Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-07-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:160

Zaaknummer

25-862/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Deels gegronde klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een echtscheidingszaak met internationale aspecten. Verweerster is tekortgeschoten in haar bijstand aan klaagster, zowel op het gebied van communicatie als wat betreft de kwaliteit van haar bijstand. Zo heeft verweerster geen voorlopige alimentatie gevraagd en de mogelijkheid daartoe ook niet met klaagster besproken, terwijl klaagster het financieel moeilijk had en daar wel om heeft gevraagd. Ook heeft verweerster klaagster niet goed geïnformeerd over de beschikking van het gerechtshof en over het eventuele behoud van alimentatie bij een verhuizing naar het buitenland. Verweersters bijstand is daardoor op meerdere momenten onvoldoende geweest. Schending kernwaarde deskundigheid. Tuchtrechtelijk verleden. Voorwaardelijke schorsing van twee weken.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 juli 2026 in de zaak 25-862/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerster  gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 8 november 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 15 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K229 2024 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 juni 2026. Daarbij waren verweerster en haar gemachtigde aanwezig. Klaagster heeft via videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail (met bijlagen) van klaagster van 27 januari 2026 en de e-mail (met bijlagen) van de gemachtigde van verweerster van 28 januari 2026. 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster is verwikkeld (geweest) in een echtscheidingsprocedure. Klaagster en haar ex-man (hierna: de man) hebben beiden de Algerijnse nationaliteit en zijn in 2018 in Algerije getrouwd.  2.3    Op 4 mei 2022 heeft de man in Algerije een verzoek tot echtscheiding ingediend.  2.4    In mei 2022 heeft klaagster zich tot verweerster gewend voor bijstand. Bij brief van 10 mei 2022 heeft verweerster de opdracht aan klaagster bevestigd, te weten het zo spoedig mogelijk starten van een echtscheidingsprocedure.  2.5    Op 11 mei 2022 heeft verweerster een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank. In het verzoek is verzocht de echtscheiding uit te spreken, te bepalen dat klaagster bij uitsluiting gerechtigd is tot verblijf in de echtelijke woning en dat de man wordt veroordeeld tot betaling van € 3.500,- per maand aan partneralimentatie aan klaagster.  2.6    Bij brief van 9 augustus 2022 heeft de griffier van de rechtbank aan verweerster geschreven dat is geconstateerd dat het huwelijk van partijen niet is ingeschreven in de BRP, met het verzoek aan verweerster zich uit te laten over de vraag of het huwelijk van partijen vatbaar is voor erkenning in Nederland. Ook is in de brief opgemerkt dat de rechtbank uit de huwelijksakte niet kan herleiden dat de voogd van klaagster aanwezig was bij de huwelijksvoltrekking.  2.7    Op 11 augustus 2022 heeft de secretaresse van verweerster (hierna ook: de secretaresse) klaagster geïnformeerd over de brief en geschreven dat zij contact zal leggen met verweerster voor het maken van een telefonische afspraak om de reactie te bespreken. Op 15 augustus 2022 heeft de secretaresse klaagster weer gemaild, nadat de secretaresse contact heeft gehad met verweerster. De secretaresse heeft klaagster gevraagd contact te leggen met haar advocaat in Algerije om bevestigd te krijgen dat haar huwelijk in Algerije wordt erkend.  2.8    Op 15 augustus 2022 heeft klaagster gereageerd en aangegeven dat het belachelijk is, dat de aanwezigheid van de voogd geen vereiste is en dat het huwelijk wel geldig is. Klaagster heeft aangegeven dat zij met verweerster moet spreken. Diezelfde dag heeft klaagster aan verweerster laten weten dat zij een afspraak bij de gemeente heeft gemaakt om het huwelijk te laten registeren.  2.9    Bij brief van 17 augustus 2022 heeft verweerster een reactie aan de rechtbank gestuurd, waarbij zij onder meer een kopie van de huwelijksakte heeft gevoegd. Verweerster schrijft dat naar de mening van de vrouw sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat ook in Nederland wordt erkend, dat klaagster ten tijde van het huwelijk meerderjarig was en dat zij haar schoonvader als voogd heeft gekozen.  2.10    Bij brief van 1 september 2022 heeft verweerster aan de rechtbank laten weten dat klaagster het huwelijk van partijen heeft laten registeren bij de gemeente X in Nederland. Verweerster heeft de rechtbank verzocht met spoed een beschikking af te geven.  2.11    Bij beschikking van 15 september 2022 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen klaagster en de man uitgesproken. De rechtbank heeft bepaald dat klaagster het recht heeft om in de echtelijke woning te blijven tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking en dat de man € 3.500,- per maand aan klaagster diende te betalen als partneralimentatie, met ingang van de dag van de inschrijving van de beschikking. De beschikking is, met uitzondering van de uitgesproken echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.  In de beschikking is vermeld dat door de man geen verweerschrift is ingediend. 2.12    Op 15 december 2022 heeft de man hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. In het hoger beroepschrift aan het gerechtshof is onder meer verzocht voor recht te verklaren dat de ontbinding van het huwelijk tussen partijen bij beschikking van 31 oktober 2022 in Algerije rechtsgeldig is uitgesproken en ingeschreven en dat partijen naar Algerijns recht al op 31 oktober 2022 zijn gescheiden.  2.13    Op 21 december 2022 heeft de advocaat van de man een e-mail gestuurd aan verweerster over het feit dat de man de woonlasten van de gezamenlijke woning draagt en dat hij nu zelf in de woning wil verblijven. De advocaat schrijft dat als klaagster de woning niet verlaat, zij dan ook zelf zorg moeten dragen voor de lasten ervan en dat de man deze niet meer zal voldoen.  2.14    Op 30 december 2022 heeft verweerster aan de advocaat van de man laten weten dat klaagster de woning niet zal verlaten en dat de man de kosten dient te blijven betalen omdat hij mede-eigenaar is en moet voldoen aan zijn betalingsverplichtingen.   2.15    De advocaat van de man heeft diezelfde dag gereageerd en geschreven dat klaagster mede-eigenaar is van de woning en dat zij als mede-eigenaar en als enig genotsgebruiker aan haar eigen betalingsverplichtingen dient te voldoen. De advocaat schrijft dat het niet zo kan zijn dat klaagster gratis in de woning verblijft en dat de man dubbele lasten draagt. Zij kondigt aan dat de man met ingang van 1 januari 2023 de woonlasten niet meer zal voldoen.  2.16    Op 2 februari 2023 heeft klaagster per e-mail aan de secretaresse gevraagd om een lijst met documenten die nodig zijn om voorlopige alimentatie aan te vragen. Klaagster schrijft erbij dat ze de baan niet heeft gekregen en dat ze geen andere optie heeft.  2.17    Op 14 februari 2023 (om 17:32 uur) heeft verweerster het concept verweerschrift aan klaagster gestuurd, met de vraag om diezelfde avond een reactie te geven, zodat het verweer de volgende dag naar het gerechtshof kan worden gestuurd.  2.18    Op 15 februari 2023 heeft klaagster gereageerd en verschillende documenten aan verweerster gestuurd. Diezelfde dag heeft verweerster het verweerschrift ingediend bij het gerechtshof.  2.19    Op 24 oktober 2023 heeft klaagster per e-mail drie documenten over haar alimentatie(berekening) aan verweerster gestuurd. Klaagster heeft daarbij geschreven: “Please let me know if you need any extra documents so I can send them to you the same day. I have no money left and am starting a new education soon that I must pay for.” Het dossier bevat een alimentatieberekening van 11 oktober 2023. De conclusie van die berekening is dat klaagster een behoefte heeft van € 4.916,- en dat de man maximaal € 1.380,- bruto beschikbaar heeft voor partneralimentatie. 2.20    Op 3 november 2023 is de oproep voor de zitting bij het gerechtshof van 30 november 2023 aan verweerster gestuurd. Verweerster heeft klaagster daarover op 6 november 2023 geïnformeerd. 2.21    Op 6 november 2023 heeft klaagster verweerster gevraagd of zij het verzoek voorlopige alimentatie heeft ingediend en of er nog nieuws is. Verweerster heeft diezelfde dag als volgt gereageerd:  “The Court has given me a date for hearing the appeal on November 30th and the alimony that the court awarded you will be reassessed. It is not possible to get a court date before November 30. Moreover, because the court now has to determine whether you are entitled to maintenance based on the rules of private international law that the judge has determined at first instance, and then the question arises as to his ability to pay and your needs. Starting a separate alimony case now makes no sense as the judge will soon hear the alimony case.” Verweerster schrijft daarbij dat ze de kwestie tijdens de afspraak van 13 november 2023 verder zullen bespreken.  2.22    Op 6 november 2023 heeft klaagster aan verweerster laten weten dat dat niet is hoe ze de voorlopige alimentatie heeft begrepen en dat verweerster eens heeft uitgelegd dat er een spoedverzoek kan worden gedaan. Klaagster heeft bevestigd dat ze dit op 13 november 2023 moeten bespreken. 2.23    Het dossier bevat een door verweerster opgesteld (concept) verzoekschrift voorlopige voorziening van november 2023, gericht aan de rechtbank Den Haag. In het verzoekschrift wordt verzocht de man te veroordelen tot betaling van € 3.500,- per maand aan partneralimentatie totdat door het gerechtshof definitief is beslist. Het verzoekschrift is niet ingediend. 2.24    Op 13 november 2023 heeft verweerster aan klaagster laten weten dat ze ziek is, dat de afspraak niet door kan gaan en dat de secretaresse een nieuwe afspraak zal maken.  2.25    Op 17 november 2023 heeft verweerster een alimentatieberekening ingediend bij het gerechtshof.  2.26    Op 23 november 2023 heeft verweerster klaagster geïnformeerd over een bericht van het gerechtshof. Verweerster schrijft dat het gerechtshof stukken over klaagsters financiële situatie wil ontvangen, met het verzoek deze zo snel mogelijk toe te sturen, omdat de stukken uiterlijk 28 november 2023 moeten worden ingediend.  2.27    Op 27 november 2023 heeft klaagster gereageerd en stukken aan verweerster gestuurd.  2.28    Bij brief van 28 november 2023 heeft verweerster gereageerd op (de vragen in) het bericht van het gerechtshof van 23 november 2023. Verweerster heeft verwezen naar een eerder overgelegde draagkracht- en behoefteberekening. 2.29    Op 28 november 2023 heeft de advocaat van de wederpartij ook gereageerd op (de vragen in) het bericht van het gerechtshof van 23 november 2023. Daarbij is een draagkrachtberekening van de man overgelegd.  2.30    Op 28 november 2023 heeft verweerster aan klaagster gevraagd of de persoon die klaagsters draagkrachtberekening heeft gemaakt kan reageren op de draagkrachtberekening van de man.  2.31    Op 30 november 2023 is de zaak mondeling behandeld door het gerechtshof. 2.32    Bij beschikking van 20 maart 2024 heeft het gerechtshof de beschikking van de rechtbank deels vernietigd. Het gerechtshof heeft bepaald dat de uitspraak van de rechter in Algerije, waarbij het huwelijk per 31 oktober 2022 wordt ontbonden, wordt erkend. Verder heeft het gerechtshof onder meer bepaald dat de man maandelijks € 1.662,- alimentatie aan klaagster moet betalen. De ingangsdatum voor het betalen van deze alimentatie is bepaald op de datum van de beschikking. Het gerechtshof heeft de echtelijke woning onder voorwaarden aan de man toebedeeld. In de beschikking heeft het gerechtshof onder meer overwogen: “5.19 Het hof acht het echter redelijk de ingangsdatum voor de eventueel vast te stellen partneralimentatie te bepalen op de datum van de beschikking van het hof, zijnde de datum waarop het hof beslist over de erkenning van de door de rechtbank in Algerije uitgesproken huwelijksontbinding tussen partijen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de man tot aan (in elk geval) de datum van de mondelinge behandeling bij het hof alle lasten van de echtelijke woning van partijen (van welke woning de vrouw sinds januari 2022 het exclusieve gebruik heeft en waarvoor zij ook geen gebruiksvergoeding aan de man heeft betaald) heeft voldaan. Indien er voor de vrouw eerder een financiële noodsituatie was ontstaan, had het op haar weg gelegen een voorlopige voorziening te vragen, hetgeen zij ook voor het eerst in hoger beroep had kunnen doen. Dat heeft de vrouw niet gedaan. Het Hof realiseert zich in dit kader dat inmiddels al ruim een jaar is verstreken sinds de door de rechtbank in Algerije uitgesproken en in Algerije ingeschreven huwelijksontbinding maar houdt dus bij de bepaling van de ingangsdatum er rekening mee dat de vrouw geen gebruiksvergoeding voor de woning betaalt en dat de man alle lasten betaalt (…) 5.47 (...) De redelijkheid en billijkheid brengen naar het oordeel van het hof in dit geval mee dat de vrouw geen gebruiksvergoeding aan de man behoeft te betalen, te meer nu het hof in deze beschikking bepaalt dat de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie de datum van de beschikking van het hof zal zijn. Bij de bepaling van deze ingangsdatum is er door het hof rekening mee gehouden dat de vrouw geen gebruiksvergoeding voor de woning heeft betaald. (…)  5.49. (…) maar feitelijk betaalde de man de woonlasten. De man betaalde geen voorlopige partneralimentatie. De ingangsdatum van de partneralimentatie wordt door het hof bepaald op de datum van de beschikking van het hof. De door de man betaalde woonlasten, met uitzondering van de aflossingen op de hypothecaire geldleningen en premies levensverzekeringen, komen aldus naar het oordeel van het hof tot de datum van de beschikking van het hof in redelijkheid voor rekening van de man. Vanaf de datum van de beschikking van het hof komen deze woonlasten voor rekening van de vrouw, zo lang zij de woning bewoont. (…) Naar het oordeel van het hof is de vrouw dus gehouden om vanaf 10 januari 2022 de helft van de hypotheekaflossingen en de premies van de eventueel aan de hypotheek verbonden levensverzekeringen van de woning tot de datum van levering van de woning aan de man, aan de vrouw of aan een derde, te dragen.” 2.33    Op 21 maart 2024 heeft verweerster de beschikking aan klaagster gestuurd en daarbij onder meer geschreven:  “It is a very good decision for you. In short: The alimony [man] has to pay is now € 1,662 per month. The house on [adres] must be valued. You have to give me within two weeks the names of 3 real estate agents so [man] can choose one. Within 3 weeks parties have to give a command to the chosen real estate agent. The house will go to [man] under conditions, as he must show that he can buy the house and pay half of the surplus value to you. If he cannot do this you have the opportunity to buy the house and you have to pay him half of the surplus value. If both parties cannot buy the house then the house must be sold to a third party.  As long as you are living in the house you must pay the costs of the house.  If you want to discuss the content of the decision with me you can make an appointment for a telephone call.  I await your reaction for the names of the real estate agents.” 2.34    Op 3 april 2024 heeft verweerster mr. S benaderd voor cassatieadvies.  2.35    Op 3 mei 2024 heeft klaagster per e-mail twee vragen aan verweerster gesteld. Op 15 mei 2024 heeft klaagster een herinnering gestuurd en om reactie gevraagd. 2.36    Op 24 mei 2024 heeft verweerster aan klaagster bevestigd dat zij de factuur van mr. S van € 333,- nu zal voldoen en dat klaagster later een factuur krijgt om het bedrag aan verweerster te betalen. Op 10 december 2024 heeft verweerster het bedrag van € 333,- aan klaagster gefactureerd.  2.37    Op 29 mei 2024 heeft klaagster gevraagd of verweerster tijd kan maken om te reageren op klaagsters alimentatievraag. Klaagster schrijft dat het van belang is voor haar beslissing om in september Nederland te verblijven of via een andere route toch te blijven.  2.38    Diezelfde dag heeft verweerster gereageerd op de op 3 mei 2024 door klaagster gestelde vragen en geschreven: “This is your question: 1- can you confirm from my decision of court that: my alimony is not bound to my location? I will be leaving the Netherlands late August and want to hear from you a confirmation that I will continue to receive my alimony up to 29 months (…) my answer is: The alimony stops if the partner receiving the alimony: has enough income to live on again, marries someone else, enters into a registered partnership of starts living together; dies. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/scheiden/vraag-en-antwoord/hoe-lang-partneralimentatie-betalen so according to the information of the government you can keep you alimony even if you leave Nederland.  Than your next question: 2- that you successfully actually sent the email with the makelaars to the court whitin time-frame because my ex contacted me saying you did not I did not because you should first make a decision about the procedure bij Hoge Raad. So first you should let me know what you decided, and if he can reach you and you decide to accept the decision then is better to send an email to him and give the names to him directly. De reason is that if the case is finished then our case is also finished. He send the emails himself and not with lawyer because the case is actually closed unless you do not agree with the decision. So first make a decision about the procedure bij Hoge Raad and let me know.” 2.39    Op 31 mei 2024 heeft de (nieuwe) advocaat van de man een brief aan verweerster gestuurd, waarin wordt gesteld dat klaagster zich niet houdt aan de in de beschikking opgelegde verplichtingen. De advocaat verzoekt klaagster een drietal makelaars voor te dragen. Als klaagster dat niet tijdig doet zal door de man een kort geding worden gestart.  2.40    Op 3 juni 2024 heeft verweerster de namen van drie makelaars doorgegeven aan de advocaat van de man. Zij heeft daarbij ook geschreven dat klaagster geen alimentatie heeft ontvangen over de periode 20-31 maart 2024 en mei en juni, met het verzoek aan de man om per omgaande te betalen.  2.41    Op 3 juni 2024 heeft mr. S een negatief cassatieadvies uitgebracht aan klaagster. 2.42    Op 5 juni 2024 heeft de advocaat van de man verweerster gevraagd drie taxateurs door te geven, omdat de op 3 juni 2024 doorgegeven makelaars niet (allemaal) als taxateur mogen optreden. Op 10 juni 2024 heeft de advocaat van de man aan verweerster geschreven dat klaagster andermaal weigert haar medewerking te verlenen aan de nakoming van de beschikking en dat bij het uitblijven van reactie een kort geding zal worden gestart.  2.43    Verweerster heeft diezelfde dag gereageerd, excuses gemaakt voor de vertraging en uitgelegd dat het aan verweerster lag dat het nog niet was doorgegeven. 2.44    Op 15 juni 2024 heeft klaagster verweerster gevraagd de originele beslissing van het gerechtshof aan het LBIO te sturen. Bij brief van 17 juni 2024 heeft verweerster het origineel aan het LBIO verzonden. Op 19 juni 2024 heeft klaagster per e-mail gevraagd of verweerster aan het verzoek voldaan heeft.  2.45    Op 30 september 2024 heeft klaagster per e-mail gevraagd of er een update is over de verdeling, waarbij klaagster schrijft dat zij de woning zoals afgesproken op 15 september 2024 heeft verlaten. Op 4 oktober 2024 heeft klaagster gevraagd om reactie. Op 10 oktober 2024 heeft verweerster laten weten dat er geen nieuws is. 2.46    Op 16 oktober 2024 heeft de advocaat van de man een berekening aan verweerster gestuurd van het bedrag dat aan klaagster toekomt na levering van de woning, met het verzoek te bevestigen dat dit akkoord is. Het aan klaagster te betalen bedrag komt uit op € 20.111,34. 2.47    Verweerster heeft het bericht diezelfde dag aan klaagster doorgestuurd en haar gevraagd te reageren op de berekening. Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en aangegeven dat het ingewikkeld is en dat zij wil dat verweerster de berekening bekijkt.  2.48    Op 18 oktober 2024 heeft klaagster aan verweerster bericht dat de berekening van de wederpartij niet klopt op het punt van de rente. Klaagster heeft verweerster gevraagd naar haar interpretatie van de kwestie. Op 23 oktober 2024 heeft klaagster aan verweerster gevraagd of verweerster al tijd heeft gehad om naar de berekeningen te kijken.  2.49    Op 27 oktober 2024 heeft de advocaat van de man nogmaals een berekening aan verweerster gestuurd. In deze e-mail komt het door klaagster te ontvangen bedrag uit op € 28.225,-.  2.50    Op 30 oktober 2024 heeft klaagster verweerster gevraagd om een update in haar zaak en haar verzocht de berekening nauwgezet te controleren. Op 5 november 2024 heeft klaagster laten weten dat ze nog geen reactie heeft ontvangen, terwijl de wederpartij al meer dan drie weken geleden om de berekening heeft verzocht.  2.51    Op 8 november 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 2.52    Op 11 november 2024 heeft verweerster een reactie aan de advocaat van de wederpartij gestuurd, waarin zij laat weten dat aan klaagster een bedrag van € 29.570,93 moet toekomen. 2.53    Op 15 november 2024 heeft klaagster via WhatsApp aan verweerster haar ongenoegen geuit over de lange reactietijd van verweerster. Verweerster heeft daarop gereageerd met: “i am sorry for that but we have to work many free of charge hours which make it busy and take more time always”  2.54    Op 28 november 2024 heeft de advocaat van de man de door de notaris opgestelde conceptakte aan verweerster gestuurd, met het verzoek om reactie. Verweerster heeft de e-mail op 29 november 2024 aan klaagster gestuurd met de vraag of zij akkoord is.  2.55    Op 1 december 2024 heeft klaagster hierop inhoudelijk gereageerd en daarbij aangegeven dat zij als lopende cliënt verwacht dat verweerster juridisch advies biedt. Verweerster heeft daarop diezelfde dag laten weten dat zij klaagster niet langer kan bijstaan en dat zij klaagster verzoekt een andere advocaat te zoeken.  2.56    Bij brief van 1 mei 2025 heeft het LBIO aan klaagster bericht dat het LBIO tot de conclusie is gekomen dat de partneralimentatieverplichting is geëindigd op 4 oktober 2024 en dat het LBIO om die reden het dossier niet verder in behandeling kan nemen. In de brief staat onder meer: “Dat het Gerechtshof heeft bepaald dat [de man] met ingang van 20 maart 2024 partneralimentatie aan u verschuldigd is, doet niets af aan het feit dat de datum van inschrijving van de echtscheiding leidend is als ingangsdatum voor het berekenen van de duur van de partneralimentatie. (…) Voor de ingangsdatum (…) wordt gekeken naar het moment van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Uw echtscheiding is op 31 oktober 2022 ingeschreven. Gerekend vanaf 31 oktober 2022 betekent dit dat [de man] tot en met 3 oktober 2024 partnerbijdrage aan u verschuldigd was.” 2.57    Bij brief van 4 juli 2025 heeft het LBIO nog aan klaagster bericht dat zij en de man van mening verschillen over de ingangsdatum van de partneralimentatie en dat het aan het LBIO is om hierover een beslissend oordeel te geven. Het LBIO oordeelt dat de vordering onvoldoende vast staat om tot verdere behandeling van het verzoek en eventuele overname van de inning over te gaan. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster dat zij minimale aandacht en zorg aan klaagsters zaak heeft besteed en de zaak niet professioneel heeft behandeld. Verweerster was niet op de hoogte van de details van de zaak, heeft meerdere misstappen begaan en gerechtelijke beslissingen niet goed geïnterpreteerd. Klaagster wijst concreet op het volgende:  a)    Aanvragen echtscheiding: Verweerster heeft gezegd dat klaagster de echtscheiding in Nederland kon aanvragen, ook al was er geen geregistreerd Nederlands huwelijkscertificaat. Later bleek dat wel nodig te zijn en daardoor ontstond vertraging, wat de man de kans gaf om in Algerije een gunstig oordeel te krijgen.  b)    Alimentatie: Verweerster heeft aangegeven dat klaagster met terugwerkende kracht alimentatie zou ontvangen, terwijl dat niet het geval is. Verweerster heeft klaagster gevraagd de alimentatieberekeningen door een andere expert te laten maken. Verweerster heeft niet vroegtijdig alimentatie aangevraagd, ondanks herhaald verzoek van klaagster. Verweerster heeft klaagster onjuist geïnformeerd over de beschikking van het gerechtshof. Verweerster slaagde er niet in de beschikking van het gerechtshof af te dwingen, dat moest klaagster zelf regelen. Verweerster heeft klaagster verkeerd geadviseerd. c)    Communicatie: Klaagsters telefoontjes/e-mails werden genegeerd. Verweersters reacties lieten weken, tot een maand op zich wachten. Verweerster stuurde verkeerde e-mails door en afspraken werden op het laatste moment afgezegd. Zij belde alleen de dag voor een deadline om cruciale vragen te stellen of documenten op te vragen. d)    Indienen stukken: Verweerster heeft bepaalde belangrijke documenten niet ingebracht in de procedure.  e)    Cassatie: Klaagster heeft voor het cassatieadvies aanzienlijk meer moeten betalen dan verwacht. Zij had gevraagd om een licht advies, de advocaat hoefde alleen naar haar juridische intakeformulier te kijken.  f)    Beëindiging bijstand: Verweerster heeft klaagster laten weten dat zij haar niet langer wil bijstaan, terwijl de gemeenschappelijke bezittingen van klaagster en de man nog verdeeld moeten worden. 

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  Klachtonderdeel a) – aanvragen echtscheiding  5.2    Klaagster verwijt verweerster samengevat dat zij niet direct duidelijk heeft gemaakt dat er een geregistreerd Nederlands huwelijkscertificaat nodig was, terwijl dit wel nodig bleek te zijn. De raad overweegt dat de rechtbank er in de brief van 9 augustus 2022 op heeft gewezen dat het huwelijk niet was ingeschreven in de BRP, met het verzoek zich uit te laten over de vraag of het huwelijk vatbaar was voor erkenning in Nederland. Na correspondentie met klaagster heeft verweerster zich richting de rechtbank op het standpunt gesteld dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Tegelijk heeft klaagster er (zelf) voor gekozen het huwelijk in Nederland te laten registeren, waardoor de discussie hierover niet meer relevant was. De raad kan niet zonder meer vaststellen dat het verzoek zonder de registratie van het huwelijk in Nederland zou zijn afgewezen. Hoewel de vragen van de rechtbank wellicht tot enige vertraging hebben geleid, is die vertraging niet meer relevant omdat het moment van indiening van het verzoekschrift van belang is (11 mei 2022). De man was al op 4 mei 2022 (voor indiening van de procedure door verweerster) in Algerije een procedure gestart. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.  Klachtonderdeel b) - alimentatie 5.3    Klaagster verwijt verweerster allereerst dat zij heeft aangegeven dat klaagster met terugwerkende kracht alimentatie zou ontvangen, terwijl dit niet het geval is. De raad kan niet vaststellen dat verweerster dit aan klaagster heeft laten weten. Dat blijkt niet uit het klachtdossier. Dit deel van de klacht is ongegrond. 5.4    Verweerster heeft het maken van alimentatieberekeningen niet zelf gedaan. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het maken van dergelijke berekeningen vereist specialistische kennis en als verweerster zich niet deskundig acht op dat gebied, moet zij het maken van de alimentatieberekening inderdaad uitbesteden. Dit deel van de klacht is ongegrond.  5.5    Klaagster verwijt verweerster verder dat zij niet vroegtijdig alimentatie heeft aangevraagd, ondanks herhaalde verzoeken van klaagster. De raad overweegt dat klaagster in ieder geval op 2 februari 2023 aan verweerster heeft gevraagd wat er nodig was om voorlopige alimentatie aan te vragen. Pas eind oktober en begin november 2023 is het onderwerp van de voorlopige alimentatie weer aan de orde gekomen. Verweerster heeft toen kennelijk nog wel een concept verzoekschrift opgesteld, maar dit niet ingediend, omdat de zitting van het gerechtshof in de echtscheidingsprocedure al in zicht was en ook de alimentatie daarbij besproken zou worden. De raad is van oordeel dat het op verweersters weg lag om de mogelijkheid van voorlopige alimentatie (tijdig) met klaagster te bespreken, zeker na de e-mail van 2 februari 2023. Niet blijkt dat verweerster dat (op enig moment voor november 2023) heeft gedaan, terwijl verweerster er bekend mee was dat klaagster in een financieel moeilijke situatie zat. Het is onduidelijk gebleven waarom verweerster niet voor klaagster een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend bij het gerechtshof. Verweerster heeft daarmee onvoldoende oog gehad voor klaagsters (financiële) belangen. Daarvan kan haar een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klacht is voor dit deel gegrond. 5.6    Klaagster verwijt verweerster verder dat zij haar onjuist heeft geïnformeerd over de beschikking van het gerechtshof. Dit verwijt lijkt met name te zien op verweersters e-mail van 21 maart 2024, waarin verweerster onder meer schreef dat het een heel goede beslissing was voor klaagster. De beslissing was mogelijk beter dan verweerster had verwacht, maar in vergelijking met de beschikking van de rechtbank is klaagster er fors op achteruit gegaan. De rechtbank had haar immers € 3.500,- alimentatie per maand toegekend, door het ontbreken van verweer, terwijl het gerechtshof uitkomt op € 1.662,-. Ook heeft het gerechtshof de woning aan de man toebedeeld, terwijl klaagster de mogelijkheid wilde onderzoeken om de woning over te nemen. Verweersters bericht aan klaagster is te kort door de bocht. Zij had klaagster beter en uitgebreider moeten informeren over de beschikking. De klacht is voor dit deel gegrond.  5.7    Klaagster verwijt verweerster nog dat zij er niet in slaagde de beschikking van het gerechtshof af te dwingen, waardoor klaagster dat zelf moest regelen. De raad kan de juistheid van dit verwijt niet vaststellen. Dat klaagster het LBIO heeft ingeschakeld voor inning van de alimentatie, is daarvoor onvoldoende. Klaagster heeft het verwijt verder niet concreet gemaakt. Dit deel van de klacht is daarom ongegrond.   5.8    Klaagster verwijt verweerster verder dat zij haar onjuist heeft geadviseerd. Dit verwijt ziet op klaagsters vraag van mei 2024 of zij haar alimentatie behoudt op het moment dat zij naar het buitenland vertrekt. Op 29 mei 2024 heeft verweerster de vraag beantwoord, waarbij zij verwijst naar een website van de overheid over hoe lang partneralimentatie betaald moet worden en (kennelijk op basis daarvan) concludeert dat klaagster haar alimentatie kan behouden als ze Nederland verlaat. Dat is geen conclusie die op basis daarvan getrokken kan worden. De conclusie is bovendien onjuist, of op zijn minst onvolledig. Verweerster heeft klaagster hier dan ook verkeerd geadviseerd. Dit deel van de klacht is daarom gegrond. Klachtonderdeel c) - communicatie 5.9    Klaagster maakt verweerster diverse verwijten op het gebied van communicatie. Aanvankelijk lijkt de communicatie tussen klaagster en verweerster voldoende. Dat verandert in de periode na de beschikking van het gerechtshof. Verweerster reageert dan traag richting de advocaat van de man en richting klaagster. Klaagster moet in mei 2024 en in het najaar van 2024 herhaaldelijk herinneringen aan verweerster sturen om een reactie te krijgen. In oktober/november 2024 moet klaagster zelfs tot vier keer toe om een reactie vragen, waarna zij uiteindelijk overgaat tot het indienen van een klacht. De raad is van oordeel dat de communicatie in deze laatste maanden ondermaats is geweest. De klacht wat betreft communicatie is voor dit deel gegrond. 5.10    Dat verweerster telefoontjes heeft genegeerd, kan de raad op grond van het klachtdossier niet goed vaststellen. De raad kan evenmin vaststellen dat verweerster verkeerde e-mails doorstuurde. Verweerster heeft op 14 februari 2023 het concept verweerschrift aan klaagster gestuurd met het verzoek diezelfde avond te reageren, omdat het verweer de volgende dag ingediend moest worden. Dat is vrij laat, maar klaagster heeft de volgende dag gereageerd en het verweerschrift is vervolgens tijdig ingediend. Verweerster heeft verder op 13 november 2023 een afspraak met klaagster afgezegd vanwege ziekte. Dat is niet klachtwaardig. De klacht wat betreft communicatie is voor het overige deel daarom ongegrond.  Klachtonderdeel d) – indienen stukken 5.11    Klaagster verwijt verweerster dat zij niet tijdig stukken heeft ingediend. Klaagster heeft niet concreet gemaakt welke stukken verweerster had moeten indienen en wat de invloed daarvan is geweest op de zaak. De raad kan daarom niet vaststellen dat verweerster hierin tekort is geschoten. Dit klachtonderdeel is ongegrond.  Klachtonderdeel e) - cassatie 5.12    Klaagster verwijt verweerster dat zij aanzienlijk meer heeft moeten betalen voor het cassatieadvies dan verwacht, waarbij zij wijst op een uitsplitsing die meer dan 8 uur werk toonde. De raad kan klaagster hier niet in volgen. Het dossier bevat geen uitsplitsing of specificatie van de uren. Het cassatieadvies is op toevoegingsbasis gedaan, met een eigen bijdrage van € 333,- voor klaagster. Deze eigen bijdrage heeft verweerster aanvankelijk voor haar betaald en pas in december 2024 aan haar gefactureerd. Dat bedrag is voor een cassatieadvies niet (te) hoog. Dat het cassatieadvies negatief was, maakt dit niet anders. Van klachtwaardig handelen van verweerster is niet gebleken. Dit verwijt is ongegrond.  Klachtonderdeel f) – beëindiging bijstand 5.13    Verweerster heeft begin december 2024 aan klaagster laten weten dat zij haar niet langer kon bijstaan. Klaagster had op dat moment een klacht over verweerster ingediend bij de deken. Daarmee was sprake van een vertrouwensbreuk tussen klaagster en verweerster. Dat verweerster op dat moment de bijstand heeft beëindigd is niet onbegrijpelijk en niet klachtwaardig. Dit klachtonderdeel is ongegrond.  Tot slot 5.14    Voor zover klaagster in haar aanvulling van 27 januari 2026 nieuwe klachten heeft geformuleerd, geldt dat dit op gespannen voet staat met artikel 46c Advocatenwet. Daarin is bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat die daarnaar onderzoek doet. De raad laat eventuele aanvullende klachten daarom verder buiten beschouwing. 

6    MAATREGEL 6.1    Verweerster is tekortgeschoten in haar bijstand aan klaagster, zowel op het gebied van communicatie als wat betreft de kwaliteit van haar bijstand. Zo heeft verweerster geen voorlopige alimentatie gevraagd en de mogelijkheid daartoe ook niet met klaagster besproken, terwijl klaagster het financieel moeilijk had en daar wel om heeft gevraagd. Ook heeft verweerster klaagster niet goed geïnformeerd over de beschikking van het gerechtshof en over het eventuele behoud van alimentatie bij een verhuizing naar het buitenland. Verweersters bijstand is daardoor op meerdere momenten onvoldoende geweest. Naar het oordeel van de raad is sprake van schending van de kernwaarde deskundigheid.  6.2    De raad houdt bij het opleggen van de maatregel rekening met het tuchtrechtelijk verleden van verweerster. In 2022 is aan verweerster nog de maatregel van berisping opgelegd , ook naar aanleiding van een klacht van de eigen cliënt. Ook eerder zijn aan haar maatregelen opgelegd.  6.3    Gelet op de ernst van de gedragingen in deze zaak en het tuchtrechtelijk verleden van verweerster, is de raad van oordeel dat een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken een passende en noodzakelijke maatregel is.   

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING  7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.  7.3    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdelen b) en c) deels gegrond en deels ongegrond; -    verklaart klachtonderdelen a), d), e) en f) ongegrond; -    legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van twee weken op; -    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd; -     stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging; -     stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt. -    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; -        bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek, D.M. de Knijff, M. van Eck en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 juli 2026