Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-10-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:240

Zaaknummer

26-154/A/NH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening. Verweerster heeft in strijd met haar informatieplicht als bedoeld in gedragsregel 16 lid 1 nagelaten klager tijdig een duidelijke opdrachtbevestiging te sturen, waarin een plan van aanpak en een kosteninschatting waren opgenomen. Daarnaast is zij onvoldoende voortvarend te werk gegaan en heeft zij meerdere malen een foutief e-mailadres van klager gehanteerd. Aan verweerster is een waarschuwing opgelegd.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaak 26-154/A/NH   naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerster gemachtigde: mr. M. Boender-Radder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 27 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 28 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk br/re/2436714 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 september 2026. Daarbij waren klager en verweerster met haar gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagezonden stukken van verweerster van 10 maart 2026 en 26 augustus 2026 en van de nagezonden stukken van klager van 19 maart 2026. 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager en zijn ex-vrouw (hierna: de ex-vrouw) hebben samen een minderjarig kind en zijn verwikkeld in een familierechtelijk geschil. De ex-partner wordt in dit geschil bijgestaan door mr. C. Klager heeft met bijstand van een advocaat in Eindhoven tegen de ex-partner een procedure gevoerd over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van het kind. In februari 2024 heeft klager zich tot verweerster gewend voor verdere bijstand in dit geschil.   2.3    Op 16 februari 2024 heeft een intakegesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit gesprek heeft klager geschreven: “Zoals besproken stuur k je hierbij het voorstel met de stukken voor de kinderalimentatie wat is verstuurd naar [mr. C]. (…). We spraken af dat jij eerst telefonisch contact met [mr. C] opneemt om te peilen hoe zij erin staan en of er nog overleg mogelijk is. Op basis van de reactie van [mr. C] zullen we eventuele vervolgstappen bepalen.”  2.4    Afgesproken is dat verweerster eerst zou onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk was en daartoe telefonisch contact zou opnemen met de advocaat van de ex-vrouw, mr. C. Daarna zouden de vervolgstappen worden besproken. 2.5    Verweerster heeft handgeschreven aantekeningen gemaakt van het gesprek en daarin onder meer het e-mailadres van klager genoteerd.  2.6    Op 19 februari 2024 heeft verweerster een opdrachtbevestiging en een voorschotfactuur aan klager verzonden. Door het gebruik van een onjuist e-mailadres (door een spelfout in de naam van klager) heeft klager deze brieven niet direct ontvangen. Op 6 maart 2024 heeft verweerster de brieven alsnog naar het juiste e-mailadres gestuurd.  2.7    Op 28 februari 2024 heeft verweerster telefonisch overleg gevoerd met mr. C. 2.8    Op 29 februari 2024 heeft klager verweerster meegedeeld dat de insteek van de rechtsbijstand niet de kinderalimentatie is, maar de terugvordering van het bedrag dat hij de afgelopen jaren te veel had betaald voor de kinderopvang. 2.9    Bij e-mail van 15 maart 2024 heeft klager verweerster bericht dat hij persoonlijk stukken zou langsbrengen en haar in dat verband geschreven:  “Ik hoor graag, na het lezen van de stukken, jouw mening en wat je aanpak wordt en wat de kans van slagen is om het te veel betaalde bedrage terug te vorderen indien er een procedure gestart moet worden. Ik verwacht dat we kort en adequaat te werk gaan en niet eindeloos gaan corresponderen met tegenpartij. Dat heeft in het verleden tot niks geleid behalve veel frustratie en ellende” In zijn e-mail heeft klager ook een aantal vragen gesteld:  “1. Wat is de verwachting qua uren voor een normale procedure en eventueel HB?  2. Wat is de verachting hoelang een procedure van terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan kinderopvang zal gaan duren?  3. Welke kans van slagen is er en welke argumenten en welk tegenargumenten zijn er?  4. Indien we een procedure moeten starten, wat voor soort procedure wordt er dan gestart voor het terugvorderen van een het bedrag, wordt het een kinderalimentatie procedure of een civiele procedure en wie draait er op voor de kosten als het een civiele procedure is/wordt?” 2.10    Op 20 maart 2024 heeft klager de stukken bij verweerster langsgebracht en bij e-mail van 29 maart 2024 heeft klager verweerster gevraagd of zij de stukken inmiddels had gelezen en zich al een mening heeft kunnen vormen over de zaak.  2.11    Bij e-mail van 29 april 2024 heeft klager opnieuw bij verweerster geïnformeerd naar de stand van zaken. Volgens klager waren er inmiddels enkele weken verstreken en had klager meerdere keren verzocht om teruggebeld te worden, maar hierop had klager geen reactie ontvangen.  2.12    Op 29 mei 2024 heeft verweerster klager een inhoudelijk advies gestuurd over de verdeling van de kinderopvangkosten die via twee berekeningsmethoden benaderd kon worden. Verweerster adviseert klager over de te volgen methode. Klager heeft hierop diezelfde dag laten weten haar advies te zullen volgen en nog een aantal vragen gesteld.  2.13    Naar aanleiding van een factuur van verweerster van 31 mei 2024 heeft klager verweerster op 3 juni 2024 het volgende bericht gestuurd: “Ik heb de factuur ontvangen over de periode februari t/m mei en ben hier eerlijk gezegd behoorlijk van geschrokken.  Voor alleen het bestuderen van het dossier en het advies (…) zijn de kosten meer dan 2k en moeten we nog beginnen aan een procedure.  Graag zou ik dan ook antwoorden ontvangen op onderstaande vragen zodat ik een juiste afweging kan maken tussen de kosten en baten. 1.    Wat is de verwachting qua uren voor het vervolg en een procedure en eventueel HB?  2.    Wat is de verwachte slagingskans van een procedure. Ik begrijp dat het lastig is om hier een 100% inschatting te geven, maar er is toch voldoende jurisprudentie van vergelijkbare zaken die we kunnen gebruiken. (…) 3.    Wat is de verwachting hoelang een civiele procedure van terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan kinderopvang zal gaan duren?  4.    Wat is je beschikbaarheid voor de komende periode, mochten we een procedure moeten starten?  Alvast dank voor je spoedige reactie.”  2.14    In de periode daarna hebben klager en verweerster gecorrespondeerd over een voorstel aan de wederpartij, waarbij een door verweerster opgesteld bericht van 16 juli 2024 in eerste instantie opnieuw naar het verkeerde e-mailadres van klager is gestuurd. Op 29 juli 2024 heeft verweerster namens klager een voorstel gestuurd aan de advocaat van de ex-vrouw, die het voorstel heeft afgewezen.  2.15    Op 12 september 2024 heeft verweerster nieuwe berekeningen met een advies aan klager gestuurd, gebaseerd op informatie van mr. C waaruit volgens verweerster bleek dat de ex-partner ook betalingen had verricht. Daarbij heeft verweerster aangegeven de weg van de kantonrechter te willen volgen. Hierover is tussen klager en verweerster een verschil van inzicht ontstaan, omdat klager nog een keer via overleg tot een oplossing wilde komen en het niet eens was met de nieuwe berekeningen van verweerster.  2.16    Bij e-mail van 13 september 2024 heeft klager verweerster om een nadere toelichting gevraagd omdat hij verrast was door de nieuwe berekeningen en dit niet was afgesproken, aldus klager.  2.17    Op 18 oktober 2024 is uiteindelijk een aangepast voorstel aan de wederpartij gestuurd, waarna op 25 oktober 2024 opnieuw een afwijzing van en een tegenvoorstel van de wederpartij volgden. Dit voorstel hield in dat de ex-vrouw bereid was (afgerond) € 4000,- te betalen als klager verder zou afzien van een procedure. Verweerster heeft klager geadviseerd met dit voorstel akkoord te gaan.  2.18    Op 5 november 2024 heeft klager vragen gesteld over de factuur van verweerster van 4 november 2024 en zijn onvrede geuit over de behandeling van de zaak. Hierop heeft verweerster op 7 november 2024 haar werkzaamheden neergelegd en zich aan de zaak onttrokken. Op 15 november 2024 heeft klager een klacht ingediend bij het kantoor van verweerster, waarop verweerster op 19 december 2024 aan klager een financieel voorstel heeft gedaan, hoewel zij zich niet in de klacht kon vinden. Klager en verweerster hebben hierover geen overeenstemming bereikt.  2.19    Op 27 december 2024 heeft klager bij de deken een klacht over verweerster ingediend. Aangezien de klacht zowel betrekking had op de kwaliteit van de dienstverlening als op de declaraties van verweerster, heeft de deken klager geadviseerd de klacht voor te leggen aan de Geschillencommissie Advocatuur (hierna: de Geschillencommissie). Klager heeft aangegeven zijn klacht zowel bij de Geschillencommissie als bij de deken in te dienen. Op 9 februari 2025 heeft klager zijn volledige klacht, voorzien van bijlagen ingediend. 2.20    Op 2 februari 2026 heeft de Geschillencommissie een bindend advies gegeven over het geschil tussen klager en verweerster en geoordeeld dat de klacht gedeeltelijk gegrond is voor wat betreft de onduidelijke opdrachtbevestiging, de voortgang van de werkzaamheden en het meermaals bezigen van een foutief e-mailadres en ongegrond is voor wat betreft de onjuiste adviezen en berekeningen en het in rekening brengen van werkzaamheden waarvoor geen opdracht is gegeven. Op grond van redelijkheid en billijkheid is een door verweerster aan klager te betalen vergoeding vastgesteld op in totaal € 1.000,-. 2.21    Op 5 februari 2026 heeft verweerster het bedrag conform het bindend advies aan klager overgemaakt. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:  a)    verweerster heeft klager ondermaats bijgestaan door niet aan haar inspanningsverplichting te voldoen, fouten te maken, klager onjuist te adviseren en de opdracht en overige gemaakte afspraken, ondanks uw verzoeken, niet schriftelijk vast te leggen; b)    werkzaamheden in rekening te brengen die niet waren afgesproken, dubbel zijn uitgevoerd of correcties waren van gemaakte fouten.

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING 5.1    De raad stelt voorop dat op basis van vaste jurisprudentie (vgl. Hof van Discipline van 1 december 2014; ECLI:NL:TAHVD:2014:374) een beslissing van de Geschillencommissie voor de beoordeling van een tuchtklacht relevant kan zijn, maar dat die beslissing de tuchtrechter niet bindt. De raad toetst zelfstandig aan de norm van artikel 46 Advocatenwet, namelijk of verweerster heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de zorg die zij als advocaat had behoren te betrachten of anderszins heeft gehandeld zoals een advocaat niet betaamt. 5.2    In de onderhavige klachtzaak is een geschil over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster. De raad overweegt dat pas sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld.  5.3    Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. De advocaat is gehouden de aan hem of haar toevertrouwde belangen met de nodige voortvarendheid te behartigen. Van een advocaat mag verwacht worden dat hij of zij reageert op berichten van zijn of haar cliënt(e). Tot die professionele standaard behoort eveneens het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en de cliënt daarover te informeren. De cliënt(e) dient door de advocaat erop gewezen te worden wat de proceskansen zijn en het kostenrisico is. 5.4    Gedragsregel 16 lid 1 bepaalt dat de advocaat zijn of haar cliënt(e) op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn of haar cliënt(e) te bevestigen. Klachtonderdeel a)   5.5    Klachtonderdeel a) valt uiteen in de volgende verwijten: het ontbreken van een deugdelijke schriftelijke vastlegging van belangrijke afspraken, niet voldoen aan de inspanningsverplichting, het gebruik van een onjuist e-mailadres, het onjuist adviseren en het onderhouden van privécontacten met de advocaat van de wederpartij, mr. C. De raad overweegt ten aanzien van deze verschillende aspecten het volgende.    Schriftelijke vastlegging afspraken en inspanningsverplichting (voortvarendheid)  5.6    Op grond van gedragsregel 16 lid 1 is een advocaat verplicht om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk te bevestigen om misverstanden te voorkomen. Dat begint bij een deugdelijke opdrachtbevestiging. Verweerster heeft weliswaar op 6 maart 2024 een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd, maar daarin wordt klager uitsluitend geïnformeerd over algemene zaken zoals de tarieven, de kantoorklachtenregeling en de algemene voorwaarden. Een omschrijving van de te verrichten werkzaamheden met een concreet plan van aanpak, een overzicht van de te verwachten kansen en risico’s en een (globale) inschatting van de kosten ontbreken echter. Hoewel uit het dossier blijkt dat niet in geschil is dat verweerster eerst telefonisch zou verkennen of een minnelijke regeling mogelijk was en dat vervolgens, afhankelijk van de uitkomst daarvan, de vervolgstappen zouden worden bepaald, ontbreekt een heldere vastlegging van die verkenning en van de daaropvolgende keuzes. Klager heeft vervolgens ook nog uitdrukkelijk gevraagd om inschattingen die, kort gezegd, zouden bijdragen aan een beter beeld van kosten en baten van een procedure (zie de e-mails van 15 maart 2024 en 3 juni 2024 zoals hierboven weergegeven). Ook toen heeft verweerster dat inzicht niet gegeven. Dat klager volgens verweerster wilde dat zij zo snel en goedkoop mogelijk zou werken, ontslaat haar niet van haar plicht om dat inzicht te geven, zeker niet als de cliënt kenbaar maakt dat daaraan wel behoefte bestaat. Met een duidelijke schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraken en een concreet plan van aanpak met kosteninschatting hadden de bij klager bestaande onduidelijkheden, waaronder die over de hoogte van de facturen, naar het oordeel van de raad kunnen worden voorkomen. Het ontbreken hiervan wordt verweerster tuchtrechtelijk verweten, te meer nu klager hier meermaals om heeft verzocht (verwezen wordt naar klagers e-mails van 15 maart 2024 en 29 maart 2024). In zoverre is klachtonderdeel a) gegrond.   5.7    Met betrekking tot het verwijt over de voortgang van verweersters werkzaamheden overweegt de raad het volgende. Uit het overgelegde klachtdossier blijkt dat klager meerdere malen heeft benadrukt dat voortvarendheid in de aanpak voor hem essentieel was. Daarbij heeft klager onbetwist gesteld dat verweerster tijdens het eerste gesprek had aangegeven voldoende tijd te hebben om snel te kunnen handelen, hetgeen voor klager reden was om verweerster in te schakelen. De raad stelt vast dat verweerster na het intakegesprek met klager op 19 februari 2024 de eerste berekeningen op 29 mei 2024 (en dus na drie maanden) heeft toegezonden en dat het voorstel aan de wederpartij op 29 juli 2024 (en dus pas na vijf maanden) is verstuurd. Hoewel uit het onderliggende klachtdossier en het verweer blijkt dat de voortgang van de zaak mede werd belemmerd doordat klager de benodigde informatie niet direct had verstrekt, geldt dat verweerster ook hierover duidelijke afspraken met klager had moeten maken. De raad komt al met al tot de slotsom dat van verweerster in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht dat zij voortvarender te werk was gegaan. Klachtonderdeel a) is ook in zoverre gegrond.  Gemaakte fouten en onjuist advisering  5.8    Verweerster heeft erkend dat zij in totaal driemaal een verkeerd e-mailadres van klager heeft gebruikt. Verweerster had tijdens het intakegesprek het e-mailadres genoteerd en vervolgens in het systeem opgenomen. Achteraf kan zij niet meer vaststellen hoe die onjuiste notering is ontstaan. Verweerster voert aan dat uitsluitend een van de drie berichten inhoudelijke gegevens bevatte over de kinderopvangkosten en de financiële afrekening. Verweerster bagatelliseert het privacy risico daarvan niet, maar bestrijdt wel de door klager gestelde conclusies over integriteit, structureel ondeugdelijk dossierbeheer of enige schade.  5.9    De raad overweegt dat het gebruiken van een verkeerd e-mailadres vervelend is maar dat een dergelijke fout nu eenmaal kan gebeuren. Na de ontdekking op 6 maart 2024 dat er een verkeerd e-mailadres was gebruikt bij de verzending van de opdrachtbevestiging, had naar het oordeel van de raad echter het verzenden van e-mails naar het verkeerde e-mailadres niet nog tweemaal mogen gebeuren. Een dergelijke slordigheid valt verweerster wel aan te rekenen, zodat klachtonderdeel a) ook in zoverre gegrond is.  5.10    De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster fouten heeft gemaakt in haar berekeningen en klager onjuist heeft geadviseerd. Uit het klachtdossier blijkt dat verweerster twee uitgebreide adviezen met bijbehorende berekeningen heeft opgesteld en heeft toegelicht waarom zij in het tweede advies tot een lager bedrag is gekomen, onder meer vanwege nieuwe informatie over betalingen die de ex-partner had gedaan. Het gegeven dat de werkzaamheden met betrekking tot het tweede advies zijn gecrediteerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat verweerster daarmee heeft erkend dat haar advies inhoudelijk onjuist was. Evenmin is gebleken dat het advies van verweerster om akkoord te gaan met het tegenvoorstel van de wederpartij, onjuist is. Klachtonderdeel a) is in zoverre ongegrond.  Privécontact met mr. C 5.11    Naar het oordeel van de raad levert het enkele feit dat verweerster en mr. C elkaar privé kennen, op zichzelf geen tuchtrechtelijk verwijt op. Verweerster heeft toegelicht dat zij in de privésfeer geen zaken of cliënten bespreken. De raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat verweerster vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met mr. C, noch dat haar onafhankelijkheid of partijdigheid anderszins in het geding is geweest. Klager heeft zijn verwijt hierover onvoldoende onderbouwd. Klachtonderdeel a) is in zoverre ongegrond.  Klachtonderdeel b) 5.12    Dit klachtonderdeel ziet op de declaraties die verweerster voor haar werkzaamheden aan klager heeft verstuurd. Volgens klager heeft verweerster werkzaamheden in rekening gebracht die vooraf niet met klager zijn afgesproken, dubbel zijn uitgevoerd, niet zijn uitgevoerd of werkzaamheden ten aanzien van correcties van door verweerster gemaakte fouten. Verweerster heeft, aldus klager, namelijk fouten gemaakt in de door haar opgestelde berekeningen en de correcties hiervan bij klager in rekening gebracht. Ook gesprekken over onjuiste facturen heeft verweerster gedeclareerd. 5.13    De raad overweegt dat de tuchtrechter niet de bevoegdheid heeft om declaratiegeschillen te beslechten, doch slechts waakt tegen excessief declareren. Hoewel de raad bij de beoordeling van klachtonderdeel a) heeft vastgesteld dat verweerster geen heldere kosteninschatting heeft gegeven, is de raad op grond van de stukken in het klachtdossier niet gebleken dat verweerster voor haar werkzaamheden buitensporig heeft gedeclareerd of ten onrechte uren in rekening heeft gebracht. Klachtonderdeel b) is dan ook ongegrond.       6    MAATREGEL 6.1    Uit het voorgaande volgt dat verweerster in strijd met haar informatieplicht als bedoeld in gedragsregel 16 lid 1 heeft nagelaten klager tijdig een duidelijke opdrachtbevestiging te sturen, waarin een plan van aanpak en een kosteninschatting waren opgenomen, onvoldoende voortvarend te werk is gegaan en meerdere malen een foutief e-mailadres heeft gehanteerd. Mede gelet op verweersters blanco tuchtrechtelijk verleden acht de raad een waarschuwing in dit geval passend en geboden.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING  7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 25,- reiskosten van klager, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.  7.3    Verweerster moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.  7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdeel a) gedeeltelijk gegrond; -    verklaart klachtonderdeel a) overigens en klachtonderdeel b) volledig ongegrond; -    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; -    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. D. Horeman en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.  

Griffier     Voorzitter

Verzonden op: 26 oktober 2026