Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-07-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:197

Zaaknummer

260233

Inhoudsindicatie

Verzoek van de Amsterdamse Orde van Advocaten om een klacht over verweerder te verwijzen naar de raad van discipline in het ressort Den Bosch voor behandeling, omdat de klacht samenhangt met een klacht van klager tegen een advocaat, kantoorhoudend in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Volgens de deken is sprake van zoveel samenhang dat deze klachten het beste gezamenlijk door één raad van discipline behandeld kunnen worden. Uit de stukken blijkt niet dat na het onderzoek door de deken Zeeland-West Brabant van de eerste klacht over verweerder een andere raad van discipline door het hof is aangewezen (op de voet van artikel 46aa, lid 3 of lid 5 Advocatenwet) dan de bevoegde raad, namelijk de raad van discipline in het ressort Amsterdam. Mede gelet op artikel 12 Advocatenwet valt verweerder onder de bevoegdheid van de deken Amsterdam (vgl. HvD 30 maart 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:91) en de raad van discipline in het ressort Amsterdam. Evenmin blijkt uit de overgelegde stukken dat klager gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om, na betaling van het griffierecht, de eerste klacht aanhangig te maken bij de raad van discipline, in ofwel Amsterdam ofwel ’s-Hertogenbosch. Toewijzing van het verzoek zou, gelet op het hof ter beschikking staande informatie, in beginsel tot gevolg hebben dat de eerste klacht in behandeling zou komen van de raad van discipline in het ressort Amsterdam en de tweede klacht bij de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch. Dit is niet wat met het verzoek en met artikel 46aa lid 5 van de Advocatenwet is beoogd. Het verzoek om verwijzing wordt daarom afgewezen.  

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline      van  2 juli 2026 in de zaak 260233   

naar aanleiding van de klacht van:          klager   

tegen:

        verweerder 

 

 

1    HET VERZOEK

De voorzitter van het hof verwijst naar de bij het e-mailbericht van 9 juni 2026 gevoegde brief van dezelfde datum van de stafmedewerker van de Amsterdamse Orde van Advocaten. Hierin is aan de voorzitter van het hof verzocht een klacht over verweerder te verwijzen naar de raad van discipline in het ressort Den Bosch voor behandeling, omdat de klacht samenhangt met een klacht van klager tegen mr. M, advocaat, kantoorhoudend in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Volgens de deken is sprake van zoveel samenhang dat deze klachten het beste gezamenlijk door één raad van discipline behandeld kunnen worden. Opgemerkt is dat mr. M voorheen werkzaam was in Amsterdam, zij is voormalig kantoorgenoot van mr. V.

 

2    DE BEOORDELING

2.1   Op grond van het bepaalde in artikel 46aa lid 5 van de Advocatenwet kan de klacht van klager tegen verweerder onder meer worden verwezen naar een raad in een ander ressort dan waar verweerder kantoor houdt indien tussen klachten een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling bij één raad van discipline rechtvaardigen. In de brief van 9 juni 2026 is toegelicht dat op 12 april 2025 klager al een klacht tegen mr. M en verweerder heeft ingediend (hierna: eerste klacht).  Deze twee klachten zijn onderzocht door de deken Zeeland-West Brabant nadat verweerder ermee heeft ingestemd dat deze deken in plaats van de voor hem bevoegde deken, de deken in het arrondissement Amsterdam, dit onderzoek zou verrichten. Het onderzoek door de deken Zeeland-West-Brabant is inmiddels voltooid (naar het hof begrijpt in mei 2026). 

2.2   Het verzoek in de brief van 9 juni 2026 betreft een door klager op 26 december 2025 ingediende tweede klacht tegen verweerder (hierna: tweede klacht). De tweede klacht over verweerder vertoont samenhang met de eerste klacht tegen mr. M en verweerder, omdat beide klachten zich (onder meer) richten op (de vergoeding voor) de dienstverlening.

2.3  Uit de bij de brief van 9 juni 2026 overgelegde stukken blijkt niet dat na het onderzoek door de deken Zeeland-West Brabant van de eerste klacht over verweerder een andere raad van discipline door het hof is aangewezen (op de voet van artikel 46aa, lid 3 of lid 5 Advocatenwet) dan de bevoegde raad, namelijk de raad van discipline in het ressort Amsterdam. Mede gelet op artikel 12 Advocatenwet valt verweerder onder de bevoegdheid van de deken Amsterdam (vgl. HvD 30 maart 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:91) en de raad van discipline in het ressort Amsterdam. Evenmin blijkt uit de overgelegde stukken dat klager gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om, na betaling van het griffierecht, de eerste klacht aanhangig te maken bij de raad van discipline, in ofwel Amsterdam ofwel ’s-Hertogenbosch.

2.4  Toewijzing van het verzoek in de brief van 9 juni 2026 zou, gelet op het hof ter beschikking staande informatie, in beginsel tot gevolg hebben dat de eerste klacht in behandeling zou komen van de raad van discipline in het ressort Amsterdam en de tweede klacht bij de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch. Dit is niet wat met het verzoek en met artikel 46aa lid 5 van de Advocatenwet is beoogd.

2.5  Het verzoek om verwijzing wordt daarom afgewezen.

 

3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst het verzoek om voor de tweede klacht de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch aan te wijzen af .

Deze beslissing is genomen op 2 juli 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 2 juli 2026.