Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-07-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:152

Zaaknummer

26-464/A/NH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat van de wederpartij. Klager verwijt verweerster dat zij hem bij de rechtbank onterecht heeft beschuldigd van het uiten van bedreigingen richting haar cliënte. Klacht is kennelijk ongegrond. Alhoewel van een familierechtadvocaat een zekere terughoudendheid mag worden verwacht in het doen van uitlatingen, stond het verweerster in de omstandigheden van dit geval vrij om dit standpunt in het belang van haar cliënte naar voren te brengen.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 20 juli 2026 in de zaak 26-464/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 3 juni 2026 met kenmerk bb/ds/25-425/2521354, door de raad eveneens ontvangen op 3 juni 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager en zijn ex-partner hebben samen een minderjarig kind en zijn verwikkeld in een familierechtelijk geschil over de omgangsregeling. Verweerster staat in dit geschil de ex-partner bij als advocaat. 1.2    Op 8 september 2025 heeft verweerster een productie bij de rechtbank overgelegd in een lopende procedure tussen klager en zijn ex-partner. In het begeleidende formulier “F9 Indienen overige stukken” maakte verweerster daarbij de volgende opmerkingen:  “Bijgaand de mails die de man wederom aan de vrouw stuurt over de omgang, hieruit valt ook op te maken dat de man geen hulpverlening accepteert. Maar ook vol met verwijten en bedreigingen naar de vrouw. De vrouw maakt zich ernstige zorgen over het geestelijk welzijn van de man.” 1.3    Op 9 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij hem bij de rechtbank onterecht heeft beschuldigd van het uiten van bedreigingen richting haar cliënte.

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Maatstaf 4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend of grievend uitlaten over de wederpartij (gedragsregel 7). Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen (gedragsregel 8). Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 4.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: - het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, - het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, - het verloop van het geschil tot dan toe en - de kans op succes van de procedure.

4.3    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Beoordeling 4.4    Naar het oordeel van de voorzitter slaagt de klacht niet. Verweerster heeft onderbouwd toegelicht dat zij de e-mails van klager aan de rechtbank heeft toegezonden, omdat hieruit bleek dat klager niet wilde meewerken aan hulpverlening. De e-mails kwamen voor de cliënte van verweerster als bedreigend over en die wilde dat verweerster haar gevoel van onveiligheid aan de rechtbank zou overbrengen. Dat dit voor klager niet prettig is om te lezen is volgens verweerster begrijpelijk. Het overleggen van de e-mails moet echter worden gezien in het licht van een lopende procedure. Van smaad of laster is volgens verweerster geen sprake.  4.5    De voorzitter volgt verweerster in dit standpunt. Verweerster heeft met de door haar in het begeleidende F9-formulier gebezigde woorden uitdrukking gegeven aan de omstandigheid dat haar cliënte de e-mails van klager als bedreigend heeft ervaren. Alhoewel van een familierechtadvocaat een zekere terughoudendheid mag worden verwacht in het doen van uitlatingen (zie 4.2), stond het verweerster in de omstandigheden van dit geval vrij om dit standpunt in het belang van haar cliënte naar voren te brengen.  4.6    Het is de voorzitter ook verder niet gebleken dat verweerster de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Hoewel de voorzitter begrijpt dat klager zich onaangenaam getroffen voelde door de door verweerster gebruikte term ‘bedreigingen’ kwalificeren deze uitlatingen in de context van het geschil niet als onnodig grievend. Daarvan is pas sprake als de grievende bewoordingen (bijvoorbeeld) in redelijkheid geen bijdrage kunnen leveren aan het debat waarbinnen de bewoordingen zijn gebruikt (zie onder meer Hof van Discipline, 19 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:91) en dat is in dit geval niet gebleken. Verweerster heeft gemotiveerd toegelicht dat haar uitlatingen in het belang van haar cliënte gerechtvaardigd waren om diens standpunt te verwoorden dat klager haar rechtstreeks benaderde en dat haar cliënte deze mails als bedreigend heeft ervaren. Dat stond verweerster als partijdig belangenbehartiger vrij. 4.7    De voorzitter overweegt volledigheidshalve dat het niet tot de taak van tuchtrechter behoort om een oordeel te geven over de juistheid van de ingenomen standpunten in het onderliggende geschil. Dat is voorbehouden aan de behandelend rechter, tenzij duidelijk is dat verweerster de hiervoor genoemde maatstaf heeft overtreden. Dat is gelet op het voorgaande niet gebleken.      4.8    De voorzitter komt tot de slotsom dat verweerster met haar handelen niet de grenzen overschreden van de vrijheid die zij als advocaat van de wederpartij heeft. Evenmin is de voorzitter gebleken dat verweerster de belangen van klager onnodig heeft geschaad. Nu verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt treft, wordt de klacht kennelijk ongegrond verklaard. 

BESLISSING De voorzitter verklaart: - de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. M.V Ulrici voorzitter, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 20 juli 2026