Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-08-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:185

Zaaknummer

25-889/DH/RO

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht van de VvE niet ontvankelijk vanwege een ontbrekende machtiging van de vergadering van eigenaars. Klacht van klaagster, die bestuurder was van de VvE, deels niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en deels ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 augustus 2026 in de zaak 25-889/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 1

en

klaagster 2

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 20 april 2025 heeft klaagster 2, mede namens klaagster 1, bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 22 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/113 van de deken ontvangen. 1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 juni 2026. Daarbij waren klaagster 2 en verweerder aanwezig. Namens klaagster 1 is niemand verschenen. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 27. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken die klaagster 2 heeft ingediend op 20 januari 2026, 24 februari 2026 en 12 maart 2026, onder meer bestaande uit videobeelden. 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Het pand aan de [adres] heeft een vereniging van eigenaars (hierna ook te noemen: de VvE of klaagster 1) met twee leden: klaagster 2, die het appartementsrecht heeft van [adres 1], en [naam VvE-lid], die het appartementsrecht heeft van [adres 2] en die de woning verhuurt aan drie huurders. Klaagster 2 is tot 19 mei 2026 de (enige) bestuurder van de VvE geweest.  2.3    Er is een geschil ontstaan tussen klaagster 2, in haar hoedanigheid van bestuurder van de VvE, en [naam VvE-lid] over het onderhoud aan het pand en de financiën van de VvE. Dit heeft geleid tot diverse juridische procedures. Verweerder staat [naam VvE-lid] daarin bij als advocaat.  2.4    Op 24 april 2024 heeft verweerder een pleitnota voorgedragen bij een zitting van de kantonrechter. 2.5    Op 29 augustus 2024 heeft [naam VvE-lid] aangifte gedaan tegen klaagster 2. 2.6    Op 20 april 2025 heeft klaagster 2, in haar hoedanigheid van bestuurder van de VvE, haarzelf gemachtigd om namens de VvE op te treden in de klachtprocedure tegen verweerder. Diezelfde dag heeft klaagster 2 mede namens de VvE bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 2.7    Bij beschikking van 12 mei 2026 van het Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:1293, is [naam VvE-lid] gemachtigd tot het ontslaan van klaagster 2 als bestuurder van de VvE.  2.8    Klaagster 2 is op 19 mei 2026 ontslagen als bestuurder.  2.9    Op 27 mei 2026 is [naam VvE-beheerder] benoemd tot nieuwe bestuurder en beheerder van de VvE, conform de beschikking van het gerechtshof.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagsters verwijten verweerder het volgende. a)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 25, door de VvE rechtstreeks aan te schrijven terwijl deze werd bijgestaan door een advocaat; b)    Verweerder heeft deelgenomen aan VvE-vergaderingen, zonder zich kenbaar te maken als advocaat of als deelnemer; c)    Verweerder heeft zich in e-mailcorrespondentie voorgedaan als zijn cliënt, hetgeen in strijd is met gedragsregel 9 en waardoor verweerder zich vereenzelvigt met zijn cliënt, hetgeen in strijd is met de kernwaarde onafhankelijkheid; d)    Verweerder heeft de VvE-vergaderingen opgenomen door middel van foto’s, video’s en spraakopnames, zonder dit mede te delen; e)    Verweerder heeft zijn cliënt opdracht gegeven om opnames te maken van de VvE-vergaderingen, zonder hem de opdracht te geven om daarvoor toestemming te vragen; f)    Verweerder heeft in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid gehandeld door zich te vereenzelvigen met zijn cliënt, door aan VvE-vergaderingen deel te nemen om te trachten informatie in te winnen of bekentenissen af te dwingen die hij kan gebruiken in procedures; g)    Verweerder heeft in strijd met gedragsregel 6 ondoelmatig gehandeld, door zijn cliënt te adviseren om tegen alle agendapunten van de VvE-vergaderingen te stemmen, waardoor hij zijn cliënt aanzet tot het overtreden van reglementen en de wet; h)    Verweerder heeft in strijd met gedragsregel 8 de onrechtmatige handelingen van zijn cliënt en diens huurders verhuld door onwaarheden en misleidende weergaven van gebeurtenissen. Verweerder ensceneert bewijsmiddelen dan wel instrueert zijn cliënt om dat te doen, terwijl hij klaagster 2 er ten onrechte van heeft beschuldigd dat zij dit zou doen; i)    Verweerder heeft de advocaat van de VvE opgedragen om zich terug te trekken, waardoor de VvE een ervaren en competente advocaat is ontnomen; j)    Verweerder heeft zich extreem grievend uitgelaten over klaagster 2 richting de rechterlijke en bestuurlijke macht, door al zijn processtukken in te leiden met een karakterschets om klaagster 2 weg te zetten als iemand die slechte bedoelingen heeft. Verweerder overtreedt hiermee ook de kernwaarde onafhankelijkheid, door er een persoonlijk conflict van te maken; k)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 22, door de huurders van zijn cliënt aan te zetten tot het ensceneren van bewijs, het weigeren om mee te werken aan het verrichten van werkzaamheden en het afleggen van valse getuigenissen; l)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 2, door de huurders van zijn cliënt als advocaat bij te staan, terwijl sprake is van belangenverstrengeling; m)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 12, door in strijd met zijn zorgplicht de huurders van zijn cliënt niet te wijzen op de gevolgen van procederen; n)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 1, door getuigschriften te vervalsen of zijn cliënten daartoe aan te zetten; o)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 1, door zijn cliënt aan te zetten tot het doen van een valse aangifte tegen klaagster 2; p)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregels 8 en 27, door onjuiste informatie over het verloop van een mediation-poging aan de rechtbank te verstrekken; q)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 24, door in de correspondentie met alle betrokkenen, onder wie de advocaat van de VvE, een intimiderende houding aan te nemen en daarmee te trachten zaken te bereiken waarop hij geen recht heeft; r)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregels 1 en 9, door het bestuur van de VvE te dwingen om in te stemmen met het ondertekenen van een overeenkomst die in strijd is met het splitsingsreglement en aan te zetten om de jaarstukken te vervalsen. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Ontvankelijkheid Ontvankelijkheid van de VvE, klaagster 1 5.1    In de splitsingsakte van 20 juni 1977 waarbij de VvE is opgericht, is het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van 22 februari 1973 (hierna: het Modelreglement) van toepassing verklaard. Op grond van artikel 40 lid 4 van het Modelreglement van de VvE behoeft het bestuur van de VvE de machtiging van de vergadering van eigenaars voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen alsmede voor het aangaan van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen een belang van een nader in de akte te bepalen bedrag te boven gaande. 5.2    Tot het dossier behoort een machtiging van 20 april 2025 van het bestuur van de VvE (bestaande uit klaagster 2) aan klaagster 2 (haarzelf dus) om een tuchtklacht tegen verweerder in te dienen. Naar het oordeel van de raad is dit geen rechtsgeldige machtiging van de vergadering van eigenaars. Voor zover klaagster 2 meent dat de rechtmatigheid van deze machtiging kan worden gegrond op de besluiten die zijn genomen op de vergaderingen van de VvE op 26 januari 2025 en 16 maart 2025 over het verlenen van een procesmachtiging en het instellen van rechtsvorderingen, heeft te gelden dat de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam deze besluiten bij beschikking van 4 juli 2025 heeft vernietigd. 5.3    De raad is van oordeel dat er geen (rechtsgeldig besluit tot) machtiging van de vergadering van eigenaars ten grondslag ligt aan het indienen van de tuchtklacht. Het starten van een tuchtprocedure moet naar oordeel van de raad worden gekwalificeerd als het instellen van een rechtsvordering, althans het aangaan van een rechtshandeling. Bij gebrek aan deze machtiging, kan de VvE niet worden ontvangen in haar klacht. De raad verwijst ook naar de uitspraak van 6 mei 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2026:2590, waarin de VvE om vergelijkbare reden niet-ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep.  5.4    De raad zal de VvE daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar klacht. Ontvankelijkheid van klaagster 2 5.5    De klacht is mede namens klaagster 2 ingediend. Zij heeft in het geschil tussen de VvE enerzijds en de cliënt van verweerder anderzijds hoofdzakelijk opgetreden als bestuurder van de VvE. Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. De raad zal daarom beoordelen of klaagster 2 een eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft bij de klacht voor zover deze namens haarzelf als natuurlijke persoon is ingediend. 5.6    De raad is van oordeel dat klaagster 2 uitsluitend een eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft bij klachtonderdelen h), j) en o). Deze klachten gaan namelijk over vermeende beschuldigingen aan haar adres, onnodig kwetsende uitlatingen over haar en het doen van strafrechtelijke aangifte tegen haar. Dit gaat over de persoon van klaagster 2 en staat daarmee los van (haar hoedanigheid van bestuurder van) de VvE. In de overige klachtonderdelen wordt klaagster 2 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij daarbij hoogstens een afgeleid belang heeft als lid (en bestuurder) van de VvE. Inhoudelijke beoordeling 5.7    Klaagster 2 verwijt verweerder in de klachtonderdelen h), j) en o) samengevat onterechte beschuldigingen te hebben geuit, zich onnodig kwetsend over haar te hebben uitgelaten en een valse aangifte tegen haar te hebben ingediend dan wel zijn cliënt daartoe te hebben aangezet. Klachtonderdeel h): beschuldigingen 5.8    Klaagster 2 heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel gewezen op productie 44 bij haar klachtschrift, zijnde een pleitnota van 18 september 2024 van haar eigen hand. De raad kan aan de hand van dit document niet vaststellen dat verweerder de verweten gedraging heeft uitgevoerd. Verweerder heeft de verweten gedraging ook betwist. Bij deze stand van zaken kan de raad niet concluderen dat verweerder gehandeld heeft zoals hem wordt verweten. Dat betekent dat het klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. Klachtonderdeel j): onnodig kwetsende uitlatingen 5.9    Klaagster 2 heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel gewezen op productie 50 bij haar klachtschrift, zijnde een pleitnota van 24 april 2024 van verweerder. Volgens klaagster 2 heeft verweerder daarin een karakterschets gegeven van klaagster 2 die onnodig kwetsend zou zijn. Zij heeft niet geconcretiseerd welke passage uit de pleitnota onnodig kwetsend zou zijn. De raad heeft ook geen passage in de pleitnota aangetroffen die als zodanig bestempeld kan worden. Voor zover klaagster 2 zou doelen op de verwijten aan het bestuur van de VvE dat deze zou disfunctioneren, geldt dat klaagster 2 daar als natuurlijke persoon geen eigen, rechtstreeks betrokken belang bij heeft. Omdat van onnodig kwetsende uitlatingen niet is gebleken, wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.  Klachtonderdeel o) 5.10    Klaagster heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel gewezen op productie 43, zijnde een aangifte van 29 augustus 2024 van de cliënt van verweerder tegen klaagster 2, en op productie 32, zijnde een video ‘aangifte binnentreden 30 juni 2024’. Het is de raad niet gebleken dat verweerder zijn cliënt heeft aangezet tot het doen van valse aangifte. Klaagster 2 is het duidelijk niet eens met de aangifte die is gedaan, maar nergens blijkt uit dat deze aangifte vals is gedaan en dat dit is gedaan op advies van verweerder. Ook dit klachtonderdeel zal daarom ongegrond worden verklaard. Conclusie 5.11    Klachtonderdelen h), j) en o) zijn ongegrond.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klaagster 1 niet-ontvankelijk; - verklaart klaagster 2 ontvankelijk in klachtonderdelen h), j) en o); - verklaart klachtonderdelen h), j) en o) van klaagster 2 ongegrond; - verklaart klaagster 2 niet-ontvankelijk in de overige klachtonderdelen.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A. Schaberg en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 3 augustus 2026