Rechtspraak
Uitspraakdatum
22-07-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:177
Zaaknummer
26-399/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster mocht het standpunt van haar cliënte, dat klager zich schuldig maakte aan fraude, verdedigen. Uit de processtukken blijkt uit de context dat het een standpunt van haar cliënte betreft. Zij heeft niet onzorgvuldig gehandeld. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 juli 2026 in de zaak 26-399/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster gemachtigde: mr. E.M. Soerjatin
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 11 mei 2026 met kenmerk R 2026/039 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 25.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager is door zijn creditcarduitgever geregistreerd in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister, omdat klager zich volgens de creditcarduitgever schuldig zou maken aan ‘refund en chargeback fraude’ en valse gegevens zou hebben verstrekt bij het aanvragen van een creditcard. De creditcarduitgever heeft ook aangifte gedaan bij de politie wegens onder meer oplichting en valsheid in geschrifte. 1.2 Klager heeft zich over de registraties in de registers beklaagd bij het Klachteninstituut financiële dienstverlening (Kifid). Ook is hij een dagvaardingsprocedure gestart. Op 12 september 2025 heeft verweerster namens de creditcarduitgever gereageerd op de klacht bij het Kifid. In deze reactie is onder meer opgenomen: “(…) 4.8. [De creditcarduitgever] stelt zich op het standpunt dat zij aan de hand van de informatie van de verschillende Merchants voldoende heeft aangetoond dat [klager] ten onrechte valse chargeback’s en refunds heeft aangevraagd voor producten en diensten die hij wel heeft ontvangen en dat derhalve sprake is van meer dan een redelijk vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de hiervoor bedoelde strafbare feiten. Ook heeft [de creditcarduitgever] afdoende aangetoond dat [klager] bij de aanvraag van een Creditcard valse inkomensgegevens heeft verstrekt aan [de creditcarduitgever]. (…) 4.10. De gebeurtenissen en de handelingen van [klager] passen in hun samenhang bij het handelen en/of patroon van iemand die zich schuldig maakt aan chargeback- en refundfraude. (…) Sterker, de rechter heeft met betrekking tot de refund en chargeback ten aanzien van een Rolexhorloge vastgesteld dat de stelling dat [klager] goederen niet zou hebben ontvangen een valse stelling is. En dat [klager] dus heeft gelogen. De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat [klager] zich schuldig heeft gemaakt aan de hiervoor bedoelde strafbare feiten. (…) 4.13. [De creditcarduitgever] is kortom gerechtvaardigd tot registratie in het Incidentenregister en EVR overgegaan. De registraties voldoen aan de regels die zijn opgenomen in het PIFI. Uit de punten 2.8 tot en met 2.23 van dit verweer volgt dat [klager] zich schuldig heeft gemaakt aan refund en chargeback fraude. En over inkomensgegevens heeft gelogen bij de aanvraag van een Creditcard. (…)” 1.3 Na een repliek van klager, heeft verweerster op 2 december 2025 een dupliek ingediend. Daarin is onder meer opgenomen: “(…) 1. (…) Hij werpt in zijn repliek rookgordijnen op, maakt gebruik van allerlei spitsvondige superlatieven en beticht [de creditcarduitgever] van alles en nog wat. De kern van zijn betoog blijft echter leeg. Het blijft bij ongefundeerde woorden (veel geschreeuw en weinig wol). Waar hij met een boog omheen loopt is het bewijs van zijn fraude en zijn web van leugens. Hij laat ook onverkort na relevante onderzoeksvragen te beantwoorden. Hij blijft op alle ter zake dienende onderwerpen opvallend stil. [Klagers] beste verdediging is de aanval - een kennelijk door hem geprefereerde stijl - welke aanval echter ook in deze zaak volstrekt ongefundeerd is. (…) 8. In plaats van het geven van opheldering, beschuldigt [klager] [de creditcarduitgever] van allerlei zaken. De aanval is kennelijk de beste verdediging. (…) 9. (…) De rechtbank noemt deze stelling van [klager] - dat hij het door hem bestelde Rolex horloge niet zou hebben ontvangen - een ‘valse stelling’ en oordeelt zelfs dat [klager] door het starten van de procedure ‘misbruik maakt van recht’ (weer de aanval van [klager] die hij kennelijk de beste verdediging acht, welke aanval als misbruik van recht heeft te gelden) Dat er geen bewijs zou zijn van fraude en slechts problemen zouden zijn bij de levering van goederen zoals in punt 2.1 repliek door [klager] wordt gesteld, is aantoonbaar niet waar. (…) 15. (…) Van een ‘zachtere of meer terughoudende formulering’ zoals [klager] stelt is in het geheel geen sprake. [De creditcarduitgever] is klip en klaar: zij is gerechtvaardigd tot opname van [klager] in het EVR overgegaan. Er is sprake van een meer dan redelijk vermoeden dat [klager] zich schuldig heeft gemaakt aan refund en chargeback fraude. En [klager] heeft over inkomensgegevens gelogen bij de aanvraag van een Creditcard. De stellingen van [klager] dat [de creditcarduitgever] andere feiten zou presenteren of stellingen in zou nemen slaan dus kant noch wal. 16. Enkele voorbeelden ter illustratie (onderstreping van advocaat). (…) CvA (bijlage 1 bij repliek) punt 4.1 Bij het lezen van de dagvaarding wordt de context van deze zaak niet duidelijk. De context dat [klager] is verwikkeld in dubieuze praktijken en dat hij in zijn relatie tot [de creditcarduitgever] op belangrijke punten vaag is. 21. De slotsom is helder. [Klager] probeert allerlei rookgordijnen op te werpen, maar die kunnen het zicht niet onttrekken aan de heldere conclusie: hij heeft zich schuldig gemaakt aan refund en chargeback fraude. En heeft bij de aanvraag van een Creditcard bij [de creditcarduitgever] gelogen en valse gegevens verstrekt. [De creditcarduitgever] is kortom gerechtvaardigd tot registratie in het Incidentenregister en EVR overgegaan. (…) [Klager] heeft een web aan leugens gesponnen, waar hij inmiddels verstrikt in is geraakt. De verzoeken van [klager] moeten worden afgewezen.” 1.4 Op 11 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. a) Verweerster heeft onnodig grievende en beschadigende uitlatingen gedaan, wat in strijd is met gedragsregel 7; Klager wijst ter onderbouwing van zijn klacht op de volgende uitlatingen: “web van leugens”, “veel geschreeuw en weinig wol”, “rookgordijnen”, “misbruik van recht”, “aanval is zijn beste verdediging”, “dubieuze praktijken”, “fraude” en “strafbare feiten”. b) Verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregels 1, 8 en 20, door haar cliënte te presenteren als een instantie die fraude mag vaststellen, een onjuiste voorstelling te geven van de bewijsstandaard, beschuldigingen te presenteren als bewezen feiten en strafrechtelijke conclusies te trekken zonder rechterlijk oordeel; Klager wijst ter onderbouwing van zijn klacht op de volgende uitlatingen: “bewijs van fraude staat vast”, “de conclusie kan geen andere zijn dan dat hij strafbare feiten heeft gepleegd”, “[klager] heeft gelogen” en “de handelingen passen bij iemand die zich schuldig maakt aan fraude”. c) Verweerster gebruikt informatie op een wijze die niet strookt met de vertrouwelijkheid en zorgvuldigheid, wat in strijd is met gedragsregel 3.
3 VERWEER 3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Klachtonderdeel a) 4.2 Verweerster heeft de door klager benoemde uitlatingen mogen gebruiken ter behartiging van de belangen van haar cliënte. De creditcarduitgever stelde zich immers op het standpunt dat klager zich schuldig maakte aan fraude. Verweerster mocht als partijdig advocaat dat standpunt ten behoeve van haar cliënte innemen in de klachtzaak die klager daartegen was gestart. De verwijten van haar cliënte heeft zij ook niet ongefundeerd vertolkt, maar voorzien van onderbouwing. Verweerster mocht daarbij uitgaan van de juistheid van de informatie die zij van haar cliënte kreeg. Zij is daarbij gebleven binnen de aan haar toekomende ruime vrijheid. De door haar gebruikte toon en inhoud van de processtukken is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) 4.3 Ook in dit klachtonderdeel ziet de voorzitter niet dat verweerster de aan haar toekomende ruime vrijheid ter behartiging van de belangen van haar cliënte te buiten is gegaan. De creditcarduitgever heeft zich op het standpunt gesteld dat klager fraudeerde. Verweerster mag dat standpunt vervolgens ook namens haar cliënte innemen in de procedure. Uit de processtukken die zij heeft ingediend blijkt uit de gehele context genoegzaam dat het een standpunt van haar cliënte betreft en dat dit in relatie staat tot de opname in de registers. Dat er geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling, wat verweerster ook niet in haar processtukken heeft gesteld, doet daaraan niet af. 4.4 Voor zover klager meent dat er onvoldoende bewijs aanwezig is voor de stellingname van verweerster, omdat er een hogere bewijsstandaard zou gelden, geldt dat klager dat in het kader van de onderliggende procedure bij het Kifid heeft kunnen aanvoeren. De voorzitter benadrukt daarbij dat het niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of het standpunt van de creditcarduitgever over de gestelde fraude juist is. 4.5 Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond Klachtonderdeel c) 4.6 Volgens klager heeft verweerster niet zorgvuldig gehandeld door selectieve ‘merchant-communicatie’ te extrapoleren tot een conclusie dat sprake zou zijn van vaststaande fraude. De voorzitter ziet niet in waarom verweerster daarmee in strijd zou hebben gehandeld met gedragsregel 3, dat ziet op de vertrouwelijkheid. Dat klager het niet eens is met de wijze waarop verweerster het standpunt van haar cliënte heeft onderbouwd, is onvoldoende om te spreken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Als klager de onderbouwing selectief of anderszins onjuist vond, dan kon hij ook dat in de Kifid-procedure naar voren brengen. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond. Conclusie 4.7 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2215 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juli 2026
