Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-07-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:154

Zaaknummer

25-639/AL/OV

Inhoudsindicatie

Ongegrond verzet.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2026 in de zaak 25-639/AL/OV

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 12 januari 2026 op de klacht van:

klaagster gemachtigde: [naam gemachtigde]

over

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 22 maart 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten Overijssel een klacht over verweerder ingediend. Op verzoek van klaagster is deze klacht aangehouden in afwachting van de uitkomst van een mediationtraject. Op 15 januari 2025 heeft klaagster te kennen  gegeven dat de klachtenprocedure kan worden vervolgd. Op 12 maart 2025 is de klacht, nadat de gevraagde toelichting op de klacht door klaagster is ontvangen, door de deken in behandeling genomen.

1.2    Op 22 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 233165 van de deken ontvangen. 

1.3    Bij beslissing van 12 januari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht over de gestuurde factuur kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige kennelijk ongegrond. Op 30 januari 2026 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 

1.4    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 8 mei 2026. Daarbij waren klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder aanwezig. 

1.5    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 23 april 2026 van klaagster.

 

2    VERZET

2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

I)    de voorzitter heeft een te beperkt toetsingskader gehanteerd;

II)    de voorzitter heeft de structurele context van het geschil en het patroonmatige karakter onvoldoende meegewogen door slechts uit te gaan van een op zichzelf staand incident;

III)    de voorzitter heeft relevante tuchtrechtelijke normen niet of onvolledig toegepast en miskend dat klaagster op ernstige wijze in haar belangen is geschaad;

IV)    de voorzitter heeft miskend dat sprake is van een verzwaarde zorgplicht in dit specifieke geval waarin al jarenlang sprake is van geschillen met de (voormalig) VvE-bestuurder, die door verweerder is bijgestaan;

V)    de voorzitter heeft een klachtonderdeel ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat klaagster als VvE-lid wel degelijk in haar financiële belangen is geschaad door de facturering aan de VvE.

2.2    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.

 

3    FEITEN EN KLACHT

Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

 

4    BEOORDELING

4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2    De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. De raad begrijpt dat de geschillen binnen de VvE voor klaagster en haar echtgenoot emotievol zijn en impact op hun leven hebben. Dat alleen is echter niet voldoende om verweerder van zijn optreden in de procedure ook tuchtrechtelijk een verwijt te maken. 

4.3    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. P.Th. Mantel en N.C. Milani, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.

Griffier    Voorzitter  

 

Verzonden op : 13 juli 2026