Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-10-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:196
Zaaknummer
26-142/AL/MN
Inhoudsindicatie
Eigen advocaat. De raad heeft geoordeeld dat verweerder zijn cliënt onvoldoende (schriftelijk) heeft geïnformeerd over onder andere de te volgen strategie, de proceskansen en de kosten. Hij heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Gelet op de ernst van dit handelen en nalaten en rekening houdend met de omstandigheid dat verweerder onvoldoende inzicht in het verwijtbare van zijn handelen lijkt te hebben, is de raad van oordeel dat de oplegging van een berisping passend en geboden is.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 5 oktober 2026
in de zaak 26-142/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. M.G. Blokziel
over
verweerder
gemachtigde: mr. E. de Jong
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 24 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2490492 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 juni 2026. Daarbij waren klager en verweerder, beiden met hun gemachtigde, aanwezig. Van de behandeling is proces‑verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerder heeft klager aanvankelijk bijgestaan in een strafrechtelijke procedure. In deze strafrechtelijke procedure heeft klager verweerder ontslagen.
2.2 Tijdens de strafzaak bleek dat de ex-partner van klager een civiele procedure was gestart voor de verkoop van de echtelijke woning. In augustus 2024 werd klager in dat kader gedagvaard. Verweerder heeft klager in deze civiele zaak bijgestaan, terwijl klager verweerder inmiddels ontslagen had in de strafrechtelijke procedure.
2.3 Klager heeft, na een voorstel van verweerder, op 5 september 2024 een verzoek ondertekend om onder bewind gesteld te worden. Verweerder, althans een op zijn kantoor werkzame jurist, is op zoek gegaan naar een bewindvoerder en heeft X Bewindvoering BV bereid gevonden.
2.4 Op 3 december 2024 heeft klager, althans de zus van klager, verweerder bericht dat hij zou zijn ontslagen als zijn advocaat in de civiele procedure. Verweerder is voor klager blijven optreden omdat klager onder bewind stond.
2.5 Op 4 december 2024 heeft klager, althans zijn zus, verzocht het bewind over klager te beëindigen. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen.
2.6 Verweerder is, op 31 januari 2025, nadat hij was ontslagen als strafrechtadvocaat, samen met de bewindvoerder aanwezig geweest bij de strafzitting van klager.
2.7 Klager heeft meermaals verzocht om zijn dossier in te zien. Verweerder heeft geen (volledige) inzage gegeven.
2.8 Verweerder heeft een totaalbedrag van € 4.812,91 betaald gekregen via de bewindvoerder van klager voor zijn werkzaamheden.
2.9 Op 27 maart 2025 heeft klager een nieuwe bewindvoerder toegewezen gekregen. In een beschikking van 17 april 2025 is de bewindvoerder per 1 mei 2025 gewijzigd.
2.10 Klager heeft zijn (eerste) bewindvoerder, op 9 april 2025 verzocht om specificaties van de declaraties van verweerder. Klager heeft geen specificaties ontvangen.
3 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door
niet onafhankelijk te zijn, door belangenverstrengeling bij de samenwerking met de bewindvoerder; niet integer te handelen, door klager onder druk te zetten bij de aanvraag van bewind, door te blijven optreden als gemachtigde van klager na ontslag en door klager passende juridische bijstand te onthouden; de rechten van klager als cliënt niet te respecteren door hem inzage in het dossier te weigeren, zonder zijn toestemming de rechtbank te adviseren over zijn rechtspositie, bedragen te laten afschrijven zonder specificatie, en beschuldigingen van bedreiging aan zijn adres te steunen.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Omvang van de klacht
5.1 De gemachtigde van klager heeft verweerder op de zitting een aantal nieuwe verwijten gemaakt, die niet in de oorspronkelijke klacht zijn opgenomen. De raad zal alleen op de oorspronkelijke - bij de deken ingediende - klacht een beslissing geven en de eerst op de zitting genoemde verwijten buiten beschouwing laten.
Maatstaf
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.3 Klager stelt dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling bij de samenwerking met de bewindvoerder. Klager is van mening dat er sprake is van een belangenverstrengeling omdat verweerder klager alleen bij wilde staan als klager onder bewind zou worden gesteld. De belangenverstrengeling zou er volgens klager in zijn gelegen dat verweerder en het bewindvoeringskantoor vaker samenwerken.
5.4 De raad overweegt hierover het volgende. Van een situatie van ongeoorloofde belangenverstrengeling, zoals neergelegd in gedragsregel 15, is sprake wanneer een advocaat a. tegelijkertijd voor meer dan één partij optreedt in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben of b. tegen een cliënt of een voormalig cliënt optreedt. Uit de beschikbare stukken blijkt dat verweerder is ingeschakeld als advocaat van klager. Omdat klager onder beschermingsbewind stond, had verweerder te maken met de bewindvoerder van klager als opdrachtgever. De bewindvoerder handelt in het belang van klager, zodat er geen sprake is van een tegengesteld belang. Verweerder stelt dat hij zich er continu van heeft vergewist of klager en de bewindvoerder hetzelfde belang hadden. Niet is gebleken dat verweerder en de bewindvoerder tegengestelde belangen hadden. De raad is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in gedragsregel 15 lid 1 sub a. Voor zover klager van mening is dat zijn bewindvoerder zijn belangen niet in acht heeft genomen en hij daar ontevreden over is, geldt dat dit niet aan verweerder valt toe te rekenen. Gelet op het voorgaande wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.5 Klager verwijt verweerder dat hij niet integer heeft gehandeld omdat verweerder hem onder druk heeft gezet bij de aanvraag van bewind, door te blijven optreden als gemachtigde van klager na zijn ontslag en door klager passende juridische bijstand te onthouden.
5.6 De raad is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder klager onder druk heeft gezet bij de aanvraag van het bewind. Verweerder heeft dit betwist en er bevinden zich in het dossier geen stukken die dit verwijt ondersteunen. Ook de stelling dat verweerder klager passende bijstand zou hebben onthouden is onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van het verwijt dat verweerder is blijven optreden na het ontslag, stelt de raad vast dat klager hier doelt op een e-mail van zijn zus. Op dat moment stond klager al onder beschermingsbewind en de kantonrechter heeft het verzoek van klager om het bewind te beëindigen afgewezen. De beschermingsbewindvoerder was daarom degene die opdracht kon geven aan een advocaat en deze opdracht kon intrekken. De zus van de klager kon verweerder niet ontslaan. Dit betekent dat verweerder niet onterecht voor klager is blijven optreden. Dit raad zal dit klachtonderdeel op grond van het voorgaande ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel c)
5.7 De raad begrijpt uit de toelichting van de klacht en het verhandelde op de zitting dat klager verweerder verwijt dat hij hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de procedure, de inhoud van het dossier en de kosten van de bijstand door verweerder.
5.8 Gedragsregel 16 lid 1 bepaalt dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Gedragsregel 17 lid 2 bepaalt dat een advocaat er zorg voor draagt dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten, en de wijze van declareren. Gelet op deze gedragsregels mag van een advocaat worden verwacht dat hij ter voorkoming van een misverstand, onzekerheid of geschil zijn advies ten aanzien van de te volgen strategie, de proceskansen en kostenrisico’s schriftelijk vastlegt.
5.9 Naar het oordeel van de raad blijkt uit het klachtdossier niet dat verweerder (voldoende) met klager over deze punten heeft overlegd, hem hierover heeft geïnformeerd en dit vervolgens schriftelijk heeft vastgelegd. Stukken waaruit zou blijken dat verweerder wel aan deze verplichting heeft voldaan, bevinden zich niet in het klachtdossier. De omstandigheid dat klager onder beschermingsbewind stond, maakt dat op dit punt niet anders. Klager was de cliënt van verweerder en de materiele procespartij. Verweerder was gehouden om met klager te overleggen en hem overeenkomstig de gedragsregels van alle relevante informatie te voorzien.
5.10 Ook heeft verweerder niet het gehele dossier aan klager ter beschikking gesteld, ook niet na verschillende verzoeken daartoe van klager, terwijl een cliënt in beginsel een onvoorwaardelijk recht heeft op inzage van zijn dossier. Verweerder heeft hierover aangevoerd hij dat niet heeft gedaan vanwege - kort gezegd - bedreigingen die klager zou hebben gepleegd. De raad volgt verweerder hierin niet. Uit het dossier volgen geen stukken die deze stelling van verweerder bevestigen. Ook zijn er geen stukken waaruit blijkt dat het op grond van de instructies van de bewindrechter zou zijn om het dossier niet aan klager ter beschikking te stellen.
5.11 Ten slotte blijkt niet dat verweerder klager voldoende (schriftelijk) heeft geïnformeerd over het honorarium, de doorbelasting van kosten, en de wijze van declareren. Verweerder was daartoe wel verplicht, zeker nadat klager om een specificatie had verzocht nadat er bedragen van zijn rekening waren afgeschreven die hij niet kon thuisbrengen. Ook hiervoor geldt dat de door verweerder aangevoerde omstandigheid dat hierover overleg is geweest met de bewindvoerder, niet maakt dat hij klager niet op een correcte manier hoeft te informeren.
5.12 Het voorgaande betekent dat dit klachtonderdeel gegrond wordt verklaard.
5.13 De raad is van oordeel dat de overige door klager bij dit klachtonderdeel gemaakte verwijten onvoldoende zijn onderbouwd en daarom niet vast zijn komen te staan.
6 MAATREGEL
De raad heeft geoordeeld dat verweerder zijn cliënt onvoldoende (schriftelijk) heeft geïnformeerd over onder andere de te volgen strategie, de proceskansen en de kosten. Hij heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Gelet op de ernst van dit handelen en nalaten en rekening houdend met de omstandigheid dat verweerder onvoldoende inzicht in het verwijtbare van zijn handelen lijkt te hebben, is de raad van oordeel dat de oplegging van een berisping passend en geboden is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
€ 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager, € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en € 500,- kosten van de Staat.7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel c) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen a) en b) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. M. Lont en G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
verzonden op: 5 oktober 2026
