Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-10-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:239
Zaaknummer
26-838/A/NH
Zaaknummer
26-839/A/NH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing; klachten over de kwaliteit dienstverlening. Verweerster 1 en verweerster 2 als haar waarnemer gedurende een vakantieperiode hebben gehandeld zoals van een behoorlijk handelend advocaat mocht worden verwacht. De klachten zijn kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaken 26-838/A/NH en 26-839/A/NH
naar aanleiding van de klachten van:
klaagster
over:
1. (inzake 26-838/A/NH) verweerster 1
en
2. (inzake 26-839/A/NH) verweerster 2 samen: verweersters
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brieven van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 24 september 2026 met kenmerken bb/ss/26-069/2556634 en bb/ss/26-118/2579355, door de raad ontvangen op (eveneens) 24 september 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 (A-klachtdossier) en 8 en 9 (B-overige correspondentie) inzake de klacht over verweerster 1 en bijlagen 1 tot en met 7 (A-klachtdossier) inzake de klacht over verweerster 2.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klachten gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. Inzake 26-838/A/NH – klachtprocedure over verweerster 1 1.1 Verweerster 1 heeft klaagster in de periode van eind april 2025 tot eind november 2025 als advocaat bijgestaan bij de afwikkeling van klaagsters relatie en zakelijke samenwerking met de heer B. Het betrof zaken als de verdeling van het vennootschapskapitaal en de toebedeling van de gemeenschappelijke woning. Er heeft een onderhandelingstraject plaatsgevonden en een bodemprocedure die op 13 augustus 2025 aanhangig is gemaakt en op 3 december 2025 op verzoek van klaagster is geroyeerd. 1.2 Op 29 april 2025 heeft klaagster een eerste bespreking gehad met verweerster 1, waarna verweerster 1 haar een opdrachtbevestiging heeft gestuurd. 1.3 Op 7 mei 2025 heeft verweerster 1 klaagster inhoudelijk over haar zaak geadviseerd. 1.4 Bij e-mail van 12 mei 2025 heeft verweerster 1 klaagster geschreven dat het tijd werd dat zij op toneel zou verschijnen en heeft zij klaagster gevraagd of zij een conceptbrief moest opstellen. 1.5 Op 16 mei 2025 heeft verweerster 1 - na instemming van klaagster bij e-mail van eveneens 16 mei 2025 - de wederpartij een sommatiebrief gestuurd en zijn er bewijsstukken over de kapitaalstanden en de nevenactiviteiten van de wederpartij uitgewisseld. 1.6 Op 27 mei 2025 heeft klaagster aan verweerster 1 geschreven dat zij het beter vond om een kort geding aan te spannen en dat zij geen redenen zag om met de wederpartij in overleg te gaan. 1.7 Bij e-mail van 28 mei 2025 (om 09:40 uur) heeft verweerster 1 klaagster het volgende geschreven: “Wil je nog met hem om de tafel zitten of niet? Als je dat wilt en er is best wat te bespreken is dat zinvol. Het liefst met een advocaat er bij. Wil hij dat niet dan houdt het op. Belangrijk is wel even een taxatie van het huis te hebben zodat we kunnen gaan rekenen. Ik kan de kort geding dagvaarding gaan prepareren als je wilt. Van hoeveel overtredingen hebben we nu hard bewijs?” 1.8 Op 28 mei 2025 (10:17 uur) heeft verweerster 1 klaagster voorgesteld om de wederpartij nogmaals te rappelleren en bij geen reactie een kort geding te starten. Klaagster heeft hierop positief (met top) geantwoord. 1.9 Op 12 juni 2025 heeft een overleg plaatsgevonden met de wederpartij. Verweerster 1 heeft na deze bespreking met klaagster besproken onder welke voorwaarden zij eventueel bereid zou zijn de samenwerking met de heer B te beëindigen. Als kosten voor een procedure/kort geding heeft verweerster 1 bij e-mail van 12 juni 2025 (16:23 uur) een globale indicatie van € 10.000,00 gegeven. 1.10 Tussen klaagster en verweerster 1 zijn vervolgens afspraken gemaakt over een fixed fee voor de werkzaamheden van verweerster 1. Deze afspraken heft verweerster 1 bij e-mail van 27 juni 2025 aan klaagster bevestigd. De e-mail luidt, voor zover relevant, als volgt: “Conform hedenmorgen op kantoor besproken, bevestig ik je als volgt. (…) We hebben daarvoor de prijsafspraak gemaakt voor de procedure tot en met dag vonnis van € 9.000,00 exclusief BTW en exclusief kosten. In mijn onderstaande mail staan de hoogte van de griffiegelden die je voorafgaande aan het aanbrengen van de procedure dient te voldoen aan ons kantoor en afzonderlijk worden gefactureerd. In de fixed fee zitten ook de werkzaamheden die ik tot op heden heb gewerkt maar nog niet heb gedeclareerd maar deze worden wel meegenomen in de fixed fee. Mijn normale uurtarief van € 250 ex btw weer gaat gelden als ik 10 uur meer dan 36 uur aan de zaak heb gewerkt. (36x250 = 9000). Verzoek ik je per mail hetgeen hierboven is gesteld te bevestigen. Tenslotte is bijgevoegd met het verzoek voor de betaling zorg te dragen.” 1.11 In juni 2025 en juli 2025 hebben er besprekingen plaatsgevonden tussen partijen. Op 15 juli 2025 heeft de advocaat van de heer B een viergesprek voorgesteld. Verweerster 1 heeft klaagster op 16 juli 2025 gevraagd of zij op dit voorstel van de wederpartij wilde ingaan. Zij schrijft klaagster het volgende: “Hij heeft eindelijk een advocaat in de arm genomen en probeert weer te vertragen. Op de voorgestelde data ben ik afwezig. Vrijdag a.s. zou wel kunnen. Wil je op zijn voorstel ingaan of niet.” 1.12 Diezelfde datum heeft klaagster aan verweerster 1 geantwoord: “Hoe moeilijk ik het ook vind. Ik ben bij de bespreking.” 1.13 Het viergesprek heeft op 21 juli 2025 plaatsgevonden. 1.14 Bij e-mail van 22 juli 2025 heeft verweerster 1 klager het volgende geschreven: “Hierbij tref je aan een eerste opzet voor de dagvaarding. Graag verneem ik van je of je met deze dagvaarding wilt verdergaan of dat je je op het onderhandelingsproces wilt focussen. Ook kan ik nogmaals [B] sommeren zich aan de bepalingen van de overeenkomst te houden. (…) Ik begrijp dat je stuk bent, maar het is nu echt tijd om de verkoop van de woning door te zetten en actie te nemen. Laat me morgen weten hoe verder te gaan.” 1.15 Bij e-mail van 23 juli 2025 heeft klaagster verweerster 1 geantwoord, voor zover relevant: “Ik wacht nog op het bericht van de accountant. Daarnaast ben ik bezig met het afronden van een overzicht van verdere VOF-contractovertredingen door [de heer B] die ik je nog wil sturen.” 1.16 Bij e-mail van 29 juli 2025 heeft verweerster 1 aan klaagster meegedeeld dat het tijd werd om te dagvaarden. 1.17 Bij e-mail van 30 juli 2025 heeft verweerster 1 nogmaals aan klaagster laten weten dat het wat haar betrof tijd werd om tot dagvaarden over te gaan en dat het haar verstandig leek als klaagster buiten zakelijke correspondentie niet meer zelf met de heer B zou communiceren. 1.18 Klaagster heeft diezelfde datum aan verweerster 1 geantwoord als volgt: “Duidelijk, ik zal geen contact meer opnemen met [de heer B] over privézaken. (…) Het is inderdaad tijd om de tot dagvaarding over te gaan. Onderhandelen heeft gewoon geen zin met [de heer B].” 1.19 Verweerster 1 heeft hierop op 31 juli 2025 aan klaagster laten weten dat de dagvaarding nagenoeg gereed was en na afronding ervan is deze op 13 augustus 2025 uitgebracht. Op 27 augustus 2025 is de dagvaarding vervolgens bij de rechtbank Noord-Holland aangebracht en beide partijen hebben processtukken ingediend. 1.20 Op 16 oktober 2025 heeft klaagster aan verweerster 1 laten weten dat zij van koers wenste te wijzigen en is klaagster zelfstandig met de wederpartij gaan onderhandelen. Verweerster 1 heeft de rechtbankprocedure op verzoek van klaagster aangehouden. 1.21 Op 28 november 2025 heeft klaagster de samenwerking met verweerster 1 beëindigd en daarbij aanspraak gemaakt op een volledige terugbetaling van de declaraties en eveneens een schadevergoeding verzocht. 1.22 Bij e-mail van 1 december 2025 heeft verweerster 1 aan klaagster geschreven: “Je begrijpt dat ik je bericht niet snap. Ik heb nooit eerder enige klacht van je ontvangen? Jullie waren in onderhandeling. Zijn jullie er uit? Ik moet de rechtbank 3 december a.s. berichten. Moet ik mij daar onttrekken als je advocaat. Maar je kunt de procedure niet voeren zonder advocaat. En nu zeg je per direct de samenwerking op en wil je je geld terug? Hebben jullie onderling alles geregeld?” 1.23 Later die dag heeft verweerster 1 verder aan klaagster geschreven: “Alleen met medewerking van de wederpartij kan ik de zaak intrekken. Ik zal [de advocaat van de wederpartij] berichten. Eerlijk gezegd ben ik totaal verbaas[d]. Wat ik lees in je brief, heb ik de afgelopen 35 jaar niet meegemaakt. Dat je een schikking hebt getroffen met de heer [B], is mooi. En hoop dat jullie er op een goede basis uit zijn gekomen. Echter, je hebt nooit enige klacht tegen mij geformuleerd en we hebben altijd prima contact gehad. Dat je nu ineens alle facturen gecrediteerd wil hebben plus een schadevergoeding, gaat wel heel ver [klaagster]. Ik ben diep geschokt. Ik kom er verder inhoudelijk nader op terug.” 1.24 Bij e-mail van (eveneens) 1 december 20025 heeft verweerster 1 aan de advocaat van de wederpartij geschreven: “Naar ik heb begrepen van cliënte, hebben partijen een schikking getroffen en willen zij de procedure beëindigen. Ik zal bij de rechtbank een verzoek van royement indienen en vraag uw zijde de rechtbank dienovereenkomstig te informeren.” 1.25 Bij e-mail van 3 december 2025 heeft verweerster 1 aan klaagster meegedeeld dat zij van de wederpartij nog geen bericht had ontvangen over instemming met het royement van de procedure en dat de rechtbank de zaak niet zal royeren als de wederpartij niet instemt. Zij vraagt klaagster of zij zich ook moet destineren van de procedure als deze blijft doorlopen als de wederpartij niet instemt met het royement en houdt klaagster voor dat zij ook een andere advocaat kan benaderen die zich in haar plaats zou kunnen stellen in de procedure. 1.26 Op 9 december 2025 heeft de wederpartij laten weten akkoord te zijn met het royement. Uit het roloverzicht van de rechtbank volgt dat de zaak is geregistreerd als “doorhaling door partijen”. 1.27 In een e-mail van een dag eerder - 8 december 2025 - heeft verweerster 1 naar aanleiding van een verzoek van klaagster van 3 december 2025 het procesdossier via WeTransfer aan klaagster overgedragen. Nadat klaagster in reactie hierop had verzocht om het procesdossier eveneens per aangetekende post toe te zenden, heeft verweerster 1 klaagster op 9 december 2025 bericht dat zij de stukken op haar kantoor kon ophalen. Hiermee heeft klaagster ingestemd en op 10 december 2025 heeft klaagster de hard copy van de stukken bij verweerster 1 op kantoor afgehaald en voor ontvangst getekend. 1.28 Op 5 februari 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster 1. Inzake 26-839/A/NH – klachtprocedure over verweerster 2 1.29 Verweerster 2 is de kantoorgenoot van verweerster 1 en heeft in de maand augustus 2025 de zaak voor verweerster 1 waargenomen. 1.30 Bij e-mail van 12 augustus 2025 heeft klaagster verweerster 2 een e-mail gestuurd met de volgende inhoud, voor zover relevant: “Hoe de zaak nu loopt, zit mij helemaal niet lekker. Ik heb vanaf 1 augustus op verzoek alle overtredingen los in een document gezet en alle bewijsmateriaal in een aparte map verzameld. Nadat ik het 2e concept dagvaarding kreeg zag ik dat de documenten inclusief bewijsmateriaal nog niet gedownload waren. Dan was de 2e concept dagvaarding natuurlijk helemaal nog niet correct. En gisteren aan de telefoon heb jezelf gezegd dat je niet helemaal in deze zaak zit omdat het de zaak van [verweerster 1] is. Wat voor mij verwarrend is, is dat jij en [verweerster 1] een hele andere kijk hebben op wat wel of niet een overtreding is.” 1.31 Verweerster 2 heeft op 18 augustus 2025 per abuis een factuur op urenbasis verzonden omdat zij niet op de hoogte was van de financiële afspraken tussen verweerster 1 en klaagster. De e-mail luidt als volgt: “Bijgaand tref je aan factuur met nummer 20250538 met betrekking tot de verrichte werkzaamheden. Hierin zitten zowel de uren van [verweerster 1] als van mij in, te vinden in de specificatie. Ik wil je vragen om zorg te dragen voor betaling. Op je berichten van vandaag probeer ik vanmiddag, uiterlijk morgenochtend terug te komen. Indien gewenst kunnen we nog even telefonisch overleg hebben.” 1.32 Bij e-mail van 25 augustus 2025 heeft verweerster 2 klaagster hierover het volgende bericht gestuurd, voor zover relevant: “Begreep dat een factuur was uitgegaan maar deze factuur wordt verrekend wat betreft het honorarium met het bedrag dat je reeds hebt voldaan. Ik kom daar op terug. Je hoeft nu niets te voldoen. In beginsel alleen de kosten die niet in de fixed fee zaten inbegrepen zoals afgesproken. Maar je krijgt nog een mail met uitleg.” 1.33 Op 3 maart 2026 heeft klaagster bij de deken ook een klacht ingediend over verweerster 2.
2 KLACHT 2.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweersters tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweersters het volgende. Klacht over verweerster 1 a) Verweerster 1 is tekortgeschoten in haar voortvarendheid en zorgplicht. b) Verweerster 1 heeft gehandeld tegen de uitdrukkelijke instructies van klaagster in. c) Verweerster 1 heeft klaagster misleid over de voortgang van haar procedure. d) Verweerster 1 heeft ondermaatse processtukken opgesteld. e) Verweerster 1 heeft onbetamelijk gefactureerd. f) Verweerster 1 heeft het dossier onzorgvuldig afgewikkeld. Klacht over verweerster 2 a) Verweerster 2 is tekortgeschoten in haar zorgplicht door een fundamenteel gebrek aan dossierkennis. b) Verweerster 2 heeft cruciale bewijslast genegeerd. c) Verweerster 2 is schriftelijke toezeggingen niet nagekomen. d) Verweerster 2 heeft een factuur verzonden die in strijd was met de gemaakte prijsafspraken.
3 VERWEER 3.1 Verweersters hebben beiden tegen de klachten verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Maatstaf 4.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 4.2 Deze klachten gaan over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klacht over verweerster 1 Klachtonderdeel a) tekortgeschoten in voortvarendheid en zorgplicht 4.3 Klaagster stelt dat ondanks de harde toezegging van verweerster 1 op 28 mei 2025 om bij het uitblijven van een reactie van de wederpartij direct een procedure te starten, verweerster de zaak maandenlang heeft laten stagneren. Hierdoor heeft de wederpartij de kans gekregen om bewijs te saboteren en een terugvordering te construeren, waardoor de rechtspositie van klaagster is verslechterd. 4.4 Dit klachtonderdeel faalt. Verweerster 1 heeft gemotiveerd aangevoerd - en dit wordt bevestigd door de stukken - dat zij pas op 16 mei 2025 toestemming van klaagster had gekregen om de heer B te sommeren, omdat klaagster eerder niet wilde dat verweerster 1 zich als klaagsters advocaat zou presenteren. Vervolgens heeft verweerster 1 de heer B met instemming van klaagster op 28 mei 2025 nogmaals gerappelleerd waarna verdere onderhandelingen hebben plaatsgevonden. Anders dan klaagster, leest de voorzitter in de correspondentie van 28 mei 2025, geen harde toezegging om op dat moment tot dagvaarden over te gaan. Verweerster 1 heeft klaagster daarna meerdere malen in juli 2025 voorgehouden dat het volgens haar beter was om tot dagvaarden over te gaan. Klaagster heeft hiervoor echter pas begin augustus 2025 akkoord gegeven, waarna de dagvaarding op 13 augustus 2025 is uitgebracht. Uit deze feiten volgt dat dat verweerster 1 alle genomen stappen, waaronder het (voorlopig) afzien van procederen, met klaagster heeft afgestemd en dat de vertraging, als daar al sprake van was, het gevolg was van de instructies van klaagster. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdelen b) en c) handelen tegen instructies en misleiding over voortgang 4.5 Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. Klaagster stelt dat verweerster 1 haar instructies om het overleg met de wederpartij te staken herhaaldelijk heeft genegeerd, en dat zij klaagster onder druk heeft gezet tot een vruchteloos gesprek met de wederpartij, terwijl verweerster 1 zelf schriftelijk heeft erkend dat de wederpartij enkel uit was op vertraging (klachtonderdeel b). Verder stelt klaagster dat zij herhaaldelijk onjuist is geïnformeerd over de status van de procedure. Zo heeft verweerster 1 eind juli 2025 expliciet laten weten dat de dagvaarding “nagenoeg gereed” was, terwijl deze pas weken later is uitgebracht (klachtonderdeel c). 4.6 Ook deze klachtonderdelen slagen naar het oordeel van de voorzitter niet. Uit de stukken blijkt dat verweerster 1 het voorgestelde viergesprek op 16 juli 2025 aan klaagster heeft voorgelegd en haar de keuze heeft gegeven om al dan niet deel te nemen aan het gesprek. Dat verweerster 1 in haar e-mail schrijft dat de wederpartij met het voorstel de procedure probeert te vertragen, is onvoldoende om aan te nemen dat verweerster 1 daarmee geen enkel heil zag in het overleg. Niet gebleken is dat klaagster onder druk heeft ingestemd met het viergesprek. Dat klaagster het gesprek moeilijk vond, betekent op zichzelf niet dat zij tegen haar wil aan het gesprek heeft deelgenomen. Klachtonderdeel b) is in verband dan ook kennelijk ongegrond. 4.7 Voor wat betreft klachtonderdeel c) geldt dat verweerster 1 klaagster eind juli 2025 heeft meegedeeld dat de dagvaarding nagenoeg gereed was. Dat de dagvaarding vervolgens pas op 13 augustus 2025 is uitgebracht, is nog geen twee weken later en daarmee in overeenstemming met de mededeling dat de dagvaarding nagenoeg gereed was. Van misleiding over de voortgang is niet gebleken. Klachtonderdeel c) is eveneens kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel d) ondermaatse processtukken 4.8 Klaagster stelt dat de uitgebrachte dagvaarding grote feitelijke onjuistheden, interne kladnotities en taalfouten bevatte, waardoor klaagster genoodzaakt was zelf de eindredactie te voeren om haar belangen veilig te stellen. 4.9 De voorzitter overweegt het volgende. Verweerster 1 heeft erkend dat de dagvaarding enkele schoonheidsfouten bevatte, maar heeft aangevoerd dat deze fouten niet afdoen aan de zorgvuldigheid van de behandeling als geheel, mede gelet op de omvang van het stuk. Ook de voorzitter is onvoldoende gebleken dat de dagvaarding andere of ernstigere (inhoudelijke) fouten bevatte dan enkele schrijffouten. Evenmin is gebleken dat deze fouten de positie van klaagster op enigerlei wijze hebben geschaad. Tegen deze achtergrond acht de voorzitter het handelen van verweerster 1 niet tuchtrechtelijk verwijtbaar en is klachtonderdeel d) ook kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel e) onbetamelijk factureren 4.10 Klaagster stelt dat er voor bijna € 15.000,- is gedeclareerd zonder dat er enig resultaat is bereikt. Verweerster 1 heeft de prijsafspraken geschonden, dubbele declaraties gestuurd van administratieve handelingen, en uren gefactureerd voor het herstellen van haar eigen fouten en de klachtafhandeling. 4.11 Verweerster 1 betwist dat er sprake is geweest van onbetamelijk factureren. Er is volgens verweerster 1 gehandeld conform de gemaakte prijsafspraken. Er is geen aanvullend honorarium in rekening gebracht buiten de overeengekomen fixed fee. Verweerster 1 erkent dat klaagster op 18 augustus 2025 van verweerster 1 een factuur heeft ontvangen, maar deze is gecrediteerd en klaagster heeft alleen de fixed fee moeten betalen, aldus verweerster 1. De voorzitter heeft in het klachtdossier geen aanknopingspunten gevonden voor een andere gang van zaken dan zoals door verweerster 1 is geschetst en heeft op basis van hetgeen klaagster naar voren heeft gebracht en de stukken in het klachtdossier niet kunnen vaststellen dat verweerster 1 in strijd met de overeengekomen prijsafspraken heeft gehandeld. Daarmee is klachtonderdeel e) kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel f) onzorgvuldige afwikkeling van het dossier 4.12 Voor zover klaagster stelt dat verweerster 1 het dossier van klaagster onzorgvuldig heeft afgewikkeld, biedt het klachtdossier hiervoor geen feitelijke grondslag. Klaagster had verweerster 1 op 1 december 2025 geïnstrueerd om de procedure per direct te staken. Verweerster 1 heeft klaagster bij e-mail van dezelfde datum erop gewezen dat voor intrekking van de bodemprocedure de instemming van de wederpartij vereist is. Ook heeft verweerster 1 haar verbazing geuit over het verzoek van klaagster. Anders dan klaagster stelt, leest de voorzitter hierin of in andere e-mails geen denigrerende toon. Verder volgt uit de stukken dat de wederpartij heeft ingestemd met het royement en dat uit het roloverzicht van de rechtbank blijkt dat de zaak is geregistreerd als “doorhaling door partijen” hetgeen een gezamenlijke, en dus niet een eenzijdige handeling van verweerster 1 veronderstelt. 4.13 Voor zover klaagster verweerster 1 verwijt dat zij heeft geweigerd het procesdossier (ook) per aangetekende post aan klaagster te versturen, blijkt uit de stukken dat klaagster op 9 december 2025 er zelf mee heeft ingestemd dat zij op 10 december 2025 het fysieke dossier op het kantoor van verweerster 1 zou ophalen. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien op welke grond verweerster 1 ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Van een denigrerende houding van verweerster 1 jegens klaagster is evenmin gebleken. Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond. Conclusie klacht verweerster 1 4.14 De voorzitter komt tot de slotsom dat verweerster 1 heeft gehandeld zoals van een behoorlijk handelend advocaat mocht worden verwacht. Al hetgeen klaagster overigens heeft gesteld, biedt geen grond voor een ander oordeel. Klacht over verweerster 2 Klachtonderdeel a) tekort geschoten in zorgplicht en gebrek dossierkennis 4.15 Op 12 augustus 2025 heeft verweerster 2 telefonisch tegen klaagster gezegd “niet in de zaak te zitten” en had zij klaagsters bewijsstukken nog niet gedownload. De regie over de bewijsvoering lag hierdoor feitelijk bij klaagster, aldus klaagster. 4.16 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster 2 heeft aangevoerd dat zij in de relatief korte periode van waarneming werd geconfronteerd met een zeer hoge frequentie aan communicatie van klaagster, bestaande uit meerdere berichten en telefoontjes per dag met uiteenlopende vragen en verzoeken. Verweerster 2 heeft hierover tijdens haar waarneming voortdurend overleg gevoerd met verweerster 1. De verwijten, waaronder het niet tijdig downloaden van stukken, het geven van tegenstrijdig advies, en verwaarlozing van de zaak, vinden volgens verweerster 2 geen steun in de feiten en de hoeveelheid contact die heeft plaatsgevonden. Ook de voorzitter heeft op grond van het klachtdossier niet kunnen vaststellen dat verweerster 2 gedurende haar waarneming is tekortgeschoten. Dat verweerster 2 tijdens de korte duur van de waarneming niet dezelfde dossierkennis had als verweerster 1, is begrijpelijk nu het niet haar zaak betrof en is daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) niet nakomen toezeggingen 4.17 Klaagster verwijt verweerster 2 dat zij een schriftelijke toezegging van 18 augustus 2025 om inhoudelijk te reageren niet is nagekomen en later zelfs heeft ontkend. 4.18 De klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster 2 heeft gemotiveerd toegelicht dat zij op 18 augustus 2025 meerdere e-mails van klaagster had ontvangen, waarna zij klaagster een factuur had gestuurd met de verrichte werkzaamheden, waarbij in datzelfde bericht over de andere voorgelegde onderwerpen is vermeld: “Op je berichten van vandaag probeer ik vanmiddag, uiterlijk morgenochtend bij je terug te komen.” Dat deze toezegging zou zien op de verstuurde factuur is volgens verweerster 2 onjuist en niet mogelijk. Op het moment van verzending van voornoemde e-mail had klaagster immers nog helemaal geen bezwaar geuit tegen de factuur. Sterker nog, deze was pas in het e-mailbericht van verweerster 2 voor het eerst bijgevoegd. De door verweerster 2 beschreven gang van zaken is aannemelijk en vindt steun in de stukken. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen in dit opzicht is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel b) is eveneens kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel c) negeren bewijslast 4.19 Klaagster stelt dat verweerster 2 haar acute zorgen over bewijssabotage ten onrechte als “geen haast” heeft gekwalificeerd en dat verweerster 2 harde feiten en bewijzen heeft bestempeld als vermoedens en daarmee de rechtspositie van klaagster richting de wederpartij actief heeft gediskwalificeerd. 4.20 Verweerster 2 betwist dat zij cruciale bewijs heeft genegeerd. Tijdens haar waarneming in augustus 2025 moest de dagvaarding na uitbrenging bij de rechtbank met spoed aangebracht worden. Tegen deze achtergrond heeft verweerster 2 bepaald dat aan de dagvaarding prioriteit moest worden gegeven en dat andere kwesties op dat moment geen urgentie hadden. Daarbij was bekend dat verweerster 1 op korte termijn zou terugkeren van haar vakantie en de verdere behandeling op zich zou nemen. Naar het oordeel van de voorzitter spreekt voor zich dat verweerster 2 zaken, die minder prioriteit hadden, niet door haar als waarnemer behoefden te worden opgepakt, maar dat deze konden blijven liggen totdat verweerster 1 was teruggekeerd van vakantie. Van klachtwaardig handelen is geen sprake en klachtonderdeel c) is dan ook kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel d) in strijd met prijsafspraken verzenden factuur 4.21 Klaagster stelt dat onder de verantwoordelijkheid van verweerster 2 een factuur op urenbasis naar klaagster is verstuurd, terwijl er een fixed fee was afgesproken. Dit is door verweerster 1 erkend en gecorrigeerd. 4.22 Dit klachtonderdeel faalt. Voordat verweerster 2 de factuur aan klaagster had verzonden, heeft zij contact gehad met verweerster 1, waarbij in de communicatie kennelijk een misverstand is ontstaan, als gevolg waarvan verweerster 2 in de veronderstelling verkeerde dat facturering op dat moment gerechtvaardigd was. Nadat klaagster hiertegen haar bezwaar kenbaar had gemaakt, heeft verweerster 2 direct aangegeven dat dit zou worden uitgezocht. Na terugkeer op kantoor heeft verweerster 1 de factuur verwerkt op correcte wijze. Daarmee is de kwestie opgelost. Dat tijdens een waarneming dergelijke miscommunicatie kan ontstaan is begrijpelijk en levert geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond. Conclusie klacht verweerster 2 4.23 De voorzitter concludeert dat verweerster 2 ten aanzien van de behartiging van de belangen van klaagster als waarnemend advocaat heeft gehandeld zoals van een behoorlijk handelend advocaat mocht worden verwacht. Al hetgeen klaagster overigens heeft gesteld, biedt geen grond voor een ander oordeel.
BESLISSING De voorzitter verklaart: - de klacht over verweerster 1 (kenmerk 26-838/A/NH) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- de klacht over verweerster 2 (kenmerk 26-839/A/NH) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 oktober 2026
