Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

29-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:167

Zaaknummer

250305

Inhoudsindicatie

Klacht over advocaat in haar hoedanigheid van deken. De klacht ziet op de manier waarop verweerster met een brief van klager is omgegaan. Verweerster valt daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Verweerster had uit de brief niet hoeven opmaken dat dit een nieuwe klacht betrof. De brief bevat namelijk geen concrete klacht maar een verzoek om reactie c.q. duidelijkheid op klagers vragen. Verweerster heeft daar correct en zakelijk op gereageerd.

Uitspraak

Beslissing van 29 mei 2026 in de zaak 250305

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager 

tegen:

verweerster

 

 

1    INLEIDING

1.1    Klacht over advocaat in haar hoedanigheid van deken. De klacht ziet op de manier waarop verweerster met een brief van klager is omgegaan. Verweerster valt daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Verweerster had uit de brief niet hoeven opmaken dat dit een nieuwe klacht betrof. De brief bevat namelijk geen concrete klacht maar een verzoek om reactie c.q. duidelijkheid op klagers vragen. Verweerster heeft daar correct en zakelijk op gereageerd.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-057/DH/RO) een beslissing genomen op 4 augustus 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.  

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:158 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 29 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerster.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 30 maart 2026. Daar zijn klager en verweerster verschenen. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    In 2019 is klager door zijn verhuurder gedagvaard voor de kantonrechter. De vordering van de verhuurder is vervolgens door de kantonrechter toegewezen. 

3.3    Klager wenste hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter. Klager heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel verzocht om een advocaat aan hem toe te wijzen. Deze deken heeft mr. S aan klager toegewezen.  

3.4    Klager was ontevreden over de bijstand van mr. S en heeft zich hierover beklaagd bij de toenmalig deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (de voorganger van verweerster). Na onderzoek heeft deze deken klager bij brief van 14 mei 2020 laten weten dat mr. S in zijn visie niet tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld. Klager heeft daarop besloten de zaak niet door te laten zenden aan de raad van discipline.

3.5    Verweerster is per 24 maart 2022 deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel.

3.6    In oktober en december 2023 heeft klager geprobeerd mr. S. telefonisch te bereiken, omdat hij een vraag aan haar had. In december 2023 kreeg klager van de telefoniste te horen dat mr. S hem niet te woord wilde staan.

3.7    Op 18 december 2023 heeft klager telefonisch contact gezocht met de Orde van Advocaten te Overijssel. Hij heeft die dag met medewerker O (hierna: O) gesproken. 

3.8    Bij brief van 13 februari 2024 heeft klager aan de Orde van Advocaten te Overijssel onder meer geschreven:

“Betreft: Telefonisch contact d.d. 18 december 2023 met [O] van Ova OV met verzoek om afschrift van het vonnis. (…)  

Ik besloot dit d.d. 18 december bij de Ova OV (…) ter kennis te geven en kreeg er [O].  Die meende dat eerst mijn vraag opgelost moest worden waar ik in 2019-2020 in hoger beroep had moeten gaan: bij hof of rechtbank. Als duidelijkheid bestond over die vraag zou OvA Ov mogelijk een klacht over [mr. S] in behandeling willen nemen. (…)  

Ik hoop u (…) voldoende geïnformeerd te hebben en ik zie uw reactie tegemoet op mijn vraag waar destijds in de zaak [verhuurder] beroep moest worden ingesteld en ook op mijn vraag hoe deze zaak nu verder behandeld moet worden: door een klacht jegens [mr. S] of anderszins.”  

3.9    Bij brief van 15 februari 2024 heeft medewerker R (hierna: R) van de Orde van Advocaten Overijssel op de brief gereageerd en onder meer geschreven:  

“[Mr. S] heeft u op 14 november 2019 gemotiveerd negatief geadviseerd en haar werkzaamheden voor u beëindigd. Daarop heeft u op 21 november 2019 een tuchtklacht bij de deken ingediend tegen [mr. S].   

Nadat hoor en wederhoor had plaatsgevonden heeft de deken op 14 mei 2020 zijn visie gegeven en geconcludeerd dat volgens hem geen sprake was van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen aan de zijde van [mr. S]. (…) U heeft de klacht vervolgens niet voorgelegd aan de tuchtrechter en de zaak is definitief gesloten op 25 juni 2020. (…)  

Het is niet mogelijk om opnieuw te klagen over deze kwestie.   

Aan de vraag waar hoger beroep had kunnen worden ingesteld is [mr. S] niet toegekomen, omdat zij geen kansen zag om u met succes bij te staan. Beantwoording van uw vraag dienaangaande is dan ook niet relevant. Dat [mr. S] thans geen aanleiding ziet met u contact op te nemen is begrijpelijk. De zaak is immers geruime tijd geleden afgedaan.”

3.10  Op 22 februari 2024 heeft klager telefonisch contact gezocht met de Orde van Advocaten te Overijssel. Klager heeft die dag met R gesproken. 

3.11  Op 7 augustus 2024 heeft klager een klacht over verweerster verzonden aan het hof van discipline (door het hof ontvangen op 8 augustus 2024). De klacht is bij voorzittersbeslissing van het hof van 15 augustus 2024 verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam voor verdere behandeling. Na het onderzoek van de deken is de klacht van klager ter beslissing voorgelegd aan de raad. 

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij klagers nieuwe klacht tegen mr. S (zijn brief van 13 februari 2024) geheel (en foutief) ongemotiveerd heeft afgewezen, terwijl zij klagers klacht in behandeling had moeten nemen.

4.2    Ter toelichting heeft klager gesteld dat hem pas eind 2023 bekend is geworden dat mogelijk geen beroep bij het gerechtshof maar bij de rechtbank had moeten worden ingediend. Klager is met deze vraag teruggegaan naar mr. S. Toen deden zich dezelfde problemen voor als in 2019. Klager besloot daarop bij de (huidige) deken opnieuw een klacht in te dienen over het huidige optreden van mr. S, maar die werd afgewezen bij brief van R van 15 februari 2024. In het telefoongesprek daarna met R bleek klager duidelijk dat R had gehandeld in opdracht van de deken. Klager stelt dat sprake is van een onredelijke afwijzing en afsluiting van klagers nieuwe klacht over mr. S. 

5    BEOORDELING RAAD

De klacht gaat over de manier waarop verweerster is omgegaan met klagers brief van 13 februari 2024. Klager stelt dat deze brief een klacht over mr. S betrof en dat verweerster deze in behandeling had moeten nemen. Verweerster heeft toegelicht dat zij uit de brief van 13 februari 2024 niet heeft kunnen opmaken dat het een nieuwe klacht betrof. De raad heeft dat niet onbegrijpelijk geacht. Klagers brief van 13 februari 2024 bevat geen concrete klacht, maar een verzoek om reactie c.q. duidelijkheid op klagers vragen. Namens de deken is daarop bij brief van 15 februari 2024 gereageerd. Die brief is volgens de raad correct en zakelijk. De vermelding in de brief dat klager niet kan klagen over de eerdere kwestie met mr. S in 2019 is niet onjuist. Als klager (alsnog) een klacht tegen mr. S had willen indienen of om heropening van de eerdere klacht had willen verzoeken, dan had het voor de hand gelegen dat hij dat in reactie op de brief van 15 februari 2024 kenbaar had gemaakt aan de deken. Dat heeft klager niet gedaan. De raad heeft geoordeeld dat verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken en met haar handelen het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschonden. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard.

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1    Klager voert – samengevat – in beroep aan dat mr. S in december 2023 op zijn verzoek alsnog had behoren te onderzoeken bij welke instantie hoger beroep had moeten worden ingesteld tegen de uitspraak van de kantonrechter in 2019. Dit had tevens aanleiding kunnen zijn voor een (verdere)  klachtbehandeling door verweerster en klager meent dat dit alsnog dient te gebeuren. 

6.2    Verweerster heeft ten onrechte aangevoerd dat klager in februari 2024 een nieuwe klacht had behoren in te dienen omdat het klager toen al duidelijk was dat een nieuwe klacht niet in behandeling zou worden genomen. Verweerster had volgens klager ook de eerdere klachtzaak over mr. S kunnen heropenen. Van de deken had medewerking verwacht mogen worden omdat mr. S volgens klager verplicht is om zich te verantwoorden voor de vraag waarom zij destijds geen beroep heeft aangevraagd bij de rechtbank. 

Verweer verweerster 

6.3    Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van deken, blijft voor hem/haar het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij/zij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd met de norm van artikel 46 Advocatenwet. 

Overwegingen hof

7.2    Het hof ziet op basis van de beroepsgronden van klager, die een herhaling zijn van de door klager bij de raad ingenomen standpunten, en het onderzoek ter zitting, geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. De raad heeft bij de beoordeling van de klacht van klager de juiste maatstaf gehanteerd en het hof verenigt zich met de uitkomst van de door de raad verrichte toetsing van het handelen van verweerster aan die maatstaf.  Het hof voegt daar aan toe dat het klachtrecht ook niet herleeft met het na vele jaren toesturen van een brief door klager aan verweerster met het verzoek de klacht over mr. S uit 2019 opnieuw te onderzoeken (Hof van Discipline 29 april 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:123). Heropening van die klacht door verweerster was daarom – en door verjaring van die klacht – niet mogelijk.  

Slotsom

7.3    Het voorgaande leidt er toe dat het hof de beslissing van de raad zal bekrachtigen. 

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van 4 augustus 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, genomen onder nummer 25-057/DH/RO. 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. R. van der Hoeven en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 29 mei 2026.