Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-10-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:245
Zaaknummer
26-358/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht niet-ontvankelijk omdat daarover te laat is geklaagd.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 26 oktober 2026 in de zaak 26-358/A/A naar aanleiding van de klacht van:
klaagster gemachtigden: mr. D. Stikkelbroeck en mr. D.A.J. Roomberg
over
verweerder gemachtigde: [kantoorgenoot]
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 8 augustus 2023 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 22 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2256404/EvR/AS van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 september 2026. Daarbij waren de heer [naam] in zijn hoedanigheid van bestuurder van klaagster, de gemachtigden van klaagster, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 00 tot en met 06. Ook heeft de raad kennisgenomen van vertrouwelijke stukken van verweerder, die niet bekend zijn bij klaagster. Namens klaagster is toestemming gegeven om mede op basis van die vertrouwelijke stukken uitspraak te doen.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klaagster importeert scooters uit China naar Europa. Zij stelt in dat verband houder te zijn van diverse modelrechten. 2.3 Verweerder is de advocaat van een andere scooterimporteur. In 2013 heeft verweerder namens zijn cliënt verzoeken tot nietigverklaring van de modelrechten ingediend bij de European Intellectual Property Office. De verzoeken zijn afgewezen. 2.4 In 2016 heeft verweerder opnieuw verzoeken tot nietigverklaring ingediend (de tweede nietigheidsprocedure). Daarbij heeft hij een verklaring ingediend van een Chinese onderneming, waaruit zou moeten volgen dat zij de ontwerper is van de modelrechten en aan verweerders cliënte toestemming is verleend om scooters op basis van die modelrechten te verkopen. Ook heeft verweerder een verklaring van de Chinese onderneming ingebracht, waarin aan zijn cliënte een volmacht wordt verleend om procedures te mogen starten tegen derden die een inbreuk maken op de modelrechten. De juistheid van deze verklaring is door klaagster bestreden, nadat haar bestuurder in december 2016 naar China is afgereisd om contact te zoeken met de Chinese onderneming over die verklaring. De verzoeken van verweerder zijn opnieuw afgewezen. 2.5 In 2017 is verweerder namens de Chinese onderneming een procedure tegen klaagster gestart bij de rechtbank Den Haag, waarin een inbreukverbod is gevorderd. In deze procedure zijn dezelfde verklaringen ingebracht als in de tweede nietigheidsprocedure. 2.6 Klaagster heeft in die procedure een ontvankelijkheidsverweer opgeworpen, omdat verweerder niet bevoegd zou zijn om voor de Chinese onderneming op te mogen treden. Ter onderbouwing daarvan heeft klaagster erop gewezen dat de Chinese onderneming verweerder niet zou kennen en ook geen opdracht zou hebben gegeven tot het starten van de procedure, zoals ook zou volgen uit een verklaring van 1 november 2017. 2.7 In maart 2019 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank Den Haag. Tijdens deze zitting heeft verweerder verklaard een volmacht van de Chinese onderneming te hebben en daarvoor in te staan. 2.8 Bij vonnis van 11 augustus 2021 heeft de rechtbank het ontvankelijkheidsverweer verworpen, omdat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat hij instaat voor de volmacht. 2.9 Na het vonnis heeft klaagster een Chinees advocatenkantoor nader onderzoek laten verrichten naar de bevoegdheid van verweerder om voor de Chinese onderneming op te treden. Het Chinese advocatenkantoor heeft een verklaring opgesteld waarin is vastgelegd dat zij van de directeur van de betreffende onderneming heeft vernomen dat er geen volmacht is verleend aan verweerder. Klaagster heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 11 augustus 2021, waarin de bevoegdheid van verweerder opnieuw in twijfel is getrokken. 2.10 Op 29 maart 2022 heeft verweerder een conclusie van antwoord ingediend, waarin hij kort gezegd betoogd dat hij wel gemachtigd is namens de Chinese onderneming. 2.11 Op 16 maart 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. De directeur van de Chinese onderneming was daarbij aanwezig en heeft verklaard dat de volmacht vals is, maar dat hij wel opdracht heeft gegeven aan verweerder om de procedure te starten. 2.12 Bij arrest van 2 mei 2023 heeft het gerechtshof Den Haag onder andere geoordeeld dat gelet op de door de directeur afgelegde verklaring de betwiste authenticiteit van de volmacht niet langer van belang is. 2.13 Op 5 augustus 2023 heeft klaagster strafrechtelijke aangifte gedaan wegens valsheid in geschrifte en oplichting jegens derden door verweerder. 2.14 Op 8 augustus 2023 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende: a) Verweerder heeft in de tweede nietigheidsprocedure een volmacht ingebracht, waarvan hij had moeten weten dat deze volmacht vervalst was dan wel dat hij redelijkerwijs had behoren te twijfelen aan de echtheid van de volmacht en onvoldoende heeft gedaan om de echtheid daarvan te verifiëren; b) Verweerder heeft in de periode van 12 september 2017 tot 16 maart 2023 procedures gevoerd namens de Chinese onderneming zonder volmacht of opdracht; c) Verweerder heeft op de zitting van 21 maart 2019 de rechter onjuist geïnformeerd door te verklaren dat hij beschikte over een volmacht van de Chinese onderneming.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). 5.2 De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. Beoordeling 5.3 De raad is van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht, omdat de klacht na afloop van de vervaltermijn van drie jaar is ingediend. Klaagster heeft aangevoerd dat zij in december 2016, nadat haar bestuurder naar China was afgereisd, ervan op de hoogte was geraakt dat de Chinese onderneming geen opdracht had gegeven aan verweerder voor het starten van een procedure. Dat heeft klaagster ook in de jaren daarna herhaaldelijk betoogd in de procedure. Dit heeft onder meer geleid tot een zitting waar expliciet aan de orde is gesteld of verweerder wel namens de onderneming mocht optreden. De vervaltermijn uit artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet is, naar objectieve maatstaven, in ieder geval aangevangen op 21 maart 2019 en daarmee geëindigd op 21 maart 2022. De tuchtklacht is ingediend op 8 augustus 2023 en dus ruimschoots na afloop van de vervaltermijn. De verklaring van de bestuurder van de Chinese onderneming op de zitting van 16 maart 2023 vormt geen omstandigheid als bedoeld in het tweede lid van artikel 46g van de Advocatenwet. 5.4 Omdat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht, wordt niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling.
BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en mr. C.C. Horrevorts, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 oktober 2026
