Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-08-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:190
Zaaknummer
25-872/DH/DH
Inhoudsindicatie
Gegrond verzet omdat de deken en de voorzitter uit zijn gegaan van een te beperkte klachtomschrijving. De raad ziet aanleiding om de zaak terug te verwijzen naar de deken voor nader onderzoek.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 augustus 2026 in de zaak 25-872/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 4 februari 2026 op de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 21 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. Op 31 maart 2025 heeft klaagster haar klacht aangevuld. 1.2 Op 18 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K051 2025 ia/nm van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 4 februari 2026 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht onder toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 4 februari 2026 verzonden aan partijen. 1.4 Op 4 februari 2026 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 4 februari 2026 ontvangen. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 15 juni 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder beiden in persoon aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift van klaagster.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: - de voorzitter heeft artikel 46g Advocatenwet onjuist toegepast; - het dekenonderzoek is ondeugdelijk; - er is sprake van fundamenteel betwiste feiten die niet via een voorzittersbeslissing kunnen worden opgelost; - het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden en - artikel 46h Advocatenwet is onjuist toegepast / de oorspronkelijke tuchtklacht is volledig genegeerd. 2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving als zodanig komt klaagster in verzet niet op. Wel stelt zij – zo begrijpt de raad - dat deze onvolledig zijn.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen het verzet verweer gevoerd. Volgens hem heeft de voorzitter bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft volgens verweerder in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4 FEITEN 4.1 Voor de vaststaande feiten verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Betwiste feiten maken daar per definitie geen deel van uit.
5 KLACHT 5.1 De voorzitter heeft de klacht in zijn beslissing als volgt weergegeven: “De klacht houdt, zakelijke weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij zich in maart 2022 als haar advocaat heeft onttrokken in de echtscheidingszaak en nevenvoorzieningen, terwijl hij destijds opnieuw een toevoeging voor haar heeft aangevraagd en de boedelverdeling op dat moment nog niet was afgerond. Dat is onzorgvuldig, omdat de onttrekking heeft plaatsgevonden zonder voorafgaand overleg met klaagster en zonder overdracht van de zaak aan een andere advocaat. Hierdoor had klaagster onvoldoende tijd en informatie om nieuwe rechtsbijstand te vinden waardoor haar juridische positie is verzwakt. Verder is door de onttrekking sprake van vertraging en mogelijk nadeel in de echtscheidingszaak omdat de boedelverdeling nog niet was afgerond. Tot slot is door de onzorgvuldige onttrekking van vereerder sprake van een gebrek aan behoorlijke afronding, omdat klaagster geen duidelijke instructies van verweerder heeft ontvangen over het vervolg van haar zaak.”
6 BEOORDELING 6.1 Hoewel klaagster zich niet verzet tegen de omschrijving van de klacht door de voorzitter als zodanig, begrijpt de raad het verzet van klaagster aldus, dat zij van mening is dat de klacht door de deken te beperkt c.q. onjuist is opgevat waardoor het dekenonderzoek onjuist en/of onvolledig is geweest waarna vervolgens ook de voorzitter ten onrechte van deze te beperkte c.q. onjuiste klachtomschrijving is uitgegaan. 6.2 Ter zitting is namelijk gebleken dat klaagster met de door haar in haar klacht gebezigde term “onttrekking” op 13 maart 2022 niet heeft gedoeld op de daarmee in juridische termen aangeduide processuele handeling – die in haar geval inderdaad niet heeft plaatsgevonden aangezien er op dat moment geen procedure aanhangig was - maar op het in ruimere zin “niets meer voor haar (willen) doen”, het kennelijk willen “afsluiten van het dossier” en in algemene zin het stilzitten als haar echtscheidingsadvocaat vanaf maart 2022, toen zij de voormalige echtelijke woning moest verlaten. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat zij sedertdien dakloos is en met een restschuld zit, terwijl de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap nog niet is afgerond. 6.3 Hiermee is gegeven dat zowel de deken als de voorzitter van een te beperkte klachtomschrijving zijn uitgegaan waardoor ook het dekenonderzoek zich niet over alle relevante feiten heeft uitgestrekt. Het verzet is gelet daarop gegrond. 6.4 Voor de beoordeling van de klacht in de door klaagster bedoelde zin is naar het oordeel van de raad onder meer van belang of verweerder in maart 2022 een opdrachtbevestiging heeft gezonden en zo ja, wat de inhoud daarvan is. Voorts is van belang wanneer, op welke wijze en met welke motivering hij klaagster heeft gewezen op het feit dat er in zijn ogen niets meer te verdelen viel. 6.5 De raad ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de zaak terug te verwijzen naar de deken met het verzoek eerst samen met klaagster de feiten en klachtomschrijving duidelijk te krijgen en daarnaar vervolgens onderzoek te doen. Het gaat de raad dan vooral om alle voor de zaak van klaagster relevante gebeurtenissen vanaf maart 2022 en de communicatie daarover tussen klaagster en verweerder. De deken dient de raad hierover binnen drie maanden te informeren. Na ontvangst van de bevindingen van de deken zal de raad de klacht op een nieuwe zitting plannen voor een (hernieuwde) beoordeling van de volle omvang van de klacht.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart het verzet gegrond; - verwijst de zaak terug naar de deken met het verzoek de raad schriftelijk te informeren zoals hiervoor in 6.4 en 6.5 bedoeld; - bepaalt dat de deken uiterlijk op 3 november 2026 aan de raad zal rapporteren over het aanvullende onderzoek; - houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. D.M. de Knijff en T. Havekes, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 3 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 augustus 2026
