Rechtspraak
Uitspraakdatum
04-08-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:254
Zaaknummer
250107W
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek tot wraking. De samenstelling van de kamer wordt vanaf een week voor de zitting gepubliceerd op de website van het hof. Verzoeker had na raadpleging van de curricula vitae van de leden van de kamer zijn verzoek tot wraking behoren in te dienen. Nu verzoeker dit eerst tijdens de zitting heeft gedaan, is zijn wrakingsverzoek tardief. Het hof is niet gebleken dat de nevenfuncties van verweerders een indicatie voor partijdigheid of vooringenomenheid zouden kunnen zijn (Hof van Discipline, 8 december 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:223). De toelichting van verzoeker op de wrakingsgronden 1, 5 en 6 alsook het proces-verbaal van de zitting leveren volgens het hof ook overigens geen aanwijzingen op voor het oordeel dat verweerders ten opzichte van verzoeker vooringenomen waren, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.Afwijzing verzoek tot wraking. De samenstelling van de kamer wordt vanaf een week voor de zitting gepubliceerd op de website van het hof. Verzoeker had na raadpleging van de curricula vitae van de leden van de kamer zijn verzoek tot wraking behoren in te dienen. Nu verzoeker dit eerst tijdens de zitting heeft gedaan, is zijn wrakingsverzoek tardief. Het hof is niet gebleken dat de nevenfuncties van verweerders een indicatie voor partijdigheid of vooringenomenheid zouden kunnen zijn (Hof van Discipline, 8 december 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:223). De toelichting van verzoeker op de wrakingsgronden 1, 5 en 6 alsook het proces-verbaal van de zitting leveren volgens het hof ook overigens geen aanwijzingen op voor het oordeel dat verweerders ten opzichte van verzoeker vooringenomen waren, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Uitspraak
Beslissing van 31 juli 2026
in de zaak 250107W
naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:
verzoeker
tegen:
mrs. C.H. van Breevoort-de Bruin, M.F. Baaij en J.A. Huijgen
leden van het hof van discipline
verweerders
1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD EN HET HOF
1.1 Op 27 maart 2025 heeft verzoeker beklag ingesteld bij het hof van discipline tegen de beslissing van de deken Oost-Brabant van 20 maart 2025, waarin het verzoek van verzoeker tot aanwijzing van een advocaat is afgewezen.
1.2 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 november 2025. Verzoeker heeft tijdens die behandeling een verzoek tot wraking ingediend tegen verweerders.
1.3 Verweerders hebben niet berust in het wrakingsverzoek.
1.4 Het dossier van het hof bevat de volgende stukken:
schriftelijke toelichting op de wraking van verzoeker van 17 november 2025; verweerschrift van verweerders van 24 november 2025; proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2025.1.5 Het wrakingsverzoek is mondeling behandeld op 26 januari 2026. Daar is verzoeker verschenen. Na aanvang van de zitting heeft verzoeker tegen de voorzitter van de behandelend kamer, mr. J. Blokland, een verzoek tot wraking ingediend. Omdat de voorzitter in het verzoek tot wraking heeft berust, is dit wrakingsverzoek niet verder in behandeling genomen.
1.6 De behandeling van het wrakingsverzoek van 10 november 2025 is voortgezet op 5 juni 2026. Daar is verzoeker verschenen. Na aanvang van de zitting heeft verzoeker een verzoek tot wraking ingediend tegen de voorzitter van de behandelend kamer, mr. J.D. Streefkerk. Verzoeker heeft daartoe als grond aangevoerd dat mr. Streefkerk eerder voorzitter is geweest in een andere zaak en zich toen volgens verzoeker onoirbaar zou hebben gedragen. Verder zou volgens verzoeker mr. Fortuin op 5 juni 2026 de behandelend voorzitter hebben behoren te zijn.
1.7 Het hof heeft de zitting geschorst en zich teruggetrokken voor beraad. Na hervatting van de zitting heeft het hof het ter zitting door verzoeker gedane wrakingsverzoek buiten behandeling gesteld op grond van artikel 3.1 onder g en h van het wrakingsprotocol van het hof (het wrakingsverzoek is gericht tegen een lid van de wrakingskamer en het verzoek voldoet niet aan de in de artikelen 1 en 2 van het wrakingsprotocol vermelde vereisten, omdat al voor de zitting op de website van het hof was aangegeven dat mr. Fortuin zou worden vervangen door mr. Streefkerk).
1.8 Vervolgens is de behandeling van het wrakingsverzoek van verzoeker hervat. De voorzitter heeft verzoeker drie keer in de gelegenheid gesteld om zijn wrakingsverzoek nader toe te lichten. Verzoeker heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Verzoeker heeft aangegeven stukken te willen overleggen, wat de voorzitter niet heeft toegestaan. Hierna heeft verzoeker de zittingszaal verlaten.
1.9 Verzoeker heeft na de zitting op 6 juni 2026 tegen de andere leden van de behandelend kamer, mrs. W.A. Timmer en G.C. Endedijk, een verzoek tot wraking ingediend. Dit wrakingsverzoek is door mr. P. Fortuin op 11 juni 2026 buiten behandeling gesteld op grond van artikel 3.1 onder g, h en i van het wrakingsprotocol van het hof.
2 BEOORDELING
Wrakingsgronden
2.1 Verzoeker heeft tijdens de zitting op 10 november 2025 verweerders gewraakt op basis van de gegevens van hun curricula vitae. Verzoeker gaf daarbij aan op grond van artikel 2.2 van het wrakingsprotocol zijn gronden voor de wraking buiten de zitting om schriftelijk te zullen indienen.
2.2 Verzoeker heeft op 17 november 2025 schriftelijk als aanvullende wrakingsgronden aangevoerd:
1) de maatschappij (en mogelijk ook FIOD/fiscus) wordt onjuist geïnformeerd over de bezoldiging van de leden van het hof voor hun werkzaamheden die zij verrichten als lid van het hof van discipline;
2) het kroonlid Baaij werkte samen met voormalig vicepresident/senior-rechter Alwin. Alwin deed aangifte tegen verzoeker in de strafzaak die gelieerd is aan de tuchtklacht tegen deken Schnitzler;
3) de leden van het hof van discipline zweren/beloven trouw aan de koning, men is dus partijdig. In de tegen verzoeker opgezette strafzaak is er sprake van een link naar de koning/het Koninklijk huis;
4) J.A. Huijgen (advocaat-lid van het hof van discipline) moet volgens de advocaat-eed eerbied hebben voor de rechterlijke autoriteiten;
5) kroonlid Baaij zette verzoeker onder druk nadat verzoeker de zittingscombinatie had gewraakt. Baaij wilde dat verzoeker tijdens de zitting zijn wrakingsgronden mondeling zou motiveren;
6) een lid van het hof van discipline sprak een verkapt excuus uit jegens deken mr. Diks.
Verweer
2.3 Verweerders verzoeken het wrakingsverzoek af te wijzen waartoe het volgende wordt aangevoerd door verweerders.
2.4 Allereerst is het wrakingsverzoek te laat ingediend omdat uit artikel 513 lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat een wrakingsverzoek moet worden ingediend zodra de feiten of omstandigheden op grond waarvan wordt gewraakt aan de verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek gedaan op de zitting van 10 november 2025 omdat hij na raadpleging van de curricula vitae van verweerders aanleiding had te vermoeden dat de onpartijdigheid van verweerders gevaar liep. Omdat in de oproepingsbrief van 12 juni 2025 stond vermeld dat de samenstelling van het hof vanaf één week voor de zittingsdatum kan worden geraadpleegd, had volgens verweerders door verzoeker eerder zijn bezwaren aangevoerd kunnen worden. Verzoeker heeft voldoende gelegenheid gehad om, zo daartoe aanleiding zou zijn, diens wrakingsverzoek voorafgaand aan de zitting in te dienen.
2.5 In het geval de wrakingskamer van het hof daar anders over nadenkt, voeren verweerders aan dat deze wrakingsgrond geen doel treft omdat verzoeker niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de onpartijdigheid van verweerders door de inhoud van hun curricula vitae in gevaar is gekomen.
Daarbij is het uitgangspunt dat een (plaatsvervangend) lid van het hof uit hoofde van zijn benoeming wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor vooringenomenheid van het lid ten opzichte van de verzoeker, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Verweerders wijzen hierbij op een uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:87).
2.6 Ten aanzien van de wrakingsgronden die verzoeker heeft opgenomen in zijn schrijven van
17 november 2025 merken verweerders op dat de gronden 1, 5 en 6 nieuwe gronden zijn en reeds daarom niet tot een gegrondverklaring kunnen leiden. Daarbij zien deze gronden op gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan nadat verzoeker zijn wrakingsverzoek had gedaan en geeft verzoeker met deze gronden ook geen juiste weergave van hetgeen ter zitting is besproken.
2.7 De gronden 2, 3 en 4 verstaan verweerders als een onderbouwing dat de inhoud van hun curricula vitae feiten en omstandigheden zou opleveren die vrees voor hun onpartijdigheid zou kunnen doen ontstaan. Grond 2 is niet terug te vinden in het curriculum vitae van lid Baaij en feitelijk onjuist. Mr. Baaij en mr. Alwin zijn werkzaam (geweest) bij dezelfde rechtbank. Deze gronden en de toelichting daarop van verzoeker maken ook niet inzichtelijk waarom de inhoud van de curricula vitae van verweerders een bedreiging zou kunnen vormen voor hun onpartijdigheid.
Toetsingskader
2.8 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Sv, die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164).
2.9 Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van verzoeker belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van het lid van het hof, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
2.10 Daarnaast geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door (een lid van) het hof gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.
Beoordeling
2.11 Op het wrakingsverzoek van 10 november 2025 is het wrakingsprotocol van het hof zoals dit gold tot 7 april 2026 van toepassing. Uit artikel 2.1 van dat wrakingsprotocol volgt dat het wrakingsverzoek moet worden ingediend zodra de verzoeker bekend is geworden met de feiten en omstandigheden die de reden vormen voor het wrakingsverzoek. De samenstelling van de kamer wordt vanaf een week voor de zitting gepubliceerd op de website van het hof. Verzoeker had na raadpleging van de curricula vitae van de leden van de kamer zijn verzoek tot wraking behoren in te dienen. Nu verzoeker dit eerst tijdens de zitting heeft gedaan, is zijn wrakingsverzoek tardief. Overigens is het hof niet gebleken dat de nevenfuncties van verweerders een indicatie voor partijdigheid of vooringenomenheid zouden kunnen zijn (Hof van Discipline, 8 december 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:223).
2.12 De wrakingsgronden 1, 5 en 6 heeft verzoeker op 17 november 2025 ingediend, derhalve na de zitting van 10 november 2025. Op grond van artikel 513 lid 3 Sv en artikel 2.4 van het toepasselijke wrakingsprotocol dienen alle wrakingsgronden tegelijkertijd te worden aangevoerd. Gelet hierop behoeven deze gronden geen verdere behandeling. Het hof merkt daarbij op dat de toelichting van verzoeker op de wrakingsgronden 1, 5 en 6 alsook het proces-verbaal van de zitting ook overigens geen aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat verweerders ten opzichte van verzoeker vooringenomen waren, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
2.13 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek van verzoeker ongegrond is.
3 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
3.1 verklaart het wrakingsverzoek van 10 november 2025 van verzoeker ongegrond;
3.1 bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mrs. W.A. Timmer en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 31 juli 2026.
