Rechtspraak
Uitspraakdatum
06-08-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:257
Zaaknummer
260318
Inhoudsindicatie
Klacht over deken niet verwezen. Uit de mail waarin klager zijn klacht over de deken heeft ingediend, kan worden opgemaakt dat klager vindt dat de deken op basis van de door hem aangereikte informatie onderzoek moet doen. Het opvragen van een inventarislijst in reactie op de klacht van klager over mr. van D, is naar het oordeel van de voorzitter geen klachtwaardige reactie van de deken maar een -geoorloofd- verzoek om aanvulling/ verduidelijking van de klacht. Als klager opmerkingen heeft over het dekenonderzoek, dan kan hij deze, na afronding van het dekenale onderzoek en na betaling van het verschuldigde griffierecht, desgewenst voorleggen aan de tuchtrechter. Gelet hierop zal de klacht niet worden doorverwezen.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 6 augustus 2026
in de zaak 260318
naar aanleiding van de klacht van:
klager
mr. I. Aardoom-Fuchs
advocaat en deken te Den Haag
de deken
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 2 augustus 2026 van klager. Hierin verzoekt klager aan de voorzitter van het hof een klacht over de deken te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling.
1.2 Klager stelt dat het de taak van de deken is om op basis van de door hem aangereikte informatie onderzoek te doen. Hij wijst erop dat de werkwijze van de deken van Den Haag in sterke mate afwijkt van die van de dekens van Rotterdam en Zeeland. Dit baart klager ernstige zorgen, vooral als persoon met een onbeschermde status. Dit onderstreept volgens klager de kwetsbaarheid van de normale burger. Klager heeft alle benodigde informatie via het webformulier verstrekt en verwacht dat deze in het onderzoek wordt meegenomen. Als de deken van Den Haag spelletjes wil spelen, zijn ze aan het juiste adres, aldus klager.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Naar aanleiding van de klacht van klager over mr. van D van 15 juni 2026, heeft de deken aan klager bericht dat uit het webformulier is opgemaakt dat de klacht betrekking heeft op de declaraties van mr. van D. Op voorhand is opgemerkt dat de tuchtrechter niet bevoegd is declaratiegeschillen (de hoogte daarvan) te beoordelen, maar slechts waakt tegen excessief declareren. De raad van discipline kan in principe geen schadevergoeding vaststellen, zoals een gewone rechter dat kan. Wel kan de raad eventueel een voorwaardelijke maatregel opleggen; als de advocaat de schade (max. € 5.000,00) vergoedt, krijgt hij geen maatregel opgelegd. Dat zal overigens alleen gebeuren als het te betalen bedrag eenvoudig is vast te stellen. Als de klacht een geschil over de declaratie van de advocaat betreft, kan het effectiever zijn de zaak via een geschillenregeling voor te leggen aan de bevoegde instantie. Vastgesteld is dat het kantoor niet is aangesloten bij de Geschillencommissie Advocatuur. Aan klager is meegedeeld dat hij ook achteraf met de advocaat kan afspreken dat hij het geschil voorlegt aan de geschillencommissie. Klager kan ook eventueel een procedure bij de civiele rechter tegen mr. van D aanspannen. Voor meer informatie hierover is aan klager geadviseerd om contact op te nemen met het Juridisch Loket.
2.3 Verder is aan klager, onder verwijzing naar artikel 2.7 van de Leidraad dekenaal klachtonderzoek 2026, verzocht de door hem toegezonden bijlagen te voorzien van een inventarislijst en te nummeren.
2.4 Uit het voorgaande blijkt dat de deken de klacht van klager in behandeling heeft genomen en aan klager heeft gevraagd om een inventarislijst in de dienen. Uit de mail waarin klager zijn klacht over de deken heeft ingediend, kan worden opgemaakt dat klager vindt dat de deken op basis van de door hem aangereikte informatie onderzoek moet doen. Het opvragen van een inventarislijst in reactie op de klacht van klager over mr. van D, is naar het oordeel van de voorzitter geen klachtwaardige reactie van de deken maar een -geoorloofd- verzoek om aanvulling/ verduidelijking van de klacht. Als klager opmerkingen heeft over het dekenonderzoek, dan kan hij deze, na afronding van het dekenale onderzoek en na betaling van het verschuldigde griffierecht, desgewenst voorleggen aan de tuchtrechter. Gelet hierop zal de klacht niet worden doorverwezen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 6 augustus 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 6 augustus 2026.
