Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-07-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:196

Zaaknummer

260161

Inhoudsindicatie

Klacht over deken wordt niet verwezen op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Een klacht over een deken is geen middel om de inhoud van een aanwijzingsbesluit waar klager zich niet in kan vinden ter discussie te stellen, nu daartegen de beklagprocedure op grond van artikel 13 lid 3 Advocatenwet openstaat. Door de inhoud van twee aanwijzingsbesluiten in de klachtprocedure (opnieuw) ter discussie te stellen, gebruikt klager het klachtrecht voor een ander doel dan waarvoor het klachtrecht is bedoeld. Dat beschouwt het hof als misbruik van het klachtrecht.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline     van 2 juli 2026     in de zaak 260161      naar aanleiding van een klacht van:      

 

klager      over:

mr. I. Aardoom-Fuchs advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag     de deken

 

1    HET VERZOEK

1.1    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van het Bureau van de Haagse Orde van 24 april 2026, met als bijlage een e-mail van klager van 15 april 2026, waarmee klager een klacht over de deken heeft ingediend. 

1.2    Klager heeft de klacht ingediend naar aanleiding van een tweetal afwijzende beslissingen van de deken van 3 maart respectievelijk 15 april 2026, op het verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat voor een herzieningsprocedure bij de Hoge Raad en ter voorbereiding van een klacht bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

2    DE BEOORDELING

2.1    Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. Het hof beschouwt de e-mail van klager van 15 april 2026 als een verzoek tot verwijzing in de zin van dit artikel. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2    De voorzitter wijst erop dat een klacht tegen een deken geen middel is om de inhoud van een aanwijzingsbesluit waar klager zich niet in kan vinden ter discussie te stellen, nu daartegen andere rechtsmiddelen openstaan. Daarbij gaat het om de beklagprocedure op grond van artikel 13 lid 3 Advocatenwet. Op 15 april 2026 heeft klager bij het hof reeds beklag ingediend tegen de hiervoor genoemde aanwijzingsbesluiten. Op 21 april 2026 is de ontvangst daarvan aan klager bevestigd en is aan klager meegedeeld dat het hof van plan is het beklag in raadkamer te beoordelen op basis van de schriftelijke stukken en dat het hof daarover vervolgens uiterlijk op 13 juli 2026 uitspraak zal doen. Door de inhoud van de aanwijzingsbesluiten nu in deze klachtprocedure (opnieuw) ter discussie te stellen, gebruikt klager het klachtrecht voor een ander doel dan waarvoor het klachtrecht is bedoeld. Dat beschouwt het hof als misbruik van het klachtrecht.

2.3    Op grond van het vorenstaande zal de voorzitter de klacht dan ook niet verwijzen.

3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 2 juli 2026 door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 2 juli 2026.