stukken toe te voegen, houden we het dossier geloofwaardig en zuiver. Berichten via WhatsApp of Facebook worden door rechters als minder sterk bewijs gezien, zeker als ze alleen van uzelf komen of van mensen uit uw eigen kring. Officiële documenten, verklaringen met naam en datum, of e-mails van bijvoorbeeld instanties of verhuurders voorzien van hun legitimatie zodat zij verifieerbaar zijn, zijn juridisch sterker. Mocht u vragen hebben over deze selectie of als u later nog andere stukken heeft, dan hoor ik dat graag.” 2.10    Op 28 juli 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerster ingediend.  2.11    Bij arrest van 7 augustus 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam het vonnis in eerste aanleg bevestigd. Op diezelfde dag heeft verweerster het arrest aan klaagster toegezonden en klaagster gewezen op de cassatietermijn.  2.12    Op 8 augustus 2025 heeft klaagster een klacht over verweerster ingediend bij haar kantoor en verweerster tevens aansprakelijk gesteld voor schade.  2.13    Op eveneens 8 augustus 2025 heeft verweerster de klachtenfunctionaris van haar kantoor, mr. Van S, geïnformeerd over de klacht die klaagster die dag over haar had ingediend op haar kantoor. 2.14    Bij e-mail van 11 augustus 2025 heeft verweerster klaagster laten weten dat zij had begrepen dat klaagster contact had gezocht met de klachtenfunctionaris. Ook heeft zij klaagster gevraagd of zij behoefte had aan een bespreking met haar en de klachtenfunctionaris. Klaagster heeft diezelfde dag geantwoord dat in de klachtenregeling staat dat de klachtenfunctionaris contact met haar hoort op te nemen en dat dit niet is gebeurd. Dit bericht heeft klaagster tevens aan het ordebureau gestuurd.  2.15    Op 30 oktober 2025 heeft verweerster haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar geïnformeerd over de aansprakelijkstelling. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:  a)    verweerster heeft haar zaak niet goed voorbereid. Verweerster heeft haar zaak pas op 23 juli 2025 opgepakt, terwijl de zitting al op 24 juli 2025 was. Verweerster heeft tijdens het eerste telefoongesprek op 23 juli 2025 40 minuten over de zaak gesproken en de overige 16 minuten naar de achtergrond van klaagster gevraagd, terwijl die tijd beter ook had kunnen worden besteed aan de voorbereiding van de zaak. Verweerster heeft niet gespecificeerd welke stukken zij nodig had of miste, stelde onrealiseerbare eisen aan het over te leggen bewijs en heeft cruciale bewijsstukken niet verzameld en overgelegd. Ondanks haar toezegging heeft verweerster niet de ontbrekende stukken opgevraagd bij klaagsters voormalig advocaat en ondanks de zeer beperkte voorbereiding heeft verweerster geen aanhouding verzocht op de zitting van het hof; b)    verweerster was niet goed bereikbaar in kritieke fasen van het proces. Verweerster heeft ten onrechte aangegeven dat klaagster akkoord was gegaan met uitsluitend contact per e-mail. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerster geen telefonisch contact met klaagster opgenomen, hoewel dit wel was afgesproken. Verweerster was selectief in haar communicatie en maakte gebruik van automatische reply-berichten;  c)    verweerster heeft zonder overleg een andere strategie gevolgd dan klaagster voor ogen had, waardoor de vertrouwensrelatie is verstoord;  d)    verweerster heeft de interne klacht niet volgens de interne klachtprocedure behandeld;  e)    verweerster heeft de aansprakelijkstelling van klaagster niet doorgeleid aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. 

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Maatstaf  5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  5.2    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Klachtonderdeel a) onzorgvuldige voorbereiding zaak  5.3    Dit klachtonderdeel faalt. Verweerster heeft onderbouwd toegelicht, hetgeen steun vindt in de onderliggende stukken, dat zij direct nadat de deken haar op 21 juli 2025 had verzocht de zaak van klaagster op te pakken, op 22 juli 2025 met haar werkzaamheden is aangevangen. Verweerster heeft op 23 juli 2025 het dossier ontvangen. Meteen na ontvangst heeft verweerster de stukken bestudeerd, aanvullende relevante stukken bekeken, haar verweer voorbereid en op basis daarvan gecommuniceerd met klaagster. Op 23 juli 2025 heeft verweerster (circa 56 minuten) telefonisch overleg gevoerd met klaagster. In dat gesprek heeft verweerster samen met klaagster de zaak doorgenomen, de mogelijke verweren besproken en de onderbouwing daarvan. Dat daarbij ook de door klaagster aangedragen punten aan de orde zijn gekomen, blijkt uit de uitgebreide bevestiging van dat gesprek per e-mail van 24 juli 2025 (08.38 uur), weergegeven bij de feiten. Het geheel van deze feiten en omstandigheden biedt naar het oordeel van de raad (meer dan) voldoende grond voor het oordeel dat de zaak tijdig en zorgvuldig is voorbereid en dat daarbij steeds afstemming met klaagster heeft plaatsgevonden. 5.4    Voor zover klaagster stelt dat verweerster heeft nagelaten relevante bewijsstukken te vergaren en, ondanks een daartoe gedane toezegging, geen stukken bij de voormalig advocaat van klaagster heeft opgevraagd, overweegt de raad dat verweerster een dergelijke toezegging heeft betwist. Uit de stukken blijkt een dergelijk verzoek van klaagster niet. Uit de overgelegde e-mailwisseling blijkt dat verweerster steeds zorgvuldig heeft beoordeeld welke stukken juridisch relevant waren en haar visie daarover met klaagster heeft gedeeld en haar handelen daarop heeft afgestemd. Uit de e-mails van verweersters aan klaagster van 24 juli 2025 (08.38 uur en 9.23 uur) volgt dat klaagster nog een aantal ontbrekende stukken zou aanleveren. Verweerster heeft terecht aangevoerd dat voor zover de stukken niet tijdig beschikbaar waren voorafgaand aan de zitting, dat dan ook buiten haar invloedssfeer lag. In dat verband merkt de raad op dat de tijd die is verstreken tussen de aanwijzing van de deken en de zitting zeer beperkt was. Verweerster heeft bovendien, zoals ook uit haar communicatie met klaagster en haar pleitnota volgt, anders dan klaagster stelt, nog een voorwaardelijk verzoek gedaan tot aanhouding mocht het gerechtshof waarde hechten aan deze (volgens klaagster relevante) stukken. 5.5    Voor het verwijt dat verweerster de brief van klaagster aan de Rijksrecherche niet volledig heeft gelezen ontbreekt naar het oordeel van de raad een feitelijke grondslag. Verweerster heeft onder verwijzing naar haar e-mail aan klaagster van 24 juli 2025 (08.38 uur) en het pleidooi, gemotiveerd toegelicht dat zij de brief heeft gelezen en het scenario dat het Openbaar Ministerie ter zitting kon presenteren, conform haar rol als advocaat heeft bestreden.  5.6    De raad komt tot de slotsom dat niet gebleken is dat verweerster steken heeft laten vallen in de voorbereiding van de zaak, temeer niet nu die voorbereiding binnen een zeer kort tijdsbestek heeft moeten plaatsvinden. Klachtonderdeel a) is ongegrond.  Klachtonderdeel b) bereikbaarheid en communicatie 5.7    Ook klaagsters verwijten over verweersters bereikbaarheid en communicatie slagen naar het oordeel van de raad niet. Allereerst blijkt, anders dan klaagster stelt, uit het onderliggende klachtdossier dat er wel degelijk telefonisch contact is geweest tussen klaagster en verweerster. Daarnaast heeft verweerster uitgebreid op e-mails van klaagster gereageerd en de voor haar zaak relevante standpunten met klaagster gedeeld. Dat verweerster het telefonisch contact beperkt heeft willen houden vanwege de tijdsdruk waaronder zij de zaak van klaagster moest voorbereiden, valt verweerster niet te verwijten. Het is de raad daarbij bovendien niet gebleken dat dit ten koste is gegaan van verweersters kwaliteit van dienstverlening. Voor zover klaagster verweerster verwijt dat zij in kritieke fasen van het proces niet bereikbaar was, heeft de raad dit op grond van klachtdossier niet kunnen vaststellen. Waar klaagster verder stelt dat was afgesproken dat verweerster voorafgaand aan de zitting telefonisch contact met haar zou opnemen, heeft verweerster dit betwist. Daarbij heeft verweerster onweersproken aangevoerd dat klaagster op de ochtend van de zitting zelf geen telefonisch contact met verweerster heeft opgenomen en evenmin kenbaar heeft gemaakt daaraan behoefte hebben. Het instellen van automatische reply-berichten vanwege vakantieperiodes of afwezigheid om andere redenen, is tot slot niet verwijtbaar, maar getuigt juist van zorgvuldigheid. Bovendien is niet gebleken dat deze berichten afbreuk hebben gedaan aan de communicatie tussen verweerster en klaagster. Klachtonderdeel b) is dan ook eveneens ongegrond.  Klachtonderdeel c) – processtrategie 5.8    De raad volgt klaagster evenmin in haar verwijt dat verweerster zonder overleg met haar een andere strategie heeft gevolgd. Verweerster is als dominus litis verantwoordelijk voor de procesvoering en bepaalt, in overleg met de cliënt(e), de strategie van de zaak. Zij is niet gehouden standpunten in te nemen die zij juridisch niet haalbaar acht. Uit het klachtdossier en het verweer van verweerster volgt dat verweerster haar keuzes steeds gemaakt heeft op basis van het dossier, het gesprek met klaagster en de juridische mogelijkheden. Daarbij heeft verweerster gehandeld conform haar verantwoordelijkheid als dominus litis en haar plicht om uitsluitend verdedigbare standpunten in te nemen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Klachtonderdeel c) is daarmee eveneens ongegrond.  Klachtonderdeel d) – interne klachtprocedure  5.9    Klaagster stelt dat verweerster de interne klachtprocedure niet correct heeft gevolgd. Ook dit klachtonderdeel mist feitelijke grondslag. De raad heeft op grond van de stukken kunnen vaststellen dat verweerster de interne klachtenregeling van haar kantoor samen met de opdrachtbevestiging aan klaagster heeft gemaild en de klacht van klaagster van 8 augustus 2025 gericht aan het kantoor van verweerster volgens deze interne klachtenregeling in behandeling heeft genomen. Verweerster heeft klaagster in vervolg op de (kantoor)klacht bij e-mail van 11 augustus 2025 gevraagd of zij behoefte had aan een bespreking met haar en de klachtenfunctionaris. Nu klaagster op 12 augustus 2025 had aangegeven dat zij niet openstond voor deze optie, omdat zij daarin geen toegevoegde waarde zag, is de raad niet gebleken dat verweerster verder nog actie had moeten ondernemen. Voor zover klaagster heeft beoogd de toelichting op haar klacht tevens tegen de klachtenfunctionaris te richten, stelt de raad vast dat het handelen van de klachtenfunctionaris niet ter beoordeling voorligt. Klachtonderdeel d) is ongegrond.  Klachtonderdeel e) beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar  5.10    Voor zover klaagster heeft gesteld dat verweerster haar aansprakelijkstelling niet heeft doorgeleid aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, vindt die stelling geen steun in de stukken. Uit het klachtdossier blijkt immers dat verweerster haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar op 30 oktober 2025 over de aansprakelijkstelling heeft geïnformeerd. Klachtonderdeel e) is derhalve ongegrond.  Overige verwijten en conclusie  5.11    Ook al hetgeen klaagster overigens heeft gesteld wordt weersproken door de stukken in het klachtdossier en het verweer van verweerster. De slotsom van de raad luidt dat verweerster de zaak van klaagster heeft behandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. De raad merkt daarbij nog op dat verweerster, in een zaak die zij pas kort voor de zitting kreeg toegewezen, juist zorgvuldig en adequaat heeft gehandeld. 

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht ongegrond. 

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. D. Horeman en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.  

Griffier     Voorzitter

Verzonden op: 26 oktober 2026