Rechtspraak
Uitspraakdatum
31-08-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:191
Zaaknummer
26-603/A/NH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Ne bis in idem. Klacht is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als eerdere klacht waarover de raad heeft geoordeeld. De verwijten die klaagster verweerster maakt zijn al in de eerdere beslissing aan de orde gekomen. Klaagster kan daar niet opnieuw over klagen. Klacht is kennelijk niet-ontvankelijk.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 augustus 2026 in de zaak 26-603/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 14 juli 2026 met kenmerk ks/ss/2582941, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 11.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 In augustus 2020 is klaagster door de politierechter te Alkmaar in twee gevoegde strafzaken (parketnummers 15-095601-20 en 15-294419-19) veroordeeld voor het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van twee personen. Tegen dit vonnis heeft klaagster hoger beroep ingesteld. 1.2 In oktober 2022 heeft het gerechtshof Amsterdam klaagster in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. Daarnaast heeft het gerechtshof klaagster een contactverbod opgelegd, waarbij een vervangende hechtenis is bevolen voor de duur van veertien dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Het tegen deze veroordeling ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard. 1.3 Op 17 januari 2023 is klaagster aangehouden omdat zij zich niet zou hebben gehouden aan het contactverbod. 1.4 Op 19 januari 2023 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis voor de duur van veertien dagen gevorderd vanwege het niet naleven van de maatregel van het contactverbod. Klaagster heeft van 19 tot en met 24 januari 2023 in hechtenis gezeten. Op dezelfde datum heeft de rechter-commissaris vervangende hechtenis bevolen voor de duur van zeven dagen. Tegen deze beslissing heeft klaagster zelfstandig hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Verweerster heeft klaagster hierin bijgestaan. 1.5 Op 14 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. In deze klacht verweet klaagster verweerster het volgende: a) verweerster heeft geen werkzaamheden verricht in de strafzaak met parketnummer 15-095601-20; b) verweerster heeft geen schorsing verzocht van het bevel vervangende hechtenis van 19 januari 2023; c) verweerster was niet telefonisch bereikbaar in de periode dat klaagster in hechtenis zat; d) verweerster heeft klaagster opzettelijk onjuist geïnformeerd; e) verweerster is nalatig geweest in het stellen van de juiste en correcte beroepsgronden. 1.6 Op 26 mei 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline Amsterdam de klacht van klaagster (zaaknummer 25-233/A/NH) kennelijk ongegrond verklaard. 1.7 Op 24 juni 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.8 Op 27 oktober 2025 heeft de raad van discipline Amsterdam het verzet ongegrond verklaard. 1.9 Op 17 maart 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerster ingediend.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: a) verweerster is tekortgeschoten in haar informatieplicht, omdat zij heeft geweigerd klaagster te informeren over belangrijke informatie, feiten en afspraken. Het gaat klaagster hierbij om informatie over de mogelijkheid van een andere (straf)route (gedragsaanwijzing gebiedsverbod) met een beslissing invrijheidstelling van de officier van justitie en een beschikking van de rechter-commissaris ter zake van de vordering gevangenneming en over het risico van het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 19 januari 2023; b) verweerster heeft geweigerd het volledige procesdossier in de strafzaak beschikbaar te stellen. 2.2 De voorzitter zal bij de beoordeling, waar nodig, ingaan op de standpunten van klaagster.
3 VERWEER 3.1 Verweerster voert verweer tegen de klacht en doet allereerst een beroep op het ne bis in idem-beginsel. Volgens verweerster is geen sprake van een nieuwe klacht, waardoor deze klacht niet in behandeling dient te worden genomen. 3.2 Subsidiair betwist verweerster dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het schenden van de informatieplicht. Volgens verweerster is er geen sprake van het opzettelijk achterhouden van informatie en heeft klaagster alle stukken in haar bezit. 3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader ontvankelijkheid 4.1 Voordat de voorzitter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht moet de voorzitter, gelet op het verweer maar ook ambtshalve, eerst beoordelen of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. 4.2 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde ‘ne bis in idem-beginsel’, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. 4.3 Verder moeten klachten over het optreden van een advocaat zoveel mogelijk te worden gebundeld om te voorkomen dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures moeten worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde (zie HvD 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111). De klacht is kennelijk niet-ontvankelijk 4.4 De voorzitter stelt vast dat de klacht van klaagster is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als de eerdere klacht die klaagster over verweerster heeft ingediend, te weten de bijstand van verweerster aan klaagster in het hoger beroep tegen het bevel vervangende hechtenis van 19 januari 2023. Uit de voorzittersbeslissing van 26 mei 2025 blijkt dat de verwijten over de informatieplicht van verweerster en het overdragen van het dossier al aan de orde zijn gekomen bij de beoordeling van onderdelen d) en e) van de eerdere klacht. Klaagster kan daar niet opnieuw over klagen. De klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden: 31 augustus 2026
