Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-07-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:158

Zaaknummer

26-434/AL/MN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klager in een familierechtelijk geschil. De voorzitter heeft begrip voor de behoefte van klager om contact te kunnen hebben met de advocaat van zijn ex-partner om afspraken te kunnen maken over het door hem zo gewenste contact met zijn dochter. Dit gaat echter niet zover dat je daarom een recht hebt op een reactie van die advocaat of dat kunt afdwingen door aan die advocaat een termijn te stellen. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster klager telkens binnen een redelijke termijn op de hoogte gebracht van het standpunt van haar cliënte. Daarbij is ook gemeld dat mediation voor haar cliënte geen optie was. Als partijdige belangenbehartiger van haar cliënte diende verweerster instructies van haar cliënte op te volgen. Dat heeft verweerster gedaan zonder daarbij de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat wederpartij te overtreden. Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2026 in de zaak 26-434/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over            

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 19 mei 2026 met kenmerk 2532916. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 28 juni 2026 van klager. Voor zover daarin door klager zijn klacht is aangevuld, valt dat buiten de beoordeling van de klacht. 

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is door zijn ex-partner in twee procedures betrokken, een voorlopige voorzieningsprocedure met het verzoek tot toevertrouwing van de minderjarige dochter aan zijn ex-partner en een bodemprocedure met het verzoek om de ex-partner met het eenhoofdig gezag over de dochter te belasten.  

1.2    In haar e-mail van 22 oktober 2025 heeft verweerster zich namens haar cliënte tot klager gewend. Verweerster heeft hierin onder meer aan klager geschreven dat haar cliënte met de dochter op 17 september 2025 de woning heeft verlaten omdat klager de veiligheid van de dochter en haarzelf niet kon garanderen. Verweerster heeft toegelicht dat haar cliënte contact tussen klager en de dochter van groot belang vindt maar dat dit pas verantwoord en veilig voor de dochter kan plaatsvinden nadat klager voor zijn problemen is behandeld, danwel daarin al een eind op weg is. Verder heeft verweerster geschreven:

Gezien de jonge leeftijd van [de dochter] lijkt het daarom thans het beste de omgang tijdelijk op te schorten. U stelt mediation voor. Dat is een manier om met elkaar te praten. Op dit moment lijkt dit niet zinvol, omdat een gesprek tussen U beiden eigenlijk onmogelijk is. Moeder voelt zich niet goed bij Uw manier van communicatie.

1.3    Op 23 oktober 2025 heeft klager hierop gereageerd. In zijn e-mail heeft hij zijn standpunten en bezwaren tegen de beperking of ontzegging van omgang met de dochter uiteengezet. Ook heeft hij zich beschikbaar verklaard voor een mediationtraject om tot een duurzame omgangsregeling te komen en verweerster verzocht om binnen zeven dagen namens haar cliënte te reageren en haar bereidheid tot mediation aan hem te bevestigen. 

1.4    Op 24 oktober 2025 heeft klager aan verweerster gemaild over zijn verdere standpunten en vragen en verweerster in de gelegenheid gesteld om binnen drie werkdagen een aantal punten aan hem toe te lichten. Op 30 oktober 2025 heeft klager aan verweerster een rappel gestuurd.

1.5    Op 31 oktober 2025 heeft klager telefonisch contact gezocht met verweerster. Tijdens dit gesprek heeft verweerster aan klager meegedeeld dat zij op verzoek van haar cliënte niet inhoudelijk met hem zal corresponderen en heeft zij klager geadviseerd om zich door een eigen advocaat te laten bijstaan. 

1.6    Eveneens op 31 oktober 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster

1.7    In haar e-mail van 4 november 2025 heeft verweerster inhoudelijk gereageerd op het voorstel dat klager op 31 oktober 2025 aan haar cliënte over het door hem verzochte contact met de dochter heeft gedaan. Daarnaast heeft verweerster namens haar cliënte aan klager voorstellen gedaan met betrekking tot kinderalimentatie en eigendommen van haar cliënte. Verweerster heeft benadrukt dat het streven van haar cliënte is om het contact tussen klager en de dochter in stand te houden maar dat pas na de te starten therapie van klager verdere stappen kunnen worden overwogen. Voor zover klager zich hier niet in kan vinden, heeft verweerster hem opnieuw geadviseerd om een advocaat in de arm te nemen. Verweerster was toen (nog) niet op de hoogte van de door klager over haar ingediende klacht. 

1.8    Op 6 november 2026 heeft klager op de e-mail van verweerster gereageerd en aangekondigd dat hij de dochter op 7 november 2026 komt ophalen voor een weekend bij hem. Voor zover zijn ex-partner zich daarin niet kan vinden, verwacht klager uiterlijk diezelfde dag een concreet redelijk alternatief voorstel dat daadwerkelijk invulling geeft aan het contact tussen de dochter en hem. Verweerster heeft hierop nog dezelfde dag via e-mail gereageerd en klager toegelicht dat en waarom haar cliënte niet met zijn voorstel instemt. 

1.9    Op 19 januari 2026 heeft verweerster een e-mail van de gemachtigde van klager ontvangen en de ontvangst ervan die dag bevestigd. Verweerster heeft daarin geschreven dat zij het bericht naar haar cliënte heeft doorgezonden en later zal reageren. Dat heeft verweerster op 29 januari 2026 gedaan. 

 

   KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    te weigeren om in de spoedeisende familiekwestie binnen een redelijke termijn inhoudelijk te reageren op de essentiële punten in de e-mails van klager van 23, 24 en 31 oktober 2025, wat tot nodeloze vertraging heeft geleid en de belangen van klager en de dochter heeft geschaad;

b)    structureel geen middellijke regeling na te streven en andere de-escalerende maatregelen – dan het door klager voorgestelde mediationtraject - af te houden, wat tot een verdere verwijdering tussen de klager en zijn dochter heeft geleid. 

 

3    VERWEER

Verweerster heeft tegen de klacht gemotiveerd verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Maatstaf  

4.1    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

4.2    De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

4.3    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, het verloop van het geschil tot dan toe en de kans op succes van de procedure afwegen. 

Klachtonderdeel a)

4.4    De voorzitter heeft begrip voor de behoefte van klager om contact te kunnen hebben met de advocaat van zijn ex-partner om afspraken te kunnen maken over het door hem zo gewenste contact met zijn dochter. Dit gaat echter niet zover dat je daarom een recht hebt op een reactie van die advocaat of dat kunt afdwingen door aan die advocaat een termijn te stellen. Verweerster heeft in haar verweer gesteld dat zij in opdracht van haar cliënte heeft gehandeld en om die reden niet verder inhoudelijk is ingegaan op de door klager in zijn e-mails gestelde vragen en genoemde bezwaren. Uit de overlegde correspondentie tussen partijen, deels opgenomen in de feiten hiervoor, is de voorzitter gebleken dat verweerster klager telkens binnen een redelijke termijn op de hoogte heeft gebracht van het standpunt van haar cliënte. Tijdens het telefonisch contact met klager op 31 oktober 2025 heeft verweerster ook aan klager gemeld dat mediation op dat moment voor haar cliënte geen optie was. Verweerster heeft klager herhaaldelijk geadviseerd om een advocaat in de arm te nemen als hij zich niet kon vinden in het standpunt van zijn ex-partner. Nadat een advocaat zich daarna namens klager tot verweerster heeft gewend, heeft verweerster op de punten van klager conform de instructie van haar cliënte binnen een redelijke termijn gereageerd. 

4.5    Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster met haar wijze van optreden de belangen van klager en dochter onnodig of onevenredig heeft geschaad. Klachtonderdeel a) wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.6    Klager verwijt verweerster in dit onderdeel dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om een minnelijke oplossing te bereiken via het door klager voorgestelde mediationtraject. Ook verwijt klager verweerster dat zij hem geen alternatieve de escalerende maatregelen heeft voorgesteld. 

4.7    De voorzitter overweegt hierover dat een advocaat daar waar mogelijk en in het belang van zijn cliënt moet proberen om een geschil door middel van een minnelijke regeling op te lossen. Gedragsregel 5 behelst echter geen absolute verplichting daartoe. Het gaat erom dat een advocaat zich voldoende inzet om tussen partijen tot een oplossing te komen. Een wederpartij kan dus niet verlangen dat een advocaat in elke situatie tracht een regeling in der minne te treffen. Dat is ter vrije beoordeling van de advocaat en zijn cliënt. Als zij vinden dat dat niet haalbaar is, dan kan de advocaat niet door de wederpartij dan wel door de gedragsregels worden verplicht alsnog een regeling in der minne te beproeven of met alternatieve voorstellen te komen. 

4.8    Volgens verweerster was het door klager voorgestelde mediationtraject voor haar cliënte geen optie omdat communicatie voor haar met klager niet mogelijk was. Verweerster heeft dit op 22 oktober 2025 aan klager gemeld. Dat hij het daarmee niet eens was, kan verweerster niet worden verweten. Haar cliënte wilde vanwege de nog door klager te ondergane behandeling pas na dat traject, dan wel tegen het einde van dat behandeltraject, over de invulling van de omgang tussen klager en de dochter in gesprek gaan, bij voorkeur via een advocaat en tot dat moment geen alternatieve voorstellen doen. Daarbij was het uitdrukkelijke uitgangspunt voor haar cliënte dat er (op termijn) weer contact van klager met de dochter zou komen, aldus verweerster.

4.9    Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster in de hiervoor geschetste omstandigheden en gelet op de ratio van gedragsregel 5, zoals hierboven weergegeven, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, zodat de voorzitter ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond zal verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: 

de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.   

Griffier         Voorzitter  

 

Verzonden  op : 13 juli 2026