Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-06-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:168

Zaaknummer

260177

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. De klacht die klager over de deken heeft ingediend heeft betrekking op het onderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. L. De klacht van klager over de deken kan daarom niet los worden gezien van de klacht van klager over mr. L. Om die reden is er van een zelfstandige klacht over de deken geen sprake. Als klager de klacht over mr. L niet had ingetrokken had klager, na betaling van het griffierecht, die klacht kunnen voorleggen aan en laten beoordelen door de raad. Binnen de kaders van die procedure had klager naar voren kunnen brengen op welke punten het vooronderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. L (in het bijzonder de visie van de deken dat klager daarbij geen eigen belang zou hebben) niet deugde, en de raad tot een andere conclusie had behoren te komen dan de deken. De raad is namelijk (evenals het hof) niet gebonden aan de bevindingen van de deken uit hoofde van het vooronderzoek. 

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline      van 4 juni 2026  in de zaak 260177      naar aanleiding van de klacht van:              klager      

tegen:

de deken 

 

1    HET VERZOEK

1.1    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 18 mei 2026 waarin klager een klacht over de deken heeft ingediend bij de Orde van Advocaten Rotterdam. Deze klacht is op dezelfde dag door de deken doorgeleid naar het hof van discipline met het verzoek de klacht in behandeling te nemen. 

1.2    Klager heeft op 19 mei 2026 een schriftelijke toelichting gegeven op de door hem ingediende klacht over de deken. Daarin geeft klager aan dat zijn klacht betrekking heeft op de wijze waarop de deken het vooronderzoek ex artikel 46c lid 3 Advocatenwet heeft verricht inzake de klacht van klager over mr. L, in het bijzonder de visie van de deken op deze klacht. Klager heeft zijn klacht over mr. L op 21 april 2026 ingetrokken. 

2    DE BEOORDELING

2.1    Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2    Klager voert aan dat hij een zelfstandig belang heeft bij de klacht over de deken ondanks het feit dat klager de aan het vooronderzoek van de deken ten grondslag liggende klacht over mr. L heeft ingetrokken. 

2.3    Volgens klager heeft de deken in zijn visie op de klacht van klager over mr. L ten onrechte gesteld dat klager daarbij geen eigen belang heeft en de deken om die reden verwacht dat deze klacht niet-ontvankelijk althans kennelijk ongegrond zal worden verklaard door de raad van discipline (hierna: de raad). Die visie leidt volgens klager tot een onjuiste voorstelling van zaken die op de behandeling door de raad belangrijke, zo niet bepalende invloed heeft. Door deze handelwijze heeft de deken zijn vooronderzoek niet professioneel verricht en die tekortkoming leidt er volgens klager toe dat de deken het vertrouwen in de advocatuur en de voor de deken geldende maatstaven heeft geschaad alsook het belang van klager.

2.4    In tegenstelling tot wat klager opmerkt, heeft de klacht die klager over de deken heeft ingediend – mede gelet op de toelichting die klager daarop geeft en de door klager meegestuurde bijlagen – betrekking op het onderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. L. De klacht van klager over de deken kan daarom niet los worden gezien van de klacht van klager over mr. L. Om die reden is er van een zelfstandige klacht over de deken geen sprake. Als klager de klacht over mr. L niet had ingetrokken had klager, na betaling van het griffierecht, die klacht kunnen voorleggen aan en laten beoordelen door de raad. Binnen de kaders van die procedure had klager naar voren kunnen brengen op welke punten het vooronderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. L (in het bijzonder de visie van de deken dat klager daarbij geen eigen belang zou hebben) niet deugde, en de raad tot een andere conclusie had behoren te komen dan de deken. De raad is namelijk (evenals het hof) niet gebonden aan de bevindingen van de deken uit hoofde van het vooronderzoek. 

2.5    Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzitter de klacht over de deken niet zal verwijzen waarmee aan de overige verzoeken van klager, waartoe het hof overigens ook geen wettelijke bevoegdheid heeft, niet wordt toegekomen.

 

3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

- wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 4 juni 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 4 juni 2026.