Rechtspraak
Uitspraakdatum
22-07-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:178
Zaaknummer
26-440/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over belangenverstrengeling. Klager is in 2015 cliënt geweest bij het kantoor van verweerder in verband met een echtscheiding. Verweerders treden nu op tegen twee vennootschappen waarvan klager bestuurder en aandeelhouder is geweest. Deze vennootschappen zijn nooit cliënt geweest van verweerders c.q. het kantoor, daarom is geen sprake van optreden tegen een (voormalig) cliënt. Zelfs als dat wel zo zou zijn, is voldaan aan de voorwaarden van gedragsregel 13 lid 3. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 juli 2026 in de zaak 26-440/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
en
verweerder
hierna ook samen genoemd: verweerders
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 21 mei 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K342 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager is medio 2015 vanwege (mediation in) een echtscheiding cliënt geweest bij kantoor X. De advocaat die de zaak in 2015 behandelde, is sinds 2019 niet meer aan kantoor X verbonden. 1.2 Verweerder is in 2019 advocaat geworden en bij kantoor X gaan werken. Verweerster is in 2021 advocaat geworden en in 2022 bij kantoor X gaan werken. 1.3 Op 14 oktober 2025 hebben verweerders [S] B.V. (hierna: S B.V.) en [F] B.V. (F B.V.) gedagvaard. 1.4 Klager is bestuurder en aandeelhouder van S B.V. en F B.V. 1.5 Op 27 november 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerders.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerders dat zij procederen tegen klager, terwijl het kantoor van verweerders in 2015 voor klager heeft opgetreden. Klager wijst op de overeenkomst uit 2015 waarin is opgenomen dat het kantoor niet zonder toestemming tegen klager of zijn ex-partner mag procederen, terwijl verweerders dit wel hebben gedaan. Tijdens een recente zitting kwam het kantoor met allerlei privé informatie die het kantoor in 2015 heeft gekregen.
3 VERWEER 3.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. Zij hebben toegelicht dat dat hun cliënt niet tegen klager procedeert, maar tegen S B.V. en F B.V. Om die reden achten zij klager niet-ontvankelijk in zijn klacht. Zelfs als hij wel ontvankelijk is, geldt dat geen sprake is van optreden tegen een voormalig cliënt (gedragsregel 15 lid 1). Bovendien is gedragsregel 15 niet absoluut: verweerders hebben gemotiveerd toegelicht dat en waarom aan de voorwaarden van lid 3 is voldaan. 3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 4.2 Gedragsregel 15 luidt, voor zover relevant: 1. Gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid is het de advocaat niet toegestaan, behoudens in de gevallen genoemd in het derde en vierde lid: 1. (…) 2. tegen een cliënt of een voormalige cliënt op te treden. 2. (…) 3. Van de verplichting uit het eerste lid kan de advocaat alleen afwijken indien is voldaan aan elk van de volgende drie voorwaarden: 1. de aan de advocaat toe te vertrouwen belangen betreffen niet dezelfde zaak ten aanzien waarvan de voormalige of bestaande cliënt werd of wordt bijgestaan door de advocaat, houden daar ook geen verband mee en een toekomstig verband is evenmin aannemelijk; 2. de advocaat beschikt niet over vertrouwelijke informatie afkomstig van zijn voormalige of bestaande cliënt, dan wel over zaaksgebonden informatie of informatie de voormalige of bestaande cliënt betreffende, die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen deze voormalige of bestaande cliënt; en 3. niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van de voormalige of bestaande cliënt. 4. (…) 5. (…) 6. Waar in deze regel ‘advocaat’ staat wordt tevens bedoeld het samenwerkingsverband waarvan hij deel uitmaakt. Beoordeling 4.3 Duidelijk is dat klager in 2015 cliënt is geweest bij het kantoor in verband met (mediation bij) een echtscheiding en dat verweerders nu (en in 2025) bij het kantoor werkzaam zijn. De advocaat die in 2015 betrokken was, heeft het kantoor in 2019 verlaten. Klager verwijt verweerders in de kern belangenverstrengeling doordat zij nu (en in 2025) tegen hem optreden. De voorzitter stelt echter vast dat verweerders niet tegen klager optreden, maar tegen twee vennootschapen waarvan klager bestuurder en aandeelhouder is. Deze vennootschappen zijn nooit cliënt van verweerders c.q. het kantoor geweest. Van optreden tegen een (voormalig) cliënt is daarom geen sprake. 4.4 Ook als klager wordt vereenzelvigd met deze vennootschappen, is geen sprake van strijd met gedragsregel 15. Er is namelijk voldaan aan alle voorwaarden van lid 3 van deze gedragsregel. Het gaat nu om een zakelijk geschil waarin verweerders optreden tegen ondernemingen, terwijl het in 2015 een privé kwestie betrof, te weten (mediation bij) een echtscheiding. Het gaat daarmee niet om dezelfde zaak en er blijkt ook niet van een verband tussen de zaken. Verweerders hebben gesteld dat zij niet beschikken over informatie over klager en het mediationdossier uit 2015. De voorzitter ziet geen reden om daaraan te twijfelen. Verweerders waren in 2015 nog niet eens advocaat en dus ook niet bij (mediation bij) de echtscheiding betrokken en de advocaat die dat dossier heeft behandeld is in 2019 bij het kantoor vertrokken. Verweerders hebben bovendien aangegeven dat het mediationdossier (uit 2015) is vernietigd. Dat komt de voorzitter aannemelijk voor. Het is binnen de advocatuur gebruikelijk om dossiers na sluiting nog een periode van vijf jaar te bewaren. Van redelijke bezwaren aan de zijde van klager is de voorzitter niet gebleken. Dat het voor klager niet te verifiëren is of informatie uit het oude dossier nu tegen hem wordt gebruikt, is onvoldoende voor het aannemen van redelijke bezwaren. Dat het voor klager ongemakkelijk voelt, is eveneens onvoldoende. Verweerders hebben nadrukkelijk aangegeven dat zij zich steeds hebben gebaseerd op van hun cliënt ontvangen informatie. De voorzitter is dan ook van oordeel dat geen sprake is van handelen in strijd met gedragsregel 15. 4.5 De overeenkomst uit 2015, waar klager naar verwijst, is geen onderdeel van het klachtdossier, zodat de voorzitter daaraan niet kan toetsen. Dat verweerders daarbij partij waren, is niet mogelijk. 4.6 Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. De klacht is kennelijk ongegrond.
BESLISSING De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juli 2026
