Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-08-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:182

Zaaknummer

25-434/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Verweerder heeft als dominus litis de keuze kunnen maken om geluidsopnames pas in hoger beroep in te brengen. Niet gebleken dat een grief tardief is aangevoerd door toedoen van verweerder. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 augustus 2026 in de zaak 25-434/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager gemachtigde: mr. drs. H.G.W. Sterk

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 16 mei 2024 (ontvangen op 12 juni 2024) heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 26 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K123 2024 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 december 2025. Daarbij waren klager, zijn gemachtigde en verweerder aanwezig. Klager heeft tijdens de zitting een wrakingsverzoek ingediend. 1.4    Bij beslissing van 19 januari 2026 (ECLI:TADRAMS:2026:16) is het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard. 1.5    De klacht is verder behandeld op de zitting van de raad van 22 juni 2026, in deels gewijzigde samenstelling. Daarbij waren klager, zijn gemachtigde en verweerder aanwezig.  1.6    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 1 december 2025 en van verweerder van 6 maart 2026.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Verweerder heeft klager bijgestaan in een arbeidsrechtelijk geschil met het bedrijf waar hij via detachering in dienst was over de vraag of er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangeboden. Verweerder heeft namens klager een dagvaarding uitgebracht, waarin hij zich op het standpunt stelt dat aan klager een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangeboden en dat dit zou blijken uit een e-mail d.d. 8 oktober 2018 en een brief d.d. 31 januari 2019 vanuit het bedrijf waar klager werkzaam was. Een gespreksopname tussen klager en zijn toenmalige leidinggevende, waaruit (ook) zou volgen dat klager een contract voor onbepaalde tijd moet krijgen, heeft verweerder niet bij de dagvaarding gevoegd. 2.3    Op 7 februari 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zittingsaantekeningen van de griffier daarvan behoren tot het dossier. Bij vonnis van 19 april 2022 heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen. 2.4    Verweerder heeft namens klager hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.  2.5    Op 21 maart 2023 heeft verweerder een memorie van grieven ingediend. Bij de memorie van grieven heeft verweerder de gespreksopname wel ingebracht. Verweerder heeft geen transcriptie van de gespreksopname overgelegd.  2.6    Bij arrest van 2 april 2024 heeft het Gerechtshof Amsterdam het vonnis bekrachtigd. Het gerechtshof heeft daarbij melding gemaakt van de geluidsopname en dat het gerechtshof deze opname heeft beluisterd. Ook wordt overwogen dat noch in de memorie van grieven noch ter zitting in hoger beroep is aangegeven welke uitspraak in een opname kan worden opgevat als een toezegging dat aan klager een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn aangeboden, en evenmin aan welke uitspaak hij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen. Ook is geoordeeld dat een grief tardief is ingediend, aangezien deze pas ter zitting in hoger beroep voor het eerst naar voren is gebracht.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. a)    Verweerder heeft geen gedegen verdediging gevoerd, omdat hij tekort is geschoten in het overleggen van bewijsstukken; b)    Verweerder heeft in hoger beroep de gespreksopnames niet overgelegd; c)    Verweerder is tijdens de zitting stilgevallen op de momenten dat hem om een onderbouwing is gevraagd door de rechter; d)    Verweerder heeft belangrijke informatie niet meegenomen in de grieven. Klager heeft in zijn pleitnota ter zitting diverse nieuwe klachtonderdelen aangevoerd. Nieuwe klachten dienen op grond van artikel 46c lid 1 Advocatenwet te worden ingediend bij de deken. Namens klager is ter zitting toegelicht dat enkel acht geslagen hoeft te worden op de klachtonderdelen voor zover deze al in de onderzoeksfase bij de deken naar voren zijn gebracht, zoals die hierboven zijn weergegeven.

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 5.2    Verder heeft de advocaat als dominus litis vrijheid in de wijze waarop hij een zaak wil behandelen, waaronder in het beoordelen welke producties dienstbaar zijn of afbreuk doen aan de zaak. Dat geldt ook voor het weigeren om bepaalde schadeposten op te nemen. Klachtonderdeel a) 5.3    De raad stelt vast dat het arbeidsrechtelijk geschil ging om de vraag of er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan klager is aangeboden. Klager en verweerder stelden zich op het standpunt dat dat wel het geval was, terwijl de wederpartij stelde van niet. 5.4    Verweerder heeft toegelicht bewust de keuze te hebben gemaakt om in eerste aanleg de geluidsopnames niet over te leggen, maar te volstaan met de in 2.2 genoemde e-mail en brief, die al voldoende zouden moeten zijn ter onderbouwing van het genoemde standpunt.  5.5    Uit de zittingsaantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling in eerste aanleg blijkt dat verweerder deze e-mail en brief heeft genoemd ter onderbouwing van het standpunt dat een contract voor onbepaalde tijd aan klager is aangeboden. Uit die zittingsaantekeningen blijkt verder dat klager op een gegeven moment heeft gezegd dat een dergelijke toezegging ook mondeling aan hem is gedaan en dat hij daar opnames van heeft. Nadat de wederpartij heeft gevraagd of het de bedoeling is de opnames te gaan beluisteren, heeft verweerder uitgelegd dat het om meerdere opnames met toezeggingen gaat. Vervolgens gaat de mondelinge behandeling verder, komen nog één keer de opnames (kort) ter sprake en sluit de kantonrechter op een gegeven moment de mondelinge behandeling af met de mededeling dat vonnis zal volgen. De raad stelt vast dat verweerder de opnames niet heeft ingebracht, en evenmin als bewijs heeft aangeboden.  5.6    In hoger beroep heeft verweerder ervoor gekozen om de geluidsopnames wél te verstrekken. 5.7    De raad kan zich voorstellen dat het wellicht meer voor de hand had gelegen om de opnames reeds in eerste aanleg in te brengen. Het gaat immers om een potentieel belangrijk bewijsmiddel van een voor de uitkomst van de procedure cruciale stelling. Echter, dat maakt niet dat dit klachtonderdeel gegrond is. Aan verweerder komt, zoals hierboven in 5.2 overwogen, als dominus litis een bepaalde (keuze)vrijheid toe in het beoordelen welke producties dienstbaar zijn of afbreuk doen aan de zaak. De keuze om de opnames pas in hoger beroep in te brengen, ligt dus in beginsel bij verweerder. De raad overweegt overigens dat ook in hoger beroep, na inbrenging van de opnames, een voor klager onwelgevallige beslissing is genomen, zodat het de vraag is of de kantonrechter anders had besloten als verweerder toen al de opnames had ingebracht. Klachtonderdeel a) is ongegrond. Klachtonderdeel b) 5.8    Uit het arrest van het gerechtshof volgt dat de gespreksopnames wel zijn overgelegd, echter zonder in de memorie van grieven en/of ter zitting in hoger beroep aan te geven welke uitspraak in een opname kan worden opgevat als een toezegging dat aan klager een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn aangeboden, en evenmin aan welke uitspraak in een opname klager het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen. 5.9    Het klachtonderdeel, inhoudende dat in hoger beroep de opnames ook niet zijn overgelegd, komt dan ook niet overeen met de feitelijke gang van zaken. Voor zover klager heeft bedoeld dat verweerder geen transcripties van de gespreksopnames heeft overgelegd, is de raad van oordeel dat dat wellicht zorgvuldiger was geweest, maar dat dat niet maakt dat verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dergelijke transcripties zijn niet vereist en de gespreksopnames zijn door het gerechtshof beluisterd. Klachtonderdeel b) is ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.10    Bij gebrek aan feitelijke onderbouwing van dit klachtonderdeel, kan de raad niet vaststellen wat er tijdens de zitting is gebeurd. Verweerder heeft ook betwist dat hij stil is gebleven op vragen van de rechter. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de raad dan ook niet gebleken. Verweerder heeft ter zitting bovendien toegelicht dat hij op vragen van rechters eerst goed wil nadenken voordat hij antwoord geeft. Dat acht de raad niet onzorgvuldig. Klachtonderdeel c) is ongegrond. Klachtonderdeel d) 5.11    Klager heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel gewezen op het oordeel van het gerechtshof dat een van de grieven tardief is aangevoerd. Ook zou verweerder in de memorie van grieven onvoldoende hebben aangegeven op welke wijze het verloop van de re-integratie van klager had meegespeeld, terwijl dat veel duidelijkheid had kunnen verschaffen over de ontstane situatie.  5.12    Het is de raad niet gebleken dat verweerder op deze punten niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. De raad weegt daarin mee dat verweerder zijn processtukken met klager heeft afgestemd en kennelijk daarop diens goedkeuring heeft gekregen. Niet gebleken is dat de betreffende grief door toedoen van verweerder pas voor het eerst ter zitting is aangevoerd. Dat het verhaal over de re-integratie volgens klager mogelijk duidelijkheid had kunnen bieden, wordt gesteld, maar het is de raad niet gebleken dat dit daadwerkelijk tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Van klachtwaardig handelen is niet gebleken. Klachtonderdeel d) is ongegrond.  Conclusie 5.13    De raad zal alle klachtonderdelen ongegrond verklaren. 

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A. Schaberg en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 3 augustus 2026