Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-08-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:184
Zaaknummer
25-505/DH/DH
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 augustus 2026 in de zaak 25-505/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 1 oktober 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster gemachtigde: mr. R. Sanders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 18 april 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 29 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K091 2024 van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 1 oktober 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. 1.4 Op 31 oktober 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 22 juni 2026. Daarbij waren klager, verweerster en de gemachtigde van verweerder aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in: 2.2 De voorzitter heeft de tuchtrechtelijke toetsing van het gedrag van verweerster verward met de inhoudelijke beoordeling van het bestuursrechtelijke geschil. De voorzitter heeft met juistheid geoordeeld dat een oordeel over het vermeende misbruik van de Wet open overheid (hierna: de Woo) is voorbehouden aan de bestuursrechter, maar de voorzitter heeft nagelaten om het gedrag van verweerster te beoordelen aan de gedragsnormen voor de advocatuur. Ook had de voorzitter moeten meewegen dat verweerster te laat heeft gewezen op artikel 4.6 van de Woo. 2.3 De voorzitter heeft over klachtonderdeel c) ten onrechte geoordeeld dat dit klachtonderdeel niet geconcretiseerd is, terwijl klager dat wel heeft gedaan. Bovendien heeft de voorzitter ook hier nagelaten om het gedrag van verweerster te beoordelen aan de tuchtrechtelijke maatstaf. 2.4 De voorzitter heeft bij klachtonderdeel d) een fundamenteel verkeerde tuchtrechtelijke toetsing verricht. De klacht richtte zich op een overtreding van gedragsregel 1 en niet primair gedragsregel 3. Het had op de weg gelegen van verweerster als privacyrecht-advocaat om geen stukken in te dienen die geen enkel procesbelang dienden, zeker wanneer deze een vertrouwelijk of schadelijk karakter hebben. Ook hier heeft de voorzitter nagelaten om het gedrag van verweerster tuchtrechtelijk te toetsen. 2.5 De voorzitter heeft bij klachtonderdeel e) ten onrechte geoordeeld dat de klacht een feitelijke grondslag ontbeert. Klager heeft dat wel voldoende geconcretiseerd. Ook had de voorzitter de uitlating moeten toetsen aan de norm of deze onnodig grievend is en of verweerster zich discreet, eerlijk en waardig heeft gedragen. 2.6 De voorzitter heeft klachtonderdeel g) ten onrechte afgewezen omdat het handelen van de kantoorgenoot van verweerster betreft en omdat klager geen belang zou hebben bij de kosten die het kantoor bij de cliënte van verweerster in rekening brengt. De voorzitter miskent daarmee de reikwijdte van het tuchtrecht en gedragsregel 6. Klager wordt als burger en wederpartij direct geconfronteerd met een overheidspartij die onnodige juridische kosten maakt die door de gemeenschap worden gedragen, wat het algemeen belang van een doelmatige rechtsbedeling schendt. Ook kon het gedrag van verweerster niet door de bestuursrechter worden getoetst. 2.7 De voorzitter heeft bij klachtonderdeel h) ten onrechte de bestuursrechtelijke terminologie als niet relevant bestempeld, waardoor hij heeft nagelaten het handelen van verweerster te toetsen aan de professionele zorgvuldigheid die van haar wordt verwacht. Het verstrekken van een onjuiste kwalificatie aan de rechter kan de oordeelsvorming beïnvloeden en is in strijd met de waarheidsplicht en de plicht tot behoorlijke beroepsuitoefening. Het klachtonderdeel was gericht op tuchtrechtelijke toetsing van de nauwkeurigheid van de advocaat, wat niet kan worden getoetst in het bestuursrecht. 2.8 Tegen de vaststaande feiten komt klager in verzet niet op. Over de klachtomschrijving heeft klager gesteld dat de voorzitter de klachtonderdelen niet had mogen samenvatten.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de klachtomschrijving verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. De raad zal hierna ingaan op de eventuele onjuistheid van de klachtsamenvatting, zoals door klager is betoogd.
4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Over de klachtomschrijving heeft klager aangevoerd dat klachtonderdeel d), wat overeenkomt met ‘klacht 1.5’ uit het klaagschrift, onjuist is omdat dit klachtonderdeel zag op overtreding van gedragsregel 1 en niet primair gedragsregel 3. De raad volgt klager hierin niet. In ‘klacht 1.5’ heeft klager uitsluitend gedragsregel 3 genoemd. De voorzitter heeft daar dan ook terecht bij aangesloten. Er hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A. Schaberg en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 augustus 2026
