Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-07-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:160
Zaaknummer
25-898/A/A
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing; zeer uitgebreide klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak in alle onderdelen ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 juli 2026 in de zaak 25-898/A/A naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Bij klachtformulieren van 1 t/m 9 van 7 maart, 13 maart, 7 april, 9 april 2024 en bijlagen heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) klachten ingediend over verweerder. 1.2 Op 23 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2328695/ER/MV van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 juni 2026. Daarbij waren klager, vergezeld van een tolk Engels en verweerder met zijn cliënte mevrouw S. Behrad (ex-partner van klager) aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 13 januari en 17 mei 2026 nagezonden stukken, de e-mail van verweerder van 17 mei 2026 en de door verweerder op 18 mei 2026 nagezonden stukken aangezien deze binnen de termijn van veertien dagen voor de zitting door de raad zijn ontvangen.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager en zijn ex-partner (verder de vrouw) zijn op 20 september 2007 in Iran getrouwd. Daarna hebben zij samen in Maleisië en Singapore gewoond totdat zij zich in november 2018 in Nederland hebben gevestigd. Zij hebben samen twee kinderen. 2.3 Klager en de vrouw zijn verwikkeld (geweest) in een echtscheidingsprocedure naar Nederlands en Iraans recht en verschillende hiermee samenhangende procedures van familierechtelijke aard. Verweerder heeft de belangbehartiging van de vrouw van een andere advocaat overgenomen. 2.4 Klager heeft in een kortgedingprocedure bij de rechtbank Amsterdam onder meer afgifte van de bij de vrouw in gebruik zijnde auto gevorderd. Deze vordering is afgewezen. In het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak d.d. 17 januari 2023 is hierover in r.o. 3.3. het volgende overwogen: “Het is in het belang van de kinderen, die ermee worden vervoerd, dat de vrouw een auto ter beschikking heeft. Ook ten behoeve van de rust, de vrouw is bang dat de man de V40 inneemt. De man heeft geen spoedeisend belang bij afgifte van de V40 aan hem, want hij heeft een auto (de V60), en dat er noodzaak is om de auto te verkopen is niet gebleken.” 2.5 Op 4 juli 2023 is verweerder namens de vrouw bij de rechtbank Amsterdam een procedure gestart waarbij hij uitbetaling van de aan haar toegezegde bruidsschat vorderde. 2.6 Bij e-mail van 14 juli 2023 om 00:05 uur heeft klager de vrouw per e-mail bericht dat hij zojuist zijn auto had opgehaald. Bij e-mail van 14 juli 2023 om 15:00 uur (gericht aan het algemene e-mailadres van het kantoor van de advocaat van klager) heeft verweerder het volgende bericht gestuurd: “Van [de ex-partner] begrijp ik dat de man haar auto heeft opgehaald en zich toegeëigend zonder overleg met de vrouw. Dit is in strijd met hetgeen de rechter in kort geding heeft overwogen (zie bijlage). Ik zal een kort geding entameren als de man uiterlijk vandaag om 21:00 uur de auto niet heeft teruggegeven aan de vrouw. Ook ontvang ik in dat geval uw verhinderdata voor de komende 4 weken. Ik zal de rechtbank verzoeken om de man te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten. Ik verneem graag vandaag van u uiterlijk vandaag om 17:00 uur.” 2.7 Enkele dagen later heeft verweerder klager namens zijn cliënte in kort geding gedagvaard en afgifte van de auto gevorderd. 2.8 Bij e-mail van 24 september 2023 heeft verweerder aan de advocaat van klager het volgende bericht: “De vrouw heeft de man verzocht om toestemming te verlenen voor het aanvragen van een NL-paspoort. De man weigert zijn medewerking te verlenen. Kunt u mij informeren wat de reden hiervan is? Verder ontvang ik graag uw verhinderdata indien de man zijn medewerking blijft weigeren zonder deugdelijke motivering. Ik verneem graag uiterlijk dinsdag 12:00 uur.” 2.9 Op 25 september 2023 heeft de advocaat van klager aan verweerder het volgende meegedeeld: “Ik correspondeer met uw collega over de naturalisatie. Cliënt wil graag zorgdragen voor de naturalisatie. Er is nog nooit gediscussieerd of een Nederlands paspoort, dit is pas aan de orde na naturalisatie. U gaat dan ook uit van onjuiste informatie. Uw dreiging met een procedure is dan ook nodeloos.” 2.10 Op 6 december 2023 heeft verweerder klager namens de vrouw in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en daarbij vorderingen ingesteld met betrekking tot de betaling van hypotheeklasten door klager aan zijn cliënte. 2.11 Op 27 december 2023 zou het kort geding plaatsvinden. Die dag heeft verweerder namens de vrouw een wijziging van eis ingediend, naar aanleiding waarvan de kortgedingzitting is verplaatst naar 9 januari 2024. De wijziging van eis betrof een vordering voor het verlenen van vervangende toestemming voor de naturalisatieaanvraag van de minderjarige kinderen van partijen. 2.12 Bij e-mail van 20 februari 2024 heeft verweerder de advocaat van klager, voor zover relevant, bericht: “De vrouw heeft op 8 februari jl. de Iraanse autoriteiten verzocht middels de Iraanse ambassade om nieuwe paspoorten van de kinderen. Het is gebleken dat de man de ambassade heeft geïnformeerd dat hij niet akkoord gaat met de aanvraag van de vrouw in de zin dat de man de paspoorten wenst onder zich te houden. De ambassade heeft hiermee ingestemd. Dit betekent dat de man de verlopen Iraanse paspoorten onder zich heeft, alsmede de nieuwe paspoorten. De vrouw heeft de kosten betaald voor de aanvraag. De man weigert iedere medewerking en beslist zelf wat hij doet en wanneer hij het doet. Als de man niet vrijwillig de Iraanse paspoorten van de kinderen overlegd aan de vrouw, dan is zij genoodzaakt om wederom een kortgedingprocedure te entameren. In dat kader ontvang ik graag uiterlijk aanstaan donderdag om 17:00 uur uw verhinderdata.” 2.13 Op 6 maart 2024 heeft de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen in de procedure waarin verweerder namens de vrouw uitbetaling van de aan haar toegezegde bruidsschat had gevorderd. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. 2.14 Op 6 maart 2024 heeft klager aan verweerder een e-mail gestuurd over adresgegevens van klager die verweerder volgens klager ten onrechte aan een deurwaarder zou hebben verstrekt. 2.15 Op 7 maart 2024 heeft klager hierover eveneens een e-mail aan de rechtbank Amsterdam gestuurd, met verweerder in cc. Verweerder heeft deze e-mail diezelfde dag doorgestuurd aan mr. R, die klager ook als advocaat heeft bijgestaan. In de begeleidende e-mail aan mr. R heeft verweerder het volgende geschreven: “Geachte collega, Zie hieronder. Vriendelijk doch dringend verzoek ik u om deze man te vragen te stoppen met mailen naar mij. Dank.” 2.16 Mr. R heeft in reactie daarop op 7 maart 2024 het volgende aan verweerder bericht: “Geachte confrère, Naar aanleiding van onderstaande e-mail alsook uw e-mail van 6 maart jl. (18:37 uur) bericht ik u als volgt. Zoals u weet, gelden de gedragsregels enkel voor advocaten en niet voor cliënten. Ik stond cliënt niet bij in de kortgedingprocedure waarnaar hij verwijst en sta hem nog steeds niet bij in die kwestie. Ik wil u daarbij verzoeken om mijn cliënt niet te noemen als “deze man”, maar als cliënt. Het is onze taak als familierechtadvocaten om de-escalerend te werk te gaan. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.” 2.17 Verweerder heeft mr. R op 7 maart 2024 het volgende geantwoord: “Het is volstrekt gebruikelijk om personen aan de duiden als de man of de vrouw. U hebt zelf de situatie geëscaleerd door een e-mail te sturen direct naar de rechtbank in strijd met de gedragsregels. Vriendelijk verzoek om mij niet de maat te nemen. Ik doe hetzelfde bij u. Voor uw informatie, ik zal niet reageren op de e-mails van de man. Hij kan zich de moeite besparen. Fijne dag.” 2.18 Op 13 maart 2024 heeft de advocaat van klager een brief aan verweerder gestuurd waarin klager wordt verzocht/gesommeerd om medewerking te verlenen aan het tot stand brengen van de - in Nederland reeds uitgesproken en ingeschreven - echtscheiding naar Iraans recht. Onderdeel daarvan zou zijn dat de vrouw afstand zou moeten doen van haar recht op de bruidsschat. 2.19 Diezelfde dag heeft verweerder op de brief van de advocaat van klager gereageerd. In zijn e-mail verwijst verweerder onder meer naar de uitspraak van 6 maart 2024 op grond waarvan klager uitbetaling van de bruidsschat verschuldigd is aan zijn cliënte. 2.20 Op 15 maart 2024 heeft een deurwaarder in opdracht van verweerder het vonnis van 6 maart 2024 aan klager betekend en hem opgedragen binnen 14 dagen aan de veroordeling tot betaling van de bruidsschat aan de vrouw te voldoen. 2.21 Bij e-mail van 17 maart 2024 heeft de advocaat van klager verweerder meegedeeld, voor zover relevant: “Ik heb geen duidelijk antwoord van u op de vraag of uw cliënte bereid is om onvoorwaardelijk mee te werken aan het tot stand komen van de religieuze echtscheiding. (…) Ik verzoek u voorts om het vonnis van 6 maart 2024 niet ten uitvoer te leggen. Ik zal hoger beroep instellen tegen het vonnis. Ik verzoek u mij zo spoedig mogelijk te berichten of uw cliënte bereid is om in afwachting van hoger beroep af te zien van het ten uitvoer leggen van gewezen vonnis inzake de bruidsgave.” 2.22 Bij e-mail van 17 maart 2024 heeft verweerder de advocaat van klager meegedeeld: “Mijn antwoord is heel duidelijk. 1. de man heeft de vrouw niet nodig om de Iraanse echtscheiding te realiseren; 2. de man wenst blijkbaar te scheiden van de vrouw. Partijen kunnen de echtscheiding inschrijven en realiseren met vermelding dat de bruidsgave volledig nog dient te worden vergoed en dat de man de bruidsgave is verschuldigd; 3. het vonnis zal worden overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder met het verzoek om te executeren.” 2.23 Bij e-mail van 18 maart 2024 heeft de advocaat van klager verweerder geantwoord, voor zover relevant: “(…) Voorts geeft u zonder enige reden aan dat u overgaat tot executie. Kunt u aanvoeren welk belang uw cliënte hierbij heeft? (…) Ik verzoek u om inhoudelijk aan te geven waarom uw cliënte wenst het vonnis van 6 maart jl te laten executeren. Ik ben van mening dat wij advocaten als belangenbehartigers van onze cliënten niet ervoor moeten zorgen dat er steeds meer en meer wordt geprocedeerd. (…)” 2.24 Verweerder heeft hierop bij e-mail van eveneens 18 maart 2024 als volgt gereageerd: “Om te beginnen met uw laatste punt. Wij als advocaten moeten zorgen dat onze cliënten realiteitsbesef hebben. Wat mij opvalt is dat daar niet aan wordt voldaan in dit geval. U weet heel goed, net als ik, dat de man medewerking van de vrouw niet nodig heeft voor een Iraanse echtscheiding. Waarom blijft u dan steeds deze e-mails sturen waarbij aan de inhoud geen touw aan vast valt te knopen? De reden van al deze e-mails is, dat de man in strijd met de huwelijksakte de bruidsgave niet wenst te voldoen. De bruidsgave is op ieder moment opeisbaar en de vrouw heeft het opgeëist en heeft een titel gekregen hiervoor. Uit uw eerste e-mail blijkt dat de man allerlei eisen stelt aan de Iraanse echtscheiding. U kunt uw eigen e-mail teruglezen. (…) U kunt aan uw cliënt vragen wat zijn inkomen is en op welke wijze hij voorziet in zijn luxueuze levensstijl terwijl hij op papier een modaal inkomen heeft. Ik wil u verzoeken om te stoppen om mij te mailen met dezelfde vraag steeds. Deze kwestie is voldoende duidelijk. (…)” 2.25 Op 26 maart 2024 heeft op verzoek van klager een kort geding plaatsgevonden ter zake van de scheiding naar Iraans recht. Verweerder heeft namens de vrouw op 26 maart 2024 een conclusie van antwoord tevens eis in reconventie genomen. Op 9 april 2024 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen. In rechtsoverweging 6.2 van het vonnis is het volgende opgenomen: “6.2. Ten aanzien van de proceskosten wordt overwogen dat de vrouw een veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft gevorderd, en dat haar advocaat ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij niet op basis van een toevoeging procedeert. Na de zitting heeft de advocaat echter een toevoeging overgelegd, die op 19 maart 2024, dus ruim voor de zitting, is aangevraagd, met het verzoek om het griffierecht dat aan de vrouw is berekend te verlagen. [Verweerder] heeft dus ter zitting in strijd met de waarheid verklaard dat zijn cliënte geen toevoeging had, en heeft in strijd met de waarheid de 'werkelijk gemaakte' proceskosten gevorderd. Omdat de vrouw niet de dupe mag worden van het handelen van haar advocaat, worden in dit geval geen consequenties verbonden aan deze handelwijze. Dat kan echter in de toekomst anders zijn. Zoals gebruikelijk zullen, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.”
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder concreet dat hij: a) in de kortgedingprocedure bij de rechtbank Amsterdam namens zijn cliënte op 27 december 2023 een nieuwe vordering heeft ingediend voor het verlenen van vervangende toestemming voor de naturalisatieaanvraag van de minderjarige kinderen van partijen, terwijl dat niet eerder met klager was besproken en zonder het daaraan voorafgaand beproeven van een minnelijke oplossing; b) niet heeft gereageerd op een e-mail van klager van 6 maart 2024, maar deze heeft doorgestuurd naar een advocaat die niet bij de kwestie betrokken was en zich in de begeleidende e-mail aan die advocaat denigrerend en respectloos heeft uitgelaten over klager door naar hem te verwijzen als “deze man”; c) ten aanzien van de bruidsschat zonder gegronde reden een extra procedure is gestart en daarmee de belangen van klager heeft geschaad door hem op extra kosten te jagen; d) een onredelijke termijn heeft gesteld in zijn e-mail van 14 juli 2023, terwijl hij wist, althans kon weten dat de advocaat van klager die dag niet werkte en dus niet kon reageren; e) escalerend heeft opgetreden in zijn e-mail van 24 september 2023 door zich te mengen in een geschil waarin reeds een andere advocaat betrokken was, valse informatie aan te leveren en onnodig met een kort geding procedure te dreigen; f) escalerend heeft opgetreden in zijn e-mail van 20 februari 2024 door op onjuiste gronden met een kortgedingprocedure te dreigen; g) de gerechtvaardigde belangen van klager nodeloos en op ontoelaatbare wijze heeft geschonden door zonder de advocaat van klager van zijn voornemen kennis te geven, het vonnis van 6 maart 2024 ten uitvoer te leggen; h) zich in zijn e-mail van 18 maart 2024 ongepast en beledigend heeft uitgelaten over klager en diens advocaat; i) de rechtbank opzettelijk en herhaaldelijk in strijd met de waarheid heeft geïnformeerd; j) blijkens r.o. 6.2 van het vonnis van 9 april 2024 van de voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam in strijd met de waarheid heeft verklaard dat zijn cliënte niet procedeert op basis van een toevoeging, terwijl reeds op 19 maart 2024 door verweerder een toevoeging was aangevraagd; en k) als productie 4 bij de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 26 maart 2024 een vervalst document bij de rechtbank Amsterdam heeft ingediend. In repliek heeft klager nog vier aanvullende klachten geformuleerd, te weten: l) opzettelijke misleiding van de Orde van Advocaten en liegen tijdens het klachtonderzoek, met name in het deel waarin wordt beweerd dat klager en zijn advocaat verweerder hebben bedreigd met klachten; m) aanmoedigen van zijn cliënte tot indiening van wraakklachten tegen collega’s; n) in strijd met de waarheid informeren van het Hof van Beroep dat verweerder en zijn cliënte, als vloeiend Farsi sprekenden, niet begrijpen waar documenten van een Iraanse rechtbank in het Farsi over gingen; o) verkeerd voorstellen van feiten aan het Hof van Beroep met betrekking tot het vervalste formulier van de Iraanse ambassade en het nalaten om het volledige en waarheidsgetrouwe informatie te verstrekken (artikel 21 Rv). 3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Maatstaf 5.1 Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.3 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: - het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, - het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, - het verloop van het geschil tot dan toe en - de kans op succes van de procedure.
klachtonderdeel a) 5.4 Klager verwijt verweerder in de kern dat hij zijn eis in kort geding heeft gewijzigd (aangevuld) met een onderdeel (te weten vervangende toestemming voor naturalisatie van de kinderen) waarover hij niet eerst met hem, klager, overleg heeft gevoerd om te bezien of daarover afspraken konden worden gemaakt. Dat is naar het oordeel van de raad echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Een advocaat is weliswaar gehouden om terughoudend te zijn met het entameren van procedures en dient zich in te spannen om buiten rechte tot een oplossing te komen, maar er geldt geen absolute verplichting om steeds voorafgaand aan een procedure het overleg met de wederpartij te zoeken. Bovendien betrof het in dit geval een eiswijziging in een reeds aanhangig geding en niet een nieuwe procedure. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Klachtonderdeel b) 5.5 Op 7 maart 2024 heeft klager een e-mail gestuurd aan de rechtbank Amsterdam, met verweerder in cc. Verweerder heeft deze e-mail diezelfde dag doorgestuurd aan mr. R, die klager ook als advocaat heeft bijgestaan. In de begeleidende e-mail aan mr. R heeft verweerder klager aangeduid als “deze man”. In een latere e-mail aan dezelfde advocaat heeft verweerder over klager geschreven: “hij kan zich de moeite besparen”. Hoewel verweerder zich naar het oordeel van de raad – zeker gelet de toch al op scherp staande verhoudingen tussen klager en zijn ex-partner - beter op neutralere wijze over klager had kunnen uitdrukken, heeft hij met zijn uitlatingen aan mr. R. (en niet aan klager zelf) naar het oordeel van de raad niet de grens van het betamelijke overschreden. De klacht is ook in zoverre dus ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.6 De cliënte van verweerder en klager verschillen van mening over de vraag op welk moment de bruidsgave opeisbaar is geworden en of de betaling daarvan in de echtscheidingsprocedure of een afzonderlijke procedure moet worden gevorderd. Het is niet aan de raad zich over het antwoord op deze vraag een inhoudelijk oordeel aan te meten. Vast staat dat verweerder heeft gekozen voor een afzonderlijke procedure en dat de rechtbank de vordering heeft toegewezen. Het aanhangig maken van deze procedure is naar het oordeel van de raad niet klachtwaardig. Temeer niet omdat vaststaat dat verweerder de bruidsgave niet vrijwillig wilde betalen. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Klachtonderdeel d) 5.7 Bij mondeling vonnis van 17 januari 2023 heeft de rechtbank de vordering van klager tot afgifte van de auto aan hem afgewezen. Op 14 juli 2023 heeft klager zijn ex-partner per e-mail bericht dat hij de auto had opgehaald. Diezelfde dag om 15:00 uur heeft verweerder een e-mail naar het algemene e-mailadres van het kantoor van de advocaat van klager gestuurd met verzoek voor 17:00 uur te reageren. Daarbij heeft hij aangekondigd een kort geding te zullen starten wanneer de auto niet vóór 21:00 uur aan de vrouw zou zijn teruggeven. Omdat de auto niet werd geretourneerd heeft verweerder 19 juli 2023 een kort geding aangevraagd. Bij die aanvraag heeft hij de van de advocaat van klager ontvangen verhinderdata vermeld. Daarover is tussen hen dus contact geweest. Naar het oordeel van de raad is deze handelwijze van verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Bovendien zou een kort geding niet aan de orde zijn geweest wanneer klager zich aan de uitspraak van de rechtbank had gehouden. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Klachtonderdeel e) 5.8 Verweerder heeft op 24 september 2023 contact opgenomen met de advocaat van klager met een verzoek om toestemming voor een kwestie rond de paspoorten van de kinderen. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij opdracht had een kort geding te starten wanneer de verzochte toestemming zou uitblijven en heeft hij met het oog daarop meteen verhinderdata opgevraagd. Dat is naar het oordeel van de raad een gebruikelijke gang van zaken en niet klachtwaardig. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Klachtonderdeel f) 5.9 Klager verwijt verweerder escalerend te hebben opgetreden in zijn e-mail van 20 februari 2024 door op onjuiste gronden met een kortgedingprocedure te dreigen Verweer betwist gemotiveerd de door klager aan dit klachtonderdeel ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft klager, op wiens weg het ligt zijn klacht voldoende te onderbouwen - onvoldoende gesteld en/of aannemelijk gemaakt. De juistheid van zijn stellingen blijkt ook niet uit de zich in het dossier bevindende stukken. Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Klachtonderdeel g) 5.10 Uit de stellingen van partijen en de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat klager niet voornemens was vrijwillig aan het vonnis te voldoen waarbij hij was veroordeeld tot betaling van EUR 250.000,- aan de cliënte van verweerder. Gelet daarop heeft verweerder de deurwaarder opdracht gegeven het vonnis aan klager te betekenen. De raad volgt verweerder in zijn stelling dat daarmee nog geen opdracht is gegeven tot executie van het vonnis en dat hij als opdrachtgever pas enkele dagen na de betekening daarvan door de deurwaarder op de hoogte is gesteld. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Klachtonderdeel h) 5.11 Klager stelt dat verweerder zich in zijn e-mail van 18 maart 2024 ongepast en beledigend heeft uitgelaten over klager en diens advocaat. De raad volgt hem daarin niet. Voorstelbaar is dat klager zich aan de woordkeuze van verweerder heeft gestoord maar nog afgezien van het feit dat de opmerkingen van verweerder niet rechtstreeks aan klager zijn gericht maar aan zijn advocaat, zijn deze naar het oordeel van de raad (zeker in de context waarin zij zijn gemaakt) niet onnodig grievend. Ook dit klachtonderdeel is dus ongegrond.
Klachtonderdeel i)
5.12 Ten aanzien van dit klachtonderdeel, waarbij klager verweerder verwijt de rechtbank opzettelijk en herhaaldelijk in strijd met de waarheid te hebben geïnformeerd, overweegt de raad dat van schending van gedragsregel 8 pas sprake is wanneer vast komt te staan dat verweerder bewust onjuiste informatie naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft dat betwist en de zich in het dossier bevindende stukken bieden hier ook geen aanknopingspunt voor. Het innemen van een standpunt namens een client kan daarmee ook niet gelijk worden gesteld. De klacht is ook in zoverre ongegrond.
Klachtonderdeel j)
5.13 Uit rechtsoverweging 6.2 van het vonnis van 9 april 2024 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam blijkt dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat zijn cliënte niet procedeerde op basis van een toevoeging. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat door verweer reeds op 19 maart 2024 een toevoeging voor zijn cliënte was aangevraagd. Die was op het moment van de zitting echter nog niet toegewezen. Verweerder heeft naar het oordeel van de raad dan ook niet in strijd met de waarheid verklaard en (dus) niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dat neemt niet weg dat verweerder er beter aan had gedaan ter zitting mede te delen dat de toevoeging wel reeds was aangevraagd. Dat heeft verweerder ter zitting ook met zoveel woorden erkend. Vast staat wel dat verweerder de toevoeging voordat uitspraak is gedaan naar de rechtbank heeft gezonden en de rechtbank daarmee bij de proceskostenveroordeling dus rekening heeft gehouden. Het handelen van verweerder ter zitting verdient weliswaar niet de schoonheidsprijs maar tot gegrondheid van dit klachtonderdeel leidt het echter niet.
Klachtonderdeel k)
5.14 Klager stelt dat verweerder een vervalst document bij de rechtbank Amsterdam heeft ingediend. Verweerder betwist dit gemotiveerd. Volgens hem gaat het om een vertaling van een formulier van de Iraanse ambassade, afkomstig uit een eerdere procedure van derden, en mocht hij van de juistheid daarvan uitgaan. Op basis van de ingenomen stellingen en de zich in het dossier bevindende stukken kan de raad niet vaststellen dat het verwijt van klager terecht is. Niet uit te sluiten valt dat het door verweerder gebruikte formulier verouderd was en inmiddels is gewijzigd, maar het in het geding brengen van een verouderd formulier kan niet worden aangemerkt als vervalsen en evenmin als het opzettelijk onjuist informeren van de rechtbank. Ook in zoverre is de klacht ongegrond.
Klachtonderdelen l) tot en met o)
5.15 Bij repliek heeft klager zijn klacht uitgebreid met vier onderdelen. Verweerder heeft deze bij dupliek uitvoerig gemotiveerd betwist. Nu de juistheid van de door klager aan verweerder gemaakte verwijten niet blijkt uit de zich in het dossier bevindende, verklaart de raad gelet op deze gemotiveerde betwisting door verweerder de klacht ook op deze onderdelen ongegrond.
Concluderend
5.16 Gelet op het voren overwogene zal de raad de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. D. Horeman en J.C. Ellerman, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
Griffier Voorzitter
verzonden op: 20 juli 2026
