Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-07-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:195

Zaaknummer

260162

Inhoudsindicatie

Klacht over deken wordt niet verwezen op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. De beslissing van de deken om tijdens het lopende onderzoek naar de door klager ingediende klacht over een advocaat geen re- en dupliek te laten plaatsvinden is een procedurele beslissing in het kader van het klachtonderzoek. Het klachtrecht is geen middel om een dergelijke beslissing van de deken ter discussie te stellen. Het tuchtrecht zoals beschreven in de Advocatenwet is alleen van toepassing op advocaten. Er is dus geen grondslag voor een onderzoek door een deken naar een over de stafjurist of de adjunct-secretaris ingediende klacht.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline     

van 2 juli 2026     

in de zaak 260162          

naar aanleiding van een klacht van:              klager      over:

1.    mr. E.W.J. de Groot advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant

de deken

en

2.    mr. L stafjurist bij de Orde van Advocaten Zeeland-West-Brabant

de stafjurist

3.    mr. M adjunct-secretaris bij de Orde van Advocaten Zeeland-West-Brabant

de adjunct-secretaris

 

1    HET VERZOEK

1.1    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 10 april 2026 van de deken, met bijlagen, waaronder e-mails van klager van 3 en 4 april 2026, met bijlagen. Daarmee heeft klager een klacht ingediend over de deken en de stafjurist. De deken heeft de klacht op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet naar het hof gestuurd.

1.2    Bij e-mail van 3 april 2026 heeft klager de klacht, met bijlagen, ook rechtstreeks naar het hof gestuurd. Klager verzoekt het hof: 1.    onderzoek te doen naar de handelwijze van de deken en de stafjurist; 2.    vast te stellen dat sprake is van een schending van hoor en wederhoor; 3.    te erkennen dat de procedure onzorgvuldig en oneerlijk is verlopen; 4.    passende maatregelen te treffen, waaronder: -    heropening van de klachtprocedure; -    of een onafhankelijke beoordeling. 

1.3    Klager klaagt over de wijze waarop de deken, ondersteund door de stafjurist, een klacht van klager over een advocaat heeft behandeld. Klager stelt zich op het standpunt dat de gevolgde procedure is strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor en het beginsel van equality of arms en daarmee met artikel 6 EVRM, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het verweer van de betreffende advocaat, maar de deken gelijk zijn visie op de klacht heeft gegeven. Verder is volgens klager gehandeld in strijd met de Leidraad Dekenale Klachtbehandeling en de zorgvuldigheidsnormen uit de Advocatenwet.

1.4      Bij e-mail van 10 april 2026 heeft klager een correctie op zijn klacht aangebracht en meegedeeld dat de klacht is gericht tegen de deken voornoemd, en heeft klager zijn klacht aangevuld. Klager heeft aangevoerd dat er sprake is van een nieuwe zelfstandige klacht ten aanzien van de deken en de adjunct-secretaris, voor zover zij inhoudelijk betrokken is geweest bij de behandeling en/of verantwoordelijkheid draagt binnen het betreffende dossier. Klager heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de klacht ten onrechte rechtstreeks naar het hof is doorgestuurd, terwijl deze eerst had moeten worden voorgelegd aan een andere, onafhankelijke deken. Daardoor is de procedure volgens klager onzorgvuldig en juridisch gebrekkig verlopen. Klager verzoekt het hof: 1.    deze nieuwe klacht in behandeling te nemen; 2.    te bevestigen dat een onafhankelijke deken wordt aangewezen; 3.    de huidige, onjuist ingestelde procedure op te schorten; 4.    te waarborgen dat de verdere behandeling plaatsvindt conform wet- en regelgeving. 

2    DE BEOORDELING

Ten aanzien van de klacht over de deken

2.1      Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet worden klachten over een deken ingediend bij of terstond doorgezonden aan de voorzitter van het hof van discipline, waarna de voorzitter de klacht in beginsel verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te onderzoeken en af te handelen. De voorzitter zal de onderhavige klacht echter niet naar een deken van een andere orde verwijzen en licht dit als volgt toe.

2.2    De beslissing van de deken om tijdens het lopende onderzoek naar de door klager ingediende klacht over een advocaat geen re- en dupliek te laten plaatsvinden is een procedurele beslissing in het kader van het klachtonderzoek. Het klachtrecht is geen middel om een dergelijke beslissing van de deken ter discussie te stellen.

2.3     Klager had, na afronding van het onderzoek door de deken en betaling van het griffierecht, zijn klacht kunnen laten toetsen door de Raad van Discipline en binnen de kaders van die procedure had klager ook zijn klachten over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen aan de raad kunnen voorleggen. Dat klager hiervan kennelijk heeft afgezien door het griffierecht niet te betalen is een omstandigheid die voor risico van klager komt en blijft. 

 

Ten aanzien van de klachten over de stafjurist en de adjunct-secretaris

2.4    De stafjurist en de adjunct-secretaris zijn niet ingeschreven op het tableau als advocaat. Het tuchtrecht zoals beschreven in de Advocatenwet is alleen van toepassing op advocaten. Er is dus geen grondslag voor een onderzoek door een deken naar een over de stafjurist of de adjunct-secretaris ingediende klacht. De voorzitter zal de klacht over de stafjurist en de adjunct-secretaris dan ook niet naar een deken van een andere orde verwijzen voor onderzoek en afhandeling.

 

Slotsom

2.5 Op grond van het vorenstaande zal het hof de klacht niet verwijzen. Artikel 46c lid 5 Advocatenwet geeft het hof niet de bevoegdheid de klacht zelf te onderzoeken. Het hof heeft ook niet de bevoegdheid de klachten naar een andere onafhankelijke instantie ter verwijzen voor nader onderzoek en afhandeling. Aan de verzoeken van klager op deze punten gaat het hof dan ook voorbij. 

3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst de verzoeken van klager af.

Deze beslissing is genomen op 2 juli 2026 door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 2 juli 2026.