Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

05-10-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:116

Zaaknummer

26-211/DB/LI

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een huurrechtelijk geschil. Verweerder heeft de inhoud van vertrouwelijke schikkingsonderhandelingen gedeeld met de rechter, terwijl hij daarvoor geen toestemming had. Ook heeft verweerder zich onnodig kwetsend uitgelaten over verweerster en woonwagenbewoners. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 5 oktober 2026 in de zaak 26-211/DB/LI naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster gemachtigde: [naam gemachtigde]

over:

verweerder

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 20 juni 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 17 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-060 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Daarbij waren klaagster, haar gemachtigde en verweerder aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1-1 tot en met 9. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 31 maart 2026.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster staat ingeschreven bij een woningcorporatie. Zij heeft meegedongen naar een standplaats voor een woonwagen. Er is een selectieprocedure gevoerd op basis van onder meer bestaande familieverbanden met de omwonenden. Klaagster is op de eerste plek van de ranglijst geëindigd. De woningcorporatie heeft echter besloten om geen huurovereenkomst aan klaagster aan te bieden, vanwege negatieve ervaringen met klaagster rondom een ontruiming in 2012. De standplaats is vervolgens toegewezen aan de persoon die als tweede is geëindigd op de ranglijst. Achteraf is gebleken dat de familieverbanden van deze nummer twee onvoldoende zijn gecontroleerd. De woningcorporatie heeft erkend een fout te hebben gemaakt door de standplaats aan nummer twee toe te wijzen.

2.3    Op 24 januari 2025 heeft klaagster een dagvaarding uit laten brengen tegen de woningcorporatie. Daarin vordert klaagster onder meer een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst met de nummer twee niet in stand kan blijven en dat er onrechtmatig jegens haar is gehandeld, eist zij de toewijzing van een vergelijkbare standplaats met woonwagen en een immateriële schadevergoeding.

2.4    Op 14 maart 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden bij de woningcorporatie. Hieraan hebben klaagster, haar advocaat, verweerder en een medewerker van de woningcorporatie meegedaan. Aan het begin van de bespreking is afgesproken dat het gesprek vertrouwelijk was en dat daarover geen mededelingen aan de rechter mogen worden gedaan. Klaagster heeft een geluidsopname van de bespreking gemaakt, zonder medeweten van de andere gespreksdeelnemers.

2.5    Op 11 april 2025 is opnieuw gecorrespondeerd over een mogelijke oplossing. De advocaat van klaagster heeft daarbij aangekondigd dat, als er geen minnelijke regeling kwam, klaagster zou overwegen om naar de pers te stappen. Op 14 april 2025 heeft de woningcorporatie een aanbod van € 2.500,- gedaan, met als voorwaarde geheimhouding. Klaagster heeft dit aanbod afgeslagen en is vervolgens naar de regionale omroep gestapt. Op 17 april 2025 heeft de regionale omroep een artikel gepubliceerd over de kwestie, waarin wordt geciteerd uit de geluidsopname van 14 maart 2025.

2.6    Op 7 mei 2025 heeft verweerder namens de woningcorporatie een conclusie van antwoord in de hiervoor genoemde procedure ingediend. In de conclusie van antwoord is verweerder uitvoerig ingegaan op de redenen waarom de woningcorporatie niet opnieuw aan klaagster wenste te verhuren. Zo is toegelicht dat klaagster en haar (inmiddels ex-)echtgenoot in de periode van 2007 tot en met 2011 ernstige overlast zou hebben veroorzaakt voor omwonenden en dat er vele meldingen bij de politie waren gedaan over vernieling, mishandeling, bedreiging, brandstichting en bezit en gebruik van verboden wapens. Klaagster zou haar ex-echtgenoot niet de toegang tot de woning hebben ontzegd en kon volgens de woningcorporatie daarom verantwoordelijk worden gehouden voor de door de ex-echtgenoot veroorzaakte overlast. Klaagster is vervolgens door de kantonrechter veroordeeld tot ontruiming van de woning, hetgeen zij heeft geweigerd. De woningcorporatie heeft vervolgens kosten moeten maken voor het inschakelen van een deurwaarder, de politie en een slotenmaker. Ook heeft klaagster nadien lange tijd niet de toenmalige huurachterstand en vergoeding voor herstelwerkzaamheden voldaan. Ook is verweerder ingegaan op de geluidsopname die klaagster op 14 maart 2025 van de bespreking heeft gemaakt, ondanks de afspraken over de vertrouwelijkheid daarvan, en de correspondentie van 11 april 2025. Verweerder heeft de eis van klaagster tot betaling van een grote som geld onder dreiging van het zoeken van de publiciteit, aangemerkt als een poging tot afdreiging. Het stappen naar de pers, waarbij klaagster onwaarheden zou hebben verteld, heeft verweerster aangemerkt als smaad en laster. Met het voorgaande, zou klaagster een onrechtmatige daad hebben gepleegd jegens de woningcorporatie. Ook heeft hij klaagster een ‘onbetrouwbare sujet’ genoemd en heeft hij de geluidsopname ‘achterbaks’ genoemd. Het betreffende nieuwsartikel is door verweerder ingebracht als productie. Daarbij heeft hij ook opgemerkt vanwege de vertrouwelijkheid van schikkingsonderhandelingen de e-mail van 11 april 2025 niet in te kunnen brengen. Verweerder heeft in de conclusie van antwoord verder toegelicht dat de woningcorporatie van klaagsters broer een e-mail heeft ontvangen na de media-aandacht, waarin de broer heeft verzocht om de standplaats niet aan klaagster toe te wijzen omdat zij volgens hem met ook met andere verhuurders grote problemen zou hebben gehad, een wietplantage zou hebben gehad en andere buurten zou hebben geterroriseerd. De broer heeft daarop aangekondigd met zijn bus de woonwagen in te rijden als klaagster deze toegewezen zou krijgen, zodat de burgemeester de woonwagen zou moeten sluiten wegens ernstige verstoring van de openbare orde. Tot slot heeft verweerder, voor zover van belang, toegelicht dat klaagster ruim dertig jaar niet meer in een woonwagen heeft gewoond en dat er voor haar geen dringende noodzaak is om in een woonwagen te wonen, aangezien zij ook op vele sociale huurwoningen heeft gereageerd die geen woonwagen waren. Ook zou klaagster in 2024 een aanbod voor een standplaats met woonwagen hebben afgewezen, omdat zij tijdens de bezichtiging door enkele omwonenden zou zijn uitgescholden. Verweerder heeft daarbij opgemerkt: “Dit is echter in “woonwagen-land” geen zeer uitzonderlijke gebeurtenis en zal zich ook op andere locaties kunnen voordoen.”

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 27, door de rechtbank te informeren over de inhoud van vertrouwelijke schikkingsonderhandelingen;

b)    Verweerder heeft zich onnodig kwetsend en diskwalificerend uitgelaten over klaagster;

c)    Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door niet geverifieerde en eenzijdige informatie afkomstig van een derde, een broer van klaagster, te gebruiken tegen klaagster;

d)    Verweerder heeft de feiten en context van de zaak op een selectieve en misleidende wijze gepresenteerd, waarbij relevante omstandigheden zijn weggelaten en belastende elementen zijn uitvergroot;

e)    Verweerder heeft stigmatiserende en generaliserende uitlatingen gedaan over woonwagenbewoners, terwijl deze erkend zijn als culturele minderheid en bescherming genieten onder (inter)nationale gelijkebehandelingsnormen;

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING  

Toetsingskader 5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a) 5.2    Gedragsregel 27 luidt: Omtrent de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen mag aan de rechter aan wiens oordeel of instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen, niets worden medegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij.

5.3    De raad stelt vast dat verweerder in zijn conclusie van antwoord melding heeft gemaakt van de (inhoud van) de gevoerde schikkingsonderhandelingen. Zo heeft hij het nieuwsartikel van 17 april 2025 als productie ingebracht, waarin vermeld staat het zijn cliënte € 2.500,- had aangeboden en dat dit door klaagster was afgewezen. Daarmee heeft verweerder de inhoud van de schikkingsonderhandelingen kenbaar gemaakt, zonder dat hiervoor toestemming was van de wederpartij. Dat klaagster zelf de media had benaderd, levert geen dergelijke toestemming op. Evenmin heeft klaagster daarmee zelf de schikkingsonderhandelingen reeds geopenbaard aan de rechter. Zij had het nieuwsartikel, met daarin de inhoud van die schikkingsonderhandelingen, immers niet ingebracht in de procedure; verweerder heeft dat wel gedaan. Ook heeft verweerder in zijn conclusie van antwoord er melding van gemaakt dat klaagster, gedurende de periode dat schikkingsonderhandelingen werden gevoerd in maart en april 2025, een ‘grote som geld’ eiste. Dat klaagster dat als ‘eis’ en niet als ‘voorstel’ heeft gepresenteerd, zoals verweerder heeft betoogd, doet er niet aan af dat dit een standpunt was dat is gewisseld in het kader van schikkingsonderhandelingen. Klachtonderdeel a) is gegrond.

Klachtonderdelen b) en e)

5.4    Ook advocaten hebben het recht van vrije meningsuiting, zoals dat recht is verankerd in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die vrijheid van meningsuiting wordt begrensd door, voor zover hier van belang, beperkingen waarin bij wet is voorzien en die strekken tot de bescherming van de goede naam of rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Bovendien brengt (ook) volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de speciale aard van het beroep van advocaat mee dat, onder omstandigheden, beperkingen worden gesteld aan zijn gedrag. Dat kan meebrengen dat de advocaat onder omstandigheden terughoudend in zijn publieke uitingen dient te zijn en, als hij ze doet, dient hij daarbij discreet, eerlijk en waardig, dus in overeenstemming met de ‘ethics of the legal profession’ (zie EHRM 30 november 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1130JUD001080704, Veraart/Nederland) te zijn. Daarvan afwijkend handelen resulteert in de schending van een beroepsnorm. Voor zover dat een beperking oplevert van de uitingsvrijheid van verweerder, is deze beperking bij de wet voorzien en betreft deze een legitiem doel, te weten het beschermen van de waardigheid en integriteit van de beroepsgroep van advocaten.

5.5    Verweerder heeft het handelen van klaagster bestempeld als afdreiging, smaad en laster. Hij heeft dit gedaan ter onderbouwing van het standpunt dat klaagster een onrechtmatige daad jegens zijn cliënte heeft gepleegd. De raad is van oordeel dat verweerder dit weliswaar in felle bewoordingen heeft gedaan, maar hij heeft dit dienstig mogen achten aan de belangenbehartiging aan zijn cliënte. Met het aanhalen van de strafrechtelijke bepalingen, heeft verweerder een juridisch betoog willen houden waarom van zijn cliënte niet verlangd kan worden om een huurovereenkomst aan te gaan met klaagster.

5.6    De raad is echter van oordeel dat verweerder de grenzen van het toelaatbare wel heeft overschreden waar hij klaagster een ‘onbetrouwbaar sujet’ heeft genoemd en spreekt over een ‘achterbakse geluidsopname’. Verweerder heeft toegelicht dat hij op basis van de jurisprudentie meende een stevig betoog neer te moeten zetten om de kantonrechter te overtuigen waarom van zijn cliënte niet gevergd kon worden om een huurrelatie met klaagster aan te gaan. Ook bij het voeren van een stevig betoog dient verweerder echter te voorkomen dat de wederpartij daarmee zonder redelijk doel wordt beledigd. De raad acht de door verweerder gebruikte bewoordingen daarvoor te hard, terwijl dezelfde (stevige) boodschap ook overgebracht had kunnen worden met minder felle bewoordingen. Door klaagster op deze wijze te beschimpen, heeft verweerder niet overeenkomstig de van hem vereiste waardigheid gehandeld en heeft hij haar belangen op onnodige en ontoelaatbare wijze geschaad. Klachtonderdeel b) is gegrond.

5.7    Ook heeft verweerder onbetamelijk gehandeld door woonwagenbewoners weg te zetten als een groep waarbinnen het normaal is dat zij elkaar uitschelden. Verweerder heeft zich daarmee denigrerend uitgelaten over woonwagenbewoners. Verweerders betoog dat klaagster geen eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft bij dit klachtonderdeel omdat zij langdurig niet meer in een woonwagen woont, slaagt niet. Klaagster behoort of voelt zich in ieder geval zeer nauw verbonden met de woonwagencultuur, waardoor zij zich ook beledigd heeft gevoeld door verweerder. De enkele omstandigheid dat zij voor langere tijd in een reguliere woning woont, is onvoldoende haar niet als zodanig aan te merken (vergelijk CRM 7 augustus 2024, oordeelnummer 2024-68, onder 5.8 tot en met 5.10). De raad acht klaagsters belang voldoende aanwezig bij dit klachtonderdeel. Klachtonderdeel e) is gegrond.

Klachtonderdeel c)

5.8    Het stond verweerder vrij om de informatie te gebruiken die zijn cliënte van klaagsters broer kreeg. Verweerder was niet gehouden om die informatie eerst te verifiëren bij klaagster. Als klaagster het niet eens was met de verklaring van haar broer, dan kon zij dat in de procedure bij de kantonrechter naar voren brengen. Klachtonderdeel c) is ongegrond.

Klachtonderdeel d)

5.9    Klaagster heeft toegelicht dat verweerder ten onrechte de kwestie uit 2012 heeft herhaald in zijn conclusie van antwoord, zonder daarin te benoemen dat de problemen grotendeels werden veroorzaakt door de inmiddels overleden ex-partner van klaagster. Verweerder heeft daarmee bewust niet het hele verhaal verteld, terwijl hij daarvan op de hoogte was omdat klaagster dit omstandigheid in haar eigen dagvaarding heeft opgenomen. Volgens klaagster heeft verweerder de rechter hierdoor bewust misleid. 

5.10    De raad volgt klaagster niet in dit klachtonderdeel. Verweerder heeft zich namens zijn cliënte op het standpunt mogen stellen dat klaagster juridisch verantwoordelijk kon worden gehouden voor het niet voorkomen van de problemen uit 2012, omdat zij haar toenmalige echtgenoot niet de deur uit heeft gezet terwijl zij daar juridisch wel toe in staat was. Dat er relevante informatie is achtergehouden volgt de raad ook niet, al is het maar omdat de rechter daarover is geïnformeerd door klaagster zelf. Klachtonderdeel d) is ongegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de inhoud van vertrouwelijke schikkingsonderhandelingen te openbaren aan de rechter, zonder dat hij daarvoor toestemming heeft gekregen. De raad weegt daarbij wel mee dat verweerder in zijn conclusie van antwoord er blijk van heeft gegeven te weten dat hij dat niet behoort te doen. Zo heeft hij uitdrukkelijk opgemerkt dat hij de e-mailberichten waarin de schikkingsvoorstellen zijn gedaan niet kon inbrengen, juist vanwege gedragsregel 27. De raad gaat ervan uit dat verweerder in het vervolg aandachtiger zal zijn en de inhoud van schikkingsvoorstellen ook niet zal benoemen, zonder dat hij daarvoor toestemming heeft. Daarnaast heeft verweerder zich onnodig grievend uitgelaten over klaagster en woonwagenbewoners. Verweerder dient in het vervolg zorgvuldiger te zijn met zijn woordkeuze. De raad acht de oplegging van een waarschuwing voldoende ervoor te zorgen dat verweerder in het vervolg aandachtiger op voornoemde punten zal letten.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a), b) en e) gegrond;

-    verklaart klachtonderdelen c) en d) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems en M. de Maaré, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.

Griffier    Voorzitter

 

 

Verzonden op: 5 oktober 2026