Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-08-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:253

Zaaknummer

260038

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Uit de door klager overgelegde stukken leidt het hof af dat de klacht van klager over de deken nauw samenhangt met diens onvrede over het feit dat de deken heeft geweigerd om opnieuw een advocaat ten behoeve van klager aan te wijzen nadat de eerder bij beslissing van de deken van 23 januari 2026 ten behoeve van klager aangewezen advocaat een negatief procesadvies had verstrekt en de zaak daarom niet heeft aangenomen. Daarvan kan de deken echter geen verwijt worden gemaakt. Een deken is ook niet gehouden opnieuw een advocaat aan te wijzen als hij dat al heeft gedaan en de aangewezen advocaat niet aan al de wensen van een klager tegemoet komt (HvD 21 april 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:68). De voorziening van artikel 13 Advocatenwet is, anders dan klager lijkt te veronderstellen, geen absolute waarborg voor daadwerkelijke toegang tot de rechter.

Uitspraak

Beslissing van 31 juli 2026

in de zaak 260038

naar aanleiding van het verzet

tegen de beslissing van de voorzitter van het hof

van 19 februari 2026 op de klacht van:

 

klager

 

tegen:

 

mr. W.W.H. Timmermans

advocaat en deken van de Orde van Advocaten Gelderland

 

de deken  

 

 

1 PROCEDURE 

1.1 Met de beslissing van 19 februari 2026 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager  tot verwijzing van de klacht over verweerder afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2026:60 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2 Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 3 maart 2026 ontvangen door de griffie van het hof en door klager aangevuld (met bijlagen) op 5 en 9 maart 2026. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt.

1.3 Het dossier bevat daarnaast:

- het verweerschrift van de deken van 13 mei 2026;

- repliek van klager van 16 mei 2026;

- dupliek van de deken 28 mei 2026

1.4 Het hof heeft het verzet behandeld op basis van de stukken in het dossier.

 

2 FEITEN

2.1 Op 5 februari 2026 heeft klager een klacht over de deken ingediend. De deken heeft het hof op

2.2 februari 2026 om verwijzing van die klacht naar een andere deken verzocht voor verdere behandeling.  

2.3 De klacht van klager heeft betrekking op een eerder verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet. Volgens klager heeft de aangewezen advocaat ervan afgezien om de zaak aan te nemen. Klager wil dat de deken een andere advocaat aanwijst om klager bij te staan.

2.4 In de beslissing van 19 februari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van het hof overwogen dat het indienen van een klacht over de deken niet het geëigende middel is om de wijze van behandeling door de deken van het (naar het hof begrijpt) gehonoreerde verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat ter discussie te stellen. Klager dient zich hierover te verstaan met de deken. Er is ook geen wettelijke bepaling op grond waarvan het hof ten behoeve van klager een advocaat kan aanwijzen of daaromtrent aanwijzingen kan geven aan verweerder. Het is verder voor het hof onvoldoende duidelijk geworden op welke wijze de deken volgens klager tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld, waarmee het ook voor de deken onduidelijk is waartegen hij zich dient te verweren. Om deze redenen is het verzoek tot verwijzing afgewezen.

 

3 HET VERZET

De gronden van verzet

3.1 Klager heeft aan het verzet (samengevat) het navolgende ten grondslag gelegd. Volgens klager ligt de vraag voor of tuchtrechtelijke jurisprudentie of een regel bestaat waaruit blijkt dat een deken slechts één keer een advocaat kan aanwijzen. Klager voert verder aan dat elke vorm van rechtsbijstand illusoir wordt als een deken slechts éénmalig een advocaat mag aanwijzen die ook niet verplicht is om de zaak aan te nemen. Als een aangewezen advocaat de zaak niet daadwerkelijk oppakt, de zaak niet wil aannemen of niet bereid is om effectieve rechtsbijstand te verlenen, dan is het doel van de aanwijzing niet bereikt, in welk geval de deken niet kan volstaan met de stelling dat formeel al een advocaat is aangewezen. In dat kader wijst klager op de financiering van de noodzakelijke rechtsbijstand omdat een aanwijzing die financieel niet uitvoerbaar is of die ertoe leidt dat geen advocaat de zaak van klager feitelijk kan of wil behandelen, geen effectieve rechtsbescherming biedt. Klager vindt de wijze waarop de aanwijzing is verlopen ook problematisch omdat de aangewezen advocaat heeft opgemerkt dat de deken een vriend van hem was en hij de deken ook al telefonisch had gesproken.

3.2 Klager verwijst verder naar de door hem overgelegde correspondentie (met bijlagen) tussen klager en de deken betreffende zijn (door de deken op 23 januari 2026 gehonoreerde) verzoek om aanwijzing van een advocaat. Klager geeft aan meer dan 200 kantoren te hebben aangeschreven in een andere zaak wat volgens klager illustreert dat er een groot probleem is in de sociale advocatuur en gefinancierde rechtsbijstand.  

Het verweer

3.3 De deken voert aan dat het verzoek tot verwijzing van de klacht van klager op juiste gronden is afgewezen omdat de klacht van klager samenhangt met de wijze van behandeling van een aanwijzingsverzoek van klager door de deken. Aan klager is een advocaat aangewezen en deze toewijzing stelt klager in deze procedure aan de orde. Een ander aanwijzingsverzoek van klager is afgewezen en daarover loopt een beklagprocedure bij het hof. Volgens de deken is in deze procedure uitsluitend aan de orde of de beslissing van 19 februari 2026 van de plaatsvervangend voorzitter van het hof op goede gronden is genomen. Daarop is door klager geen toelichting gegeven. De verzetprocedure is niet bedoeld om inhoudelijk in te gaan op de aanwijzingsbeslissing van de deken van 23 januari 2026 en evenmin op de afwijzende beslissing waarover een beklagprocedure loopt bij het hof. De deken verzoekt het hof daarom om het verzet van klager ongegrond te verklaren.  

 

4 BEOORDELING

Verzet mogelijk?

4.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advw. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen.De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf

4.2 Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Beoordeling

4.3 Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Uit de door klager overgelegde stukken leidt het hof af dat de klacht van klager over de deken nauw samenhangt met diens onvrede over het feit dat de deken heeft geweigerd om opnieuw een advocaat ten behoeve van klager aan te wijzen nadat de eerder bij beslissing van de deken van 23 januari 2026 ten behoeve van klager aangewezen advocaat een negatief procesadvies had verstrekt en de zaak daarom niet heeft aangenomen. Daarvan kan de deken echter geen verwijt worden gemaakt. Een deken is ook niet gehouden opnieuw een advocaat aan te wijzen als hij dat al heeft gedaan en de aangewezen advocaat niet aan al de wensen van een klager tegemoet komt (HvD 21 april 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:68). De voorziening van artikel 13 Advocatenwet is, anders dan klager lijkt te veronderstellen, geen absolute waarborg voor daadwerkelijke toegang tot de rechter. In de aanwijzingsbeslissing heeft de deken klager ook erop gewezen dat het de aangewezen advocaat vrijstaat om, nadat hij de zaak heeft beoordeeld, te besluiten om klager als rechtszoekende alsnog geen rechtsbijstand te verlenen omdat van een advocaat niet kan worden verwacht dat die een naar diens oordeel weinig kansrijke procedure gaat voeren. Het hof heeft niet kunnen vaststellen, zoals klager aanvoert, dat de aangewezen advocaat bevriend zou zijn met de deken, wat daar verder ook van zij. Dat er contact is geweest tussen de deken en de aangewezen advocaat naar aanleiding van de aanwijzingsbeslissing is in ieder geval niet ongebruikelijk.  

4.4 Wat in verzet verder naar voren is gebracht door klager leidt niet tot een ander oordeel. Het hof zal het verzet van klager daarom ongegrond verklaren. Op de overige verzoeken van klager kan het hof geen beslissing nemen omdat het hof daartoe geen wettelijke bevoegdheid heeft. 

 

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.

 

griffier                                                                                                       voorzitter       

      

De beslissing is verzonden op 31 juli 2026.