Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-07-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:165

Zaaknummer

25-848/A/NH

Inhoudsindicatie

Beslissing op verzet. Klaagster is lid van een VvE. Verweerster staat de VvE bij, maar ook de twee andere leden van de VvE. Klaagster heeft erover geklaagd dat dat niet kan. De voorzitter heeft de klacht gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk kennelijk ongegrond. De raad acht het verzet gegrond. Uit de beslissing van de voorzitter blijkt niet dat hij heeft getoetst aan het kader dat door het hof van discipline is gegeven in ECLI:NL:TAHVD:2022:16. De raad verwijst de zaak naar een zitting voor de verdere behandeling van de klacht.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 juli 2026 in de zaak 25-848/A/NH  naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 18 januari 2026 op de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 13 maart 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 8 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-142/2478719 van de deken ontvangen.  1.3    Bij beslissing van 19 januari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk (klachtonderdelen a en d) en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 19 januari 2026 verzonden aan partijen. 1.4    Op 13 februari 2026 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.  1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 8 juni 2026. Daarbij waren mevrouw (…), namens klaagster, en verweerster aanwezig.  1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. 

  2    VERZET 2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in. 2.2    De voorzitter heeft de onjuiste maatstaf toegepast bij het rechtstreeks belang (grond 1).  2.3    Ter onderbouwing van deze grond heeft klaagster aangevoerd dat de voorzitter heeft miskend dat het tuchtrecht strekt ter bescherming van wederpartijen wanneer zij worden geraakt door het optreden van een advocaat. Klaagster heeft belang bij haar klacht omdat zij 1) procespartij is in procedures waarin verweerster optreedt, 2) lid is van de VvE die door dat optreden rechtstreeks wordt geraakt en 3) degene is tegen wie de door verweerster gekozen processtrategie feitelijk wordt ingezet.  2.4    Het belang van klaagster is niet afgeleid; zij wordt rechtstreeks geraakt in haar procespositie, kostenrisico, in de voortgang van de afbouw en haar rechtsbescherming binnen de VvE.  2.5    De voorzitter heeft miskend dat gedragsregels 2 en 15 niet alleen cliënten beschermen.  2.6    De voorzitter heeft miskend dat verweerster rechterlijke beslissingen onjuist heeft weergegeven en dat zij daarmee de belangen van klaagster heeft geschaad.  2.7    De voorzitter heeft de tuchtrechtelijke toets onjuist afgebakend (grond 2).  2.8    Ter onderbouwing van deze grond heeft klaagster aangevoerd dat zij niet klaagt over civielrechtelijke uitkomsten, maar over: de rolcombinatie van verweerster, het ontbreken van professionele distantie, het structureel optreden voor onderling conflicterende partijen en het gebruik van proceshandelingen op een wijze die de wederpartij onevenredig schaadt.  2.9    De voorzitter heeft miskend dat sprake is van structurele belangenverstrengeling en schending van onafhankelijkheid (grond 3). 2.10    Ter onderbouwing van deze grond heeft klaagster aangevoerd dat verweerster advocaat is van mr. K en van entiteiten waarin mr. K beslissende zeggenschap heeft. Deze dubbele afhankelijkheidsrelatie maakt dat verweerster geen professionele distantie kan bewaren ten opzichte van haar cliënte, die tevens een collega advocaat is.  2.11    De voorzitter heeft de maatstaf kennelijk ongegrond onjuist toegepast (grond 4). 2.12    Klaagster heeft aangevoerd dat de voorzitter klachtonderdelen b, c en e afzonderlijk en marginaal heeft getoetst. Daarmee is miskend dat het gaat om de cumulatie van gedragingen. De samenhang van de gedragingen die in deze klachtonderdelen aan de orde worden gesteld had niet zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond mogen worden afgedaan. De voorzitter heeft een te lichte en eenzijdige toets aangelegd.   2.13    Aan de voorzittersbeslissing kleeft een motiveringsgebrek (grond 5). 2.14    Het oordeel van de voorzitter over klachtonderdelen a en d is volgens klaagster onvoldoende gemotiveerd. Bij de beoordeling van klachtonderdelen b, c en e is niet concreet ingegaan op de aangevoerde voorbeelden.   2.15    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op. 

3    BEOORDELING

Ontvankelijkheid 3.1    Verweerster heeft aangevoerd dat klaagster in haar verzet niet ontvankelijk is omdat klaagster niet in persoon op de zitting is verschenen en zich ook in andere zaken telkens laat vertegenwoordigen, zodat verweerster klaagster nog nooit in levenden lijve heeft ontmoet.  3.2    De raad wijst erop dat het partijen vrij staat om niet op een zitting bij de raad te verschijnen, maar zich te laten vertegenwoordigen. Dit is geen grond voor niet-ontvankelijkheid en het verweer van verweerster op dit punt slaagt dus niet.   Verzet gegrond 3.3    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 3.4    De raad stelt vast dat klaagster samen met appartementseigenaren Y en G lid is van een VvE. Tussen klaagster en K Bouw lopen sinds 2022 procedures over de bouw(kosten) van haar appartement. Verweerster heeft vanaf maart 2024 opgetreden voor appartementseigenaar Y. Vanaf begin februari 2025 is verweerster ook gaan optreden voor K Bouw. K Bouw stelt thans een vordering te hebben op de VvE. Vanaf (omstreeks) 21 februari 2025 is verweerster, in opdracht van appartementseigenaar G, tevens voorzitter van de VvE, ook gaan optreden voor de VvE.  3.5    De raad wijst erop dat het Hof van Discipline in een beslissing van 31 januari 2022 (ECLI:NL:TAHVD:2022:16) onder meer het volgende heeft overwogen: “(…) 5.38 Waar regel 15 van de gedragsregels voor advocaten ziet op een conflicterende belangenbehartiging van (voormalige) cliënten, heeft het onderhavige dekenbezwaar betrekking op de vertegenwoordiging door verweerder van een VvE en een meerderheidslid, tevens eigenaar van de Holding, die het bestuur voerde van de VvE, en anderzijds het belang van een niet door verweerder vertegenwoordigd minderheidslid. 5.39 In lijn met de overwegingen van de raad is het hof van oordeel dat een advocaat rekening moet houden met de belangen van andere betrokkenen, ook als deze niet zijn (voormalig) cliënt zijn. De belangen van een VvE enerzijds en individuele leden anderzijds kunnen geheel zeker parallel lopen, maar het uitgangspunt is dat die belangen potentieel strijdig en uiteenlopend kunnen zijn. Zodra zich een dergelijk (potentieel) strijdig belang voordoet, dient de advocaat te overwegen of hij zijn belangenbehartiging nog kan voortzetten en zal hij - behoudens situaties waarin een dergelijk strijdig belang aanstonds met wederzijdse instemming weg kan worden genomen - dienen terug te treden als advocaat van één en mogelijk meerdere door hem vertegenwoordigde partij(en).  5.40 In de voorliggende situatie behartigde verweerder zowel de belangen van de VvE als die van een bestuurder/meerderheidslid en was sprake van bezwaren van de kant van het minderheidslid. Verweerder heeft niet aannemelijk kunnen maken dat van geen enkel (potentieel) tegenstrijdig belang sprake was. (…)” 3.6    Met het oorspronkelijke klachtonderdeel a verwijt klaagster verweerster dat zij heeft opgetreden voor twee leden van de VvE, de VvE zelf en voor K Bouw BV, waarmee klaagster danwel de VvE een geschil heeft. Daarbij is volgens klaagster sprake van een tegenstrijdig belang. In de voorzittersbeslissing is klaagster in dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij slechts een afgeleid en geen rechtstreeks belang heeft. Uit de voorzittersbeslissing blijkt echter niet dat de voorzitter bij de beoordeling van het oorspronkelijke klachtonderdeel a heeft getoetst aan de hiervoor weergegeven maatstaf. Reeds hierom slaagt het verzet van klaagster.  3.7    De raad is van oordeel dat zij nog onvoldoende is voorgelicht en daarom nog geen oordeel kan vellen over de vraag of, met inachtneming van de hiervoor genoemde norm, in deze kwestie sprake is van een (potentieel) tegenstrijdig belang, dat in de weg staat van de bijstand van verweerster aan de VvE. De raad verwijst de zaak naar een volgende zitting, om dit punt nader met partijen te kunnen bespreken en vervolgens te beoordelen.   3.8    Met betrekking tot de oorspronkelijke klachtonderdelen b, c, d en e is de raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter in zoverre juist is. 

BESLISSING De raad van discipline:  -    verklaart het verzet gegrond; -    bepaalt dat partijen zullen worden opgeroepen voor een nadere behandeling van de klacht; -    houdt iedere verdere beslissing aan. 

Aldus beslist door K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en W. van Eekhout, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 juli 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 juli 2026