Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:123

Zaaknummer

26-269/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over een advocaat in de hoedanigheid van executeur van een nalatenschap. Klacht deels niet-ontvankelijk omdat daarover te laat is geklaagd. Het is in beginsel niet aan de tuchtrechter om geschillen te beslechten over het optreden van een executeur. Dat is aan de kantonrechter. Niet gebleken dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 27 mei 2026 in de zaak 26-269/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster gemachtigde: [naam]

over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de e-mail van 30 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) met kenmerk R 2026/026 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 27. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Verweerder is in 2020 door de wettelijk vertegenwoordigers van klaagster ingeschakeld om haar belangen te behartigen in een kwestie over de nalatenschap van klaagsters overleden vader. Als executeur van de nalatenschap is benoemd de Stichting Administratiekantoor [naam bedrijf] (hierna: de Stak). 1.2    Er is vervolgens een geschil ontstaan tussen de moeder van klaagster en de bestuurders van de Stak. Dit heeft geleid tot een wijziging van het bestuur van de Stak, waarna verweerder tijdens de bestuursvergadering van 15 september 2021 is benoemd als één van de drie bestuursleden van de Stak. Van deze vergadering zijn notulen opgesteld, die mede door een van de wettelijk vertegenwoordigers van klaagster (de moeder) zijn ondertekend. Verweerder heeft vanaf dat moment niet meer opgetreden als de advocaat van klaagster. 1.3    In de periode daarna is tussen de diverse bestuursleden van de Stak en de gemachtigde van klaagster gecorrespondeerd. Daarin heeft verweerder onder meer toegelicht dat het bestuur bereid is om de gemachtigde tussentijds op de hoogte te houden, maar dat er vanwege de kosten geen rapporten zullen worden opgesteld. Ook heeft het bestuur zich meermalen op het standpunt gesteld dat het klaagsters eigen verantwoordelijkheid is om een juiste aangifte inkomstenbelasting (in de Verenigde Staten) te doen, maar dat het bestuur haar wel van de benodigde informatie zal voorzien als er concrete verzoeken worden gedaan. 1.4    In januari 2023 is één van de andere twee bestuurders afgetreden. Sindsdien bestaat het bestuur van de Stak niet meer uit het statutaire minimumaantal van drie bestuurders. 1.5    Op 10 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.  a)    Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling door eerst als advocaat voor klaagsters belangen op te komen en vervolgens als bestuurslid van de Stak. Dit is in strijd met gedragsregels 7 en 15. b)    Verweerder heeft niet voldaan aan zijn informatie- en rapportageplicht door financiële stukken niet tijdig en selectief te verstrekken. Dit is in strijd met gedragsregel 23. c)    Verweerder heeft de waarborgen van het statutaire minimale vereiste van drie bestuursleden voor de Stak uitgehold. Dit is in strijd met gedragsregel 29 en geldt als wanbeheer op grond van artikel 2:298 BW. d)    Verweerder heeft de internationale fiscale belangen van klaagster veronachtzaamd. Dit is in strijd met gedragsregel 29. e)    Verweerder heeft onzorgvuldig en kostenverhogend opgetreden. Dit is in strijd met gedragsregels 16 en 29. 2.2    Klaagster verzoekt om een passende maatregel van minimaal een berisping, maar zo nodig een schorsing op te leggen aan verweerder. Ook verzoekt zij om de rechtbank te verzoeken om verweerder op grond van artikel 2:298 BW te ontslaan als bestuurder van de Stak.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.   4    BEOORDELING Ontvankelijkheid  Klachtonderdeel a) 4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).  De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.  4.2    Verweerder is per 15 september 2021 benoemd als bestuurslid van de Stak. Klaagster was, althans haar toenmalige wettelijk vertegenwoordigers waren daar blijkens de notulen van de vergadering van op de hoogte. De klacht is ingediend op 10 juni 2025 en daarmee ruim ná de driejaarstermijn uit artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet. De voorzitter ziet geen aanleiding om de uitzonderingssituatie uit het tweede lid toe te passen. Dat betekent dat klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk is. De klacht is voor het overige wel ontvankelijk. Toetsingskader 4.3    Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 4.4    Klachtonderdelen b) tot en met e) gaan over de wijze waarop verweerder heeft gehandeld als bestuurder van de Stak. Hoewel hij tot bestuurder van de Stak is benoemd omdat hij aanvankelijk de advocaat van klaagster was, staan zijn werkzaamheden als executeur van de nalatenschap te ver af van zijn rol als advocaat. De voorzitter zal daarom slechts beoordelen of verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad als bestuurder van de Stak. Beoordeling 4.5    De voorzitter stelt voorop dat het in beginsel niet aan de tuchtrechter is om geschillen te beslechten over het optreden van een executeur. Dat is aan de kantonrechter op basis van artikel 4:151 BW, in verbinding met artikel 4:161 BW, en de bepalingen in de paragrafen 10 en 11 van afdeling 6 van titel 14 van Boek 1 BW (zie RvD ’s-Hertogenbosch 12 juli 2021, ECLI:NL:TADRSHE:2021:131, onder 5.2). Of verweerder zijn taakopvatting als (bestuurder van een) executeur juist heeft uitgelegd en zorgvuldig heeft uitgevoerd, is dus iets wat niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen. Van het schaden van het vertrouwen in de advocatuur is niet gebleken. Klachtonderdelen d) en e) zijn kennelijk ongegrond. 4.6    Verweerder heeft toegelicht dat hij (althans de Stak) pas na de afwikkeling van de nalatenschap voor het eerst rekening en verantwoording dient af te leggen op grond van artikel 4:151 BW en dat dat moment nog niet is aangebroken. Het is de voorzitter gelet daarop niet gebleken dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.  4.7    Over het aantal bestuurders binnen de Stak, heeft verweerder toegelicht zich niet bewust te zijn geweest van het statutaire minimumaantal van drie bestuursleden, maar er geen probleem mee te hebben als klaagster een derde bestuurslid benoemd wil hebben. De voorzitter ziet in het voorgaande niet dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond. Conclusie  4.8    De voorzitter zal klaagster niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel a). De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.

BESLISSING De voorzitter verklaart: - verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet, niet-ontvankelijk; - verklaart de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

Griffier                     Voorzitter

Verzonden op: 27 mei 2026