Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:118
Zaaknummer
25-641/DH/RO
Inhoudsindicatie
Gegrond verzet: in de voorzittersbeslissing is het juiste toetsingskader opgenomen, maar dit is niet juist toegepast. Anders dan de voorzitter, is de raad van oordeel dat klager in december 2021 weliswaar het volledige dossier heeft ontvangen, maar dat niet van hem verwacht wordt dat hij dat volledig nakijkt. Pas in mei 2022 is klager bekend geworden met de e-mailwisseling van september 2021. De klacht is dan ook ontvankelijk. Verweerder was echter niet gehouden de betreffende mailwisseling met klager te delen, omdat deze gen belangrijke c.q. relevante informatie bevatte. De mailwisseling zag namelijk op een heel andere situatie. Klacht daarom ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 mei 2026 in de zaak 25-641/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 19 november 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 12 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 22 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/087 van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 19 november 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht niet-ontvankelijk verklaard, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet. Deze beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen. 1.4 Op 25 november 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 13 april 2026. Daarbij waren klager, vergezeld van zijn vrouw, en verweerder aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift (met bijlagen). Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 21 oktober 2025 en de reactie daarop van verweerder van 5 november 2025.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen. Klager stelt dat sprake is van een verkeerde maatstaf en van onjuiste of onvolledige feiten. Hij stelt dat de klacht (onderdeel c) ziet op het verzwijgen van de cruciale informatie dat een civiele procedure wél mogelijk was mét behoud van de BouwGarant-garantie. Klager wijst op de mailwisseling van 22-23 september 2021 die niet met hem is gedeeld. Klager raakte daar pas op 25 mei 2022 mee bekend, toen zijn nieuwe advocaat hem daarop wees. Dat is dan ook het enige juiste startmoment van de klachttermijn en de klacht is tijdig ingediend. 2.2 Klager stelt verder dat er ten onrechte geen hoorzitting is gehouden, terwijl daar wel om is verzocht. Daarmee is de klacht niet zorgvuldig behandeld. 2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet (verder) niet op.
3 FEITEN 3.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 3.2 Vanaf 17 juni 2020 heeft verweerder klager en zijn vrouw bijgestaan in een geschil met de aannemer over de (kwaliteit van de) bouw van hun nieuwbouwwoning. 3.3 In de Nieuwbouwgarantieregeling van BouwGarant is onder meer opgenomen: “9 Verplichtingen van de opdrachtgever bij een schademelding lid 5 Na ontvangst van de in lid 4 bedoelde aangetekende brief, dient de opdrachtgever het geschil met de deelnemer binnen een redelijke termijn ter beoordeling voor te leggen aan de Geschillencommissie Verbouwingen (http://www.degeschillencommissie.nl/home). (…) 15 Geschillen lid 2 Alle geschillen tussen BouwGarant/verzekeraars en de opdrachtgever naar aanleiding van de BouwGarant Nieuwbouwgarantieregeling 2013(…) zullen worden beslecht door de Geschillencommissie (…) of de gewone rechter. 3.4 Op 8 april 2021 heeft verweerder per e-mail aan BouwGarant gevraagd of de keuze voor geschilbeslechting door de Raad van Arbitrage voor de Bouw invloed heeft op de toepasselijkheid van de Nieuwbouwgarantieregeling. 3.5 Diezelfde dag heeft BouwGarant als volgt gereageerd: “Conform de garantieregeling is het van belang dat een opdrachtgever gebruik maakt van de Geschillencommissie. Deze kan indien nodig een vertaling maken naar de NieuwbouwGarantieregeling. De Raad van Arbitrage heeft deze mogelijkheid niet.” 3.6 Op 12 april 2021 stuurt verweerder deze e-mail door aan klager. Verweerder schrijft daarbij onder meer: “Hieronder de reactie van Bouwgarant. Om een eventuele aansprakelijkheid op de Nieuwbouwgarantieregeling te behouden is het van belang dat er gebruik wordt gemaakt van de Geschillencommissie. De keuze is dus, kort gezegd, procederen bij de RvA zonder garantieregeling of bij de Geschillencommissie met garantieregeling. Hoewel procederen bij de Geschillencommissie jullie en mijn voorkeur niet heeft, adviseer ik jullie om dit zo nodig toch te doen. De kans dat aanspraak moet worden gemaakt op de garantieregeling acht ik gezien de aard en ernst van de bestaande problematiek niet onaanzienlijk." 3.7 Daarop heeft klager als volgt gereageerd bij e-mail van 13 april 2021: “Aan de objectiviteit van de Geschillencommissie hebben we grote twijfels. (…) Kortom, we hebben geen goed gevoel bij De Geschillencommissie, we hebben ook meerdere negatieve ervaringen ermee gehad.” 3.8 Op 15 april 2021 heeft verweerder in een e-mail aan klager onder meer geschreven: “Op zich is het niet noodzakelijk om een geschil voor te leggen aan de Geschillencommissie. Er is ook een mogelijkheid om de zaak voor te leggen aan de gewone rechter (…). Consequentie daarvan kan dan wel zijn, dat er geen beroep op de Nieuwbouwgarantieregeling mogelijk is.” 3.9 Op 22 september 2021 heeft verweerder per e-mail aan Bouwgarant geschreven: “Aanvullend hierop toch nog een vraag: is een beroep op de NieuwBouwgarantieregeling ook mogelijk met een vonnis van de overheidsrechter? De gewone rechter is op grond van artikel 15 lid 2 van de Bouwgarant Nieuwbouwgarantieregeling 2013 – naast de Geschillencommissie – namelijk ook bevoegd om over het geschil te oordelen.” 3.10 Op 23 september 2021 heeft BouwGarant aan verweerder geschreven: “Conform de algemene voorwaarden kan een opdrachtgever ook gebruik van Geschillencommissie Verbouw & Nieuwbouw dan wel de gewone rechter.” 3.11 Op 3 december 2021 heeft verweerder gemotiveerd aan klager laten weten dat het noodzakelijke vertrouwen van klager in verweerder om de zaak te kunnen voortzetten ontbreekt. Verweerder heeft om die reden besloten zijn werkzaamheden te beëindigen. 3.12 Op 17 december 2021 heeft de vrouw van klager het dossier opgevraagd bij verweerder. Verweerder heeft haar diezelfde dag laten weten dat zij het hele dossier digitaal van verweerders secretaresse hebben ontvangen. 3.13 Mr. B heeft het dossier van klager bestudeerd. Hij heeft naar aanleiding daarvan op 19 januari 2022 aan klager gemotiveerd geschreven dat hem geen beroep op de Nieuwbouwgarantieregeling toekomt en dat een bepaling van het Reglement Geschillencommissie niet is nageleefd Mr. B schrijft dat hij de kans groot acht dat de Geschillencommissie klager niet-ontvankelijk zal verklaren. Mr. B heeft klager erop gewezen dat het geschil ook bij de rechtbank kan worden aangebracht. 3.14 Op 26 januari 2022 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld. In de e-mail schrijft klager onder meer: “We zijn nog niet van de schrik bekomen dat je éénzijdig en abrupt onze samenwerking hebt beëindigd, wat we niet kunnen plaatsen. Nu blijkt dat je grote fouten hebt gemaakt waardoor we niet meer bij de geschillencommissie terecht kunnen en geen aanspraak meer kunnen doen op de garantieregeling van Bouwgarant, zie bijgaande email.” Als bijlage is de e-mail van mr. B. van 19 januari 2022 gevoegd. 3.15 Op 24 mei 2022 heeft klager aan zijn nieuwe advocaat mr. V onder meer gevraagd of er toch naar de gewone rechter kan worden gegaan en aanspraak kan worden gemaakt op het garantiefonds. 3.16 Op 25 mei 2022 heeft mr. V in reactie daarop aan klager onder meer geschreven: “Artikel 15 BouwGarant Nieuwbouwgarantieregeling (…) stelt het volgende: (…) [Verweerder] heeft op 22 september 2021 aan Bouwgarant gevraagd of een beroep op de NieuwbouwGarantieregeling ook mogelijk is met een vonnis van de overheidsrechter. De gewone rechter is op grond van artikel 15 lid 2 van de Regeling, naast de Geschillencommissie, namelijk ook bevoegd verklaard om over het geschil te oordelen. [T] van Bouwgarant heeft de bovenstaande vraag op 23 september 2021 bevestigend beantwoord. Voor de volledigheid heb ik de e-mail als bijlage bijgevoegd.” 3.17 Op 12 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
4 KLACHT 4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: c) Verweerder heeft klager misleid en niet geïnformeerd over de juridische stand van zaken, waardoor hij geen weloverwogen keuze heeft kunnen maken. 4.2 De kern van dit klachtonderdeel is het niet informeren over een bevestiging van BouwGarant d.d. 22-23 september 2021. Daarin is aangegeven dat naast de Geschillencommissie ook de gewone rechter een optie was mét behoud van garantie. Klager stelt dat deze informatie hem destijds onthouden is en dat hij daarmee pas op 25 mei 22 bekend is geworden. 4.3 Klager heeft in een e-mail aan de deken van 15 september 2025 en een e-mail aan de raad van 1 oktober 2025 verzocht de beoordeling van de klacht te beperken tot klachtonderdeel c. De overige onderdelen (a, b en d) zijn daarom niet opgenomen in deze beslissing.
5 VERWEER 5.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat de klacht te laat is ingediend en om die reden niet-ontvankelijk is. In zijn e-mail van 20 oktober 2025 voert verweerder nader aan dat klager eerder al bekend was met de e-mailwisseling tussen hem en BouwGarant, nu hij het volledige dossier op 17 december 2021 aan klager heeft gestuurd (waaronder ook de e-mail van BouwGarant waar klager op wijst). 5.2 Verweerder heeft de juistheid van de klachten verder gemotiveerd betwist. Verweerder heeft toegelicht dat in bouwzaken in veel gevallen een bevoegdheidsverweer wordt gevoerd. De aannemer wilde graag naar de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Verweerders plan was om naar de Geschillencommissie te gaan, met behoud van de garantieregeling. Verweerder heeft toch een algemene vraag voorgelegd aan Bouwgarant. Van de reactie kon hij niet veel chocola maken en daarom heeft hij het maar gelaten. Het was niet van invloed op de gekozen strategie, maar voor het geval er een bevoegdheidsverweer gevoerd zou worden, aldus verweerder.
6 BEOORDELING Verzet gegrond 6.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 6.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgrond die ziet op de startdatum van de vervaltermijn van artikel 46g lid 1 Advocatenwet slaagt. Hoewel de voorzitter het juiste toetsingskader in de beslissing heeft opgenomen (onder 4.3), is het toetsingskader niet juist toegepast. De raad kan de voorzitter namelijk niet volgen in het oordeel dat klager al in december 2021 bekend was of redelijkerwijs kon zijn met de mailwisseling met BouwGarant van 22-23 september 2021. Anders dan de voorzitter, is de raad van oordeel dat klager toen weliswaar het volledige dossier heeft ontvangen, maar dat niet van hem verwacht wordt dat hij dat volledig nakijkt. Daarmee kan in redelijkheid aan de beslissing van de voorzitter getwijfeld worden en is het verzet gegrond. De raad zal de klacht daarom opnieuw beoordelen. Klacht ontvankelijk 6.3 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 6.4 De raad is van oordeel dat klager pas op 25 mei 2022, met het bericht van de opvolgend advocaat, bekend is geworden met het handelen c.q. nalaten van verweerder waarop de klacht ziet. Dat is de mailwisseling tussen verweerder en Bouwgarant van 22-23 september 2021. Verweerder heeft die mailwisseling kennelijk niet met klager gedeeld, waardoor klager daar pas op 25 mei 2022 mee bekend is geworden. De vervaltermijn is op die dag gestart en de klacht is dan ook binnen de termijn van drie jaar ingediend. De klacht is dus ontvankelijk.
Klacht ongegrond 6.5 Klager verwijt verweerder dat hij de mailwisseling van 22-23 september 2021 heeft achtergehouden, terwijl daaruit zou blijken dat ook de gang naar de gewone rechter mét behoud van de garantie een optie was. Daarmee is klager relevante informatie onthouden, aldus klager. De raad volgt klager daarin niet. De vraag van verweerder aan BouwGarant van 22 september 2021 zag op de toepasselijkheid van artikel 15 lid 2 van de Garantieregeling. Deze bepaling ziet op geschillen tussen BouwGarant/verzekeraars en de opdrachtgever en niet op een geschil tussen de opdrachtgever en de aannemer. Verweerder stond klager bij in een geschil tussen klager in de hoedanigheid van opdrachtgever en diens aannemer. Op dat geschil was artikel 15 lid 2 niet van toepassing. Anders dan klager stelt, kan uit deze correspondentie met BouwGarant niet worden afgeleid dat de gang naar de rechter met behoud van garantie een optie was. De vraag van verweerder en het antwoord daarop van BouwGarant was dan ook geen relevante informatie en verweerder was niet verplicht die te delen. De advocaat is immers alleen gehouden belangrijke c.q. relevante informatie met de cliënt te delen. Verweerder kan hier dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klacht is daarom ongegrond.
BESLISSING De raad van discipline verklaart: - het verzet gegrond; - de klacht (onderdeel c) ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 mei 2026
