Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

29-06-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:162

Zaaknummer

26-266/DH/RO

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over het inbrengen van kwetsende getuigenverklaringen door de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. De tuchtrechtelijk vereiste terughoudendheid die een familierechtadvocaat moet betrachten, betekent niet dat een advocaat zich in het geheel dient te onthouden van het innemen van stellingen waarmee de wederpartij wordt beschuldigd en die mogelijk escalerend werken. Een advocaat moet echter wel kritisch zijn naar zijn/haar cliënt, zeker wanneer er kinderen in het spel zijn, waarbij de terughoudendheid in de visie van de raad vooral ziet op het innemen van ongefundeerde escalerende stellingen. Daarvan was hier geen sprake. Verweerders cliënte stelde zich op het standpunt dat het voortzetten van de bestaande zorgregeling een ernstige bedreiging was voor de ontwikkeling van hun minderjarige kind. Deze stelling heeft de cliënte van verweerster onderbouwd met getuigenverklaringen (en daarbij gevoegde bijlagen). Deze stukken mocht verweerster inbrengen in de procedure. Het is immers relevant om de (familie)rechter inzicht te geven in gedragspatronen omdat zorgelijke patronen in het gedrag van de ouder een negatief effect kunnen hebben op een kind en bij de beoordeling door de familie(rechter) staat het belang van het kind voorop. Indien te snel wordt aangenomen dat dergelijke stukken niet mogen worden ingebracht omdat daarmee de situatie escaleert, ondermijnt dat naar het oordeel van de raad de procespositie van de stellende partij. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 juni 2026 in de zaak 26-266/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 14 januari 2026 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 30 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2026/024 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 18 mei 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 20. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 3 april 2026 en van verweerster van 17 april 2026.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager heeft een minderjarige zoon, M. Verweerster is op 4 december 2025 namens de moeder van de zoon een kort geding gestart over de zorgregeling. In de kortgedingdagvaarding heeft verweerster verklaringen ingebracht, waaronder verklaringen van eerdere partners van klager. Voor zover relevant wordt in de kortgedingdagvaarding opgemerkt: “(…) 4.2 De vrouw is in contact gekomen met de voormalige partners van de man, welke mede de zorg voor de minderjarige gedurende de relatie op zich hebben genomen. De ervaring van deze voormalige partners heeft de zorgen van de vrouw enkel doen toenemen. Gelet op de stellige ontkenningen van de man, ziet zij zich genoodzaakt de verklaringen van de voormalige partners te overleggen. Daarbij merkt zij op dat de ervaringen zoals omschreven door deze voormalige partners in de relatie iets is tussen hen, waarvan de vrouw geen onderdeel kan of wil uitmaken. Nu zij zich echter ook uitlaten over de interactie tussen de man en de minderjarige, de zorg van de man voor de minderjarige en de minderjarige kennelijk wel getuige is geweest van de interactie tussen de man en de voormalige partners, hetgeen mogelijk zijn weerslag heeft gehad op de minderjarige en waarop de vrouw vanwege haar onwetendheid niet heeft kunnen anticiperen in het ondersteunen van de minderjarige, acht zij deze verklaringen van belang in deze procedure. Zo blijkt uit de (…) verklaringen (…) dat er kennelijk drugs in de woning aanwezig was, waar de minderjarigen vrij de toegang tot hadden (…) dat verbaal en fysiek agressief gedrag in aanwezigheid van de minderjarige niet werd geschuwd (…).  2.3    Eén van de verklaringen is opgesteld door [naam 1], voormalig partner van klager. Verweerster en [naam 1] hebben in de periode van juli 2019 tot en met september 2020 bij hetzelfde advocatenkantoor gewerkt.  2.4    In haar verklaring heeft [naam 1] onder meer opgeschreven dat klager, zakelijk weergegeven, haar meermaals fysiek heeft mishandeld, is gearresteerd en veroordeeld wegens verboden wapenbezit, ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond, drugs in zijn keukenlade en koelkast had die niet voor kinderen waren afgesloten, haar heeft op- en buitengesloten en haar heeft gedrogeerd. Bij de verklaring zijn WhatsApp-berichten gevoegd. 2.5    Een andere verklaring is opgesteld door [naam 2]. In deze verklaring heeft [naam 2] onder meer opgeschreven dat klager, zakelijk weergegeven, haar heeft gehersenspoeld, met fysiek geweld heeft bedreigd en heeft mishandeld, een vuurwapen in zijn woning had en daarvoor heeft moeten vastzitten, drugs in zijn keukenlade en koelkast had liggen, haar op vakantie aan haar haren de zee in heeft getrokken en herhaaldelijk haar hoofd onder water heeft geduwd omdat zij met een (andere) man aan het praten was en haar anaal heeft verkracht. Bij de verklaring zijn WhatsApp-berichten en foto’s gevoegd.  2.6    Een derde verklaring is opgesteld door [naam 3]. In deze verklaring heeft [naam 3] onder meer opgeschreven dat klager, zakelijk weergegeven, haar fysiek heeft mishandeld, haar spullen kapot heeft gemaakt of heeft meegenomen en haar midden in de nacht alleen heeft achtergelaten in een hotel in een andere stad. Bij de verklaring zijn WhatsApp-berichten gevoegd 2.7    Verweerster is nadien ook een bodemprocedure gestart namens de moeder, waarin de verklaringen opnieuw zijn ingebracht. 2.8    Bij vonnis in kort geding van 29 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter overwogen: “De vrouw heeft zich ter onderbouwing gebaseerd op een drietal verklaringen van expartners van de man. Nog daargelaten dat schriftelijke verklaringen van ex-partners met een zekere mate van terughoudendheid moeten worden gewogen acht de voorzieningenrechter de door de vrouw aangehaalde incidenten op zichzelf alsook in onderling verband en samenhang bezien, onvoldoende om voorshands te concluderen dat de (fysieke danwel mentale) veiligheid van M. door zijn omgangscontacten met de man in gevaar komt.”    

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. a)    Verweerster heeft niet opgetreden als onafhankelijk advocaat, omdat sprake is van belangenverstrengeling; Klager wijst erop dat [naam 1], advocaat, oud-collega en goede bekende is van verweerster. b)    Verweerster heeft verklaringen ingebracht in de procedure die onnodig kwetsend en escalerend zijn, terwijl deze ook niet relevant waren voor de procedure omtrent de zorgregeling. Klager wijst op de overweging van de voorzieningenrechter, zoals geciteerd in overweging 2.8.

4    VERWEER  4.1    Met betrekking tot klachtonderdeel a) heeft verweerster opgemerkt dat haar connectie met [naam 1] geen rol heeft gespeeld bij haar optreden als advocaat. Verweerster heeft in lijn met gedragsregel 22 geen communicatie met haar gehad over de opgestelde getuigenverklaring noch de inhoud daarvan. Ter zitting bij de raad heeft verweerster toegelicht dat [naam 1] een oud kantoorgenoot is. Op moment dat verweerster deze zaak aannam, waren zij al geen kantoorgenoten meer. Zij beschouwt [naam 1] als een kennis. Zij ziet haar ongeveer driemaal per jaar. 4.2    Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft verweerster aangevoerd dat het nodig was de bewuste getuigenverklaringen in te dienen. Zij heeft, alvorens deze in te dienen, een weloverwogen afweging gemaakt over het nut en de noodzaak daarvan. Ter onderbouwing daarvan wijst zij op een gespreksverslag van het intercollegiaal overleg dat zij heeft gevoerd op 24 november 2025 en 1 december 2025, voorafgaand aan het uitbrengen van de kortgedingdagvaarding. Verweerster is tot de conclusie gekomen dat de inhoud van de getuigenverklaringen met bewijsstukken van appjes van belang was voor zowel de kortgedingprocedure als de bodemprocedure.      De getuigenverklaringen onderbouwen de zorgen van haar cliënte. In de getuigenverklaringen wordt immers de gang van zaken in de huiselijk omgeving omschreven en worden zorgelijke situaties omschreven op partnerniveau alsook in de ouder-kindrelatie. Het is belangrijk het patroon in de partnerdynamiek te kunnen onderbouwen. De omschreven dynamiek doet zich immers ook voor op momenten dat de minderjarige aldaar verblijft. Dit is schadelijk voor de minderjarige. Zoals in de dagvaarding expliciet omschreven heeft haar cliënte zich genoodzaakt gezien deze verklaringen te overleggen nu klager de zorgen ontkende. Hoewel verweerster zich ervan bewust is dat de inhoud van de verklaringen als heftig kan worden ervaren, is zij van oordeel dat deze gelet op het hiervoor geschetste nut, niet onnodig grievend is. Er is ook geen sprake van escalerend handelen door verweerster. De situatie was allang geëscaleerd.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij in een familiezaak. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: – het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, – het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, – het verloop van het geschil tot dan toe en – de kans op succes van de procedure. Klachtonderdeel a) 5.3    De raad stelt vast dat verweerster een getuigenverklaring van een oud-kantoorgenoot heeft ingebracht in een procedure van haar cliënte. Dit is op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Wel is het zo dat van een advocaat mag worden verwacht dat deze ervoor waakt dat haar onafhankelijkheid niet in het geding komt. Daarvan kan sprake zijn als de advocaat vriendschappelijke of zakelijke betrekkingen onderhoudt met de bewuste getuige. Dat is naar oordeel van de raad onvoldoende gebleken. Verweerster en [naam 1] waren geen kantoorgenoten meer op het moment van het starten van de procedure tegen klager en verweerster heeft onweersproken gesteld dat zij [naam 1] slechts een paar keer per jaar ziet en haar als kennis beschouwt. Ook heeft zij onweersproken gesteld dat zij niet met [naam 1] over de procedure of de getuigenverklaring heeft gesproken. Haar cliënte heeft over de kwestie buiten verweerster om zelf contact met [naam 1] gehad. De raad is dan ook van oordeel dat verweerster haar onafhankelijkheid niet in het geding is geweest en zal klachtonderdeel a) ongegrond verklaren. Klachtonderdeel b)  5.4    Niet in geschil tussen partijen is dat de passages uit de door verweerster overgelegde getuigenverklaringen kwetsend (kunnen) zijn voor klager. Wel verschillen zij van mening over de vraag of het (integraal) inbrengen van de verklaringen een redelijk doel diende. De raad is van oordeel dat dat het geval is.  5.5    De raad stelt voorop dat de tuchtrechtelijk vereiste terughoudendheid die een familierechtadvocaat moet betrachten, niet betekent dat een advocaat zich in het geheel dient te onthouden van het innemen van stellingen waarmee de wederpartij wordt beschuldigd en die mogelijk escalerend werken. Een advocaat moet echter wel kritisch zijn naar zijn/haar cliënt, zeker wanneer er kinderen in het spel zijn, waarbij de terughoudendheid in de visie van de raad vooral ziet op het innemen van ongefundeerde escalerende stellingen. Daarvan was hier geen sprake. Verweerders cliënte stelde zich op het standpunt dat het voortzetten van de bestaande zorgregeling een ernstige bedreiging was voor de ontwikkeling van hun minderjarige kind. Deze stelling heeft de cliënte van verweerster onderbouwd met getuigenverklaringen (en daarbij gevoegde bijlagen). Deze stukken mocht verweerster inbrengen in de procedure. Het is immers relevant om de (familie)rechter inzicht te geven in gedragspatronen omdat zorgelijke patronen in het gedrag van de ouder een negatief effect kunnen hebben op een kind en bij de beoordeling door de familie(rechter) staat het belang van het kind voorop. Indien te snel wordt aangenomen dat dergelijke stukken niet mogen worden ingebracht omdat daarmee de situatie escaleert, ondermijnt dat naar het oordeel van de raad de procespositie van de stellende partij.  5.6    Klachtonderdeel b) is ongegrond.

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 29 juni 2026