Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-06-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:135

Zaaknummer

26-038/AL/NN

Inhoudsindicatie

Klacht over de eigen advocaat. Aannemelijk is dat de advocaat uren heeft gedeclareerd die hij niet heeft gemaakt ofwel dat de advocaat voor de door hem die dag wel verrichte werkzaamheden veel meer tijd in rekening heeft gebracht dan deze werkzaamheden hebben geduurd. De advocaat heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde financiële integriteit. Verder heeft de advocaat op ongepaste wijze gedreigd met het starten van kortgedingprocedure tegen klager. Maatregel onvoorwaardelijke schorsing voor vier weken.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 1 juni 2026  in de zaak 26-038/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 7 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 16 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN056 / 2496921 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 april 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klager is gedagvaard door een aannemer vanwege een bouwgeschil. Klager heeft verweerder hierover telefonisch benaderd. Op 16 januari 2025 heeft klager de dagvaarding en nog wat stukken uit het dossier naar verweerder gezonden. Hierop volgde een inhoudelijke e-mailwisseling over het bouwgeschil, waarbij verweerder liet weten dat hij na een nauwkeuriger bestudering van de stukken, nauwkeuriger de kansen en de kosten van bijstand zou kunnen inschatten. Op 20 januari 2025 heeft klager verweerder verzocht hem bij te staan in het bouwgeschil. 

2.2    Verweerder heeft zich namens klager gesteld in de procedure. Op 31 januari 2025 heeft verweerder aan klager bericht dat de zaak was verwezen naar de rol van 12 maart 2025 voor het indienen van een conclusie van antwoord. 

2.3    Vervolgens hebben klager en verweerder geprobeerd een afspraak in te plannen. Op 24 februari 2025 heeft verweerder aan klager laten weten dat een nieuwe afspraak moest worden gepland, maar dat hij besmet was met een griepvirus en dat hij contact op zou nemen zodra hij weer beter was. 

2.4    Op 6 maart 2025 heeft klager aan verweerder bericht dat hij zich zorgen begon te maken omdat er nog geen inhoudelijk contact was geweest en hij had begrepen dat er uitstel was gevraagd voor het indienen van de conclusie van antwoord. Ook heeft klager aan verweerder laten weten dat hij meerdere malen al telefonisch contact had opgenomen met het verzoek om teruggebeld te worden. Verder heeft klager aan verweerder bericht dat hij die dag nog verdere informatie wilde omdat hij anders op zoek zou gaan naar een andere advocaat. 

2.5    Verweerder heeft diezelfde dag via de mail gereageerd met de mededeling dat er blijkbaar iets fout was gegaan in de communicatie met zijn telefoniste en dat hij ziek thuis zat. Verweerder heeft klager geschreven dat het hem zou bevreemden als klager een andere advocaat zou inschakelen alleen omdat hij ziek was, omdat een opvolgend advocaat juist zeer weinig tijd zou hebben voor het indienen van een conclusie van antwoord. Verweerder schreef dat de termijn voor wisseling van een advocaat namelijk veel korter is dan het normale uitstel wegens ziekte, zoals hij had gevraagd. Verweerder adviseerde klager niet over te stappen. Hierop reageerde klager dat de e-mail van verweerder hem geruststelde en dat hij graag van verweerder vernam als hij weer beter was. 

2.6    Op 14 maart 2025 heeft verweerder aan klager laten weten dat uitstel was verleend tot 23 april 2025 en dat hij contact met klager zou opnemen zodra hij weer aan de slag kon. Op 26 maart 2025 heeft klager aan verweerder bericht dat hij graag telefonisch contact wilde over het dossier. Klager en verweerder hebben elkaar daarna telefonisch gesproken. Op 27 maart 2025 heeft klager aan verweerder geschreven dat hij had besloten om, zoals telefonisch besproken, het dossier over te dragen naar een ander kantoor. Klager heeft toen ook geschreven dat hij een belangrijk deel van het voorschot retour verwachtte omdat verweerder had aangegeven dat hij eigenlijk nog niet veel had gedaan. 

2.7    Op 16 april 2025 heeft klager aan verweerder laten weten dat hij nog in afwachting was van de creditfactuur en heeft klager verweerder verzocht om dit per omgaande in orde te maken. Op 24 april 2025 heeft klager een rappel verstuurd. Op 24 april 2025 heeft verweerder aan klager geschreven dat de jongste advocate van de twee opvolgend advocaten telefonisch contact met hem had opgenomen. En ook dat het hem verbaasde dat klager voor deze advocaten had gekozen omdat hij eerder juist had aangegeven op zoek te zijn naar een zeer ervaren bouwrechtadvocaat. Verweerder heeft aan klager geschreven dat hij het voorschot verschuldigd bleef omdat verweerder direct na zijn herstel was verdergegaan met het bestuderen van de stukken om alvast een eerste schets te maken voor een conclusie van antwoord. 

2.8    Op 27 maart 2025 heeft klager aan verweerder laten weten over te stappen naar een andere advocaat. 

2.9    Op 24 april 2025 heeft klager de volgende einddeclaratie met urenspecificatie ontvangen:

Honorarium                       €     3.437,50 21% btw over € 3.437,50    €        721,88                                         €     4.159,38 Griffierecht                        €     1.374,00                                         €     5.533,38 Af: voorschot (…)               €    -1.374,00 Af: voorschot (…)               €    -4.000,00 21% btw over € 4.000,00    €      -840,00 Credit totaal                       €      -680,62

2.10    In een e-mail van 6 mei 2025 aan verweerder met de opvolgend advocaat in cc, heeft klager bezwaar gemaakt tegen de einddeclaratie omdat verweerder volgens klager nagenoeg niets aan het dossier heeft gedaan en verweerder niet had gereageerd op verzoeken om telefonisch contact. In die e-mail maakt klager melding van een berisping van verweerder door het hof van discipline voor onder andere het te laat indienen van een conclusie. Verder uit klager in die e-mail zijn ongenoegen over de uitspraak van verweerder dat klager bij het nieuwe kantoor waarschijnlijk zou worden afgescheept met een jonge, onervaren advocaat, vermoedelijk een vrouw. Klager schrijft: “Uw ideeën blijken generaliserend, ouderwets, seksistisch en ongepast.”

2.11    In zijn reactie daarop diezelfde dag heeft verweerder ontkend dergelijke uitlatingen te hebben gedaan. Verder heeft verweerder betwist dat hij niets heeft gedaan in het dossier omdat dit niet strookt met de geregistreerde uren. Verweerder heeft verklaard dat er tegen de tuchtrechtelijke uitspraak beroep (een herzieningsverzoek) bij het hof van discipline was ingesteld. Tot slot heeft verweerder klager laten weten dat klager onterecht en op onjuiste gronden allerlei beschuldigen uitte, die deels onrechtmatig waren temeer omdat klager deze niet alleen aan hem had gericht, maar ook openbaar had gemaakt. Verweerder gaf aan dit vooralsnog door de vingers te willen zien, maar waarschuwde dat hij bij herhaling niet zou aarzelen om klager in kort geding te dagvaarden en een verbod met dwangsom te vorderen. Hij verwees daarbij naar een eerdere zaak waarin een dergelijke vordering was toegewezen en een aanzienlijke schadevergoeding was opgelegd.

2.12    Op 12 mei 2025 heeft klager aan verweerder laten weten, met de opvolgend advocaat in de cc, dat hij verweerder nog drie dagen de tijd gaf om tot inkeer te komen en dat hij anders het geschil zou voorleggen aan de hiervoor bedoelde instantie(s). 

2.13    In een e-mail van 12 mei 2025 heeft verweerder aan klager geschreven:

“Kortom, het is mij niet bekend wat er precies met u aan de hand is, maar hoewel u dat waarschijnlijk niet kwalijk genomen kan worden …” en “Indien  u zich nog éénmaal permitteert om mij een mail te sturen vol met onzinnigheden over iets dat ik gesteld zou hebben terwijl ik niets ook maar enigszins in die richting gezegd heb met een kopie aan anderen buiten mijn organisatie, dan zal ik u zoals aangekondigd in kort geding dagvaarden. Bij dezen verzoek ik u reeds nu voor alsdan om verhinderdata van u en uw eventuele advocaat mee te zenden voor een periode van twee maanden.”

 

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    ten onrechte het door klager betaalde voorschot onder zich te houden terwijl hij nagenoeg niets had gedaan;

b)    dat sprake was van gebrekkige communicatie en

c)    van een diffamerende en dreigende wijze van communiceren. 

 

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1    Het gaat in deze zaak om een klacht over de eigen advocaat in het geschil van klager met zijn aannemer. De klachtonderdelen zien op de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder als (voormalig) advocaat van klager. 

Maatstaf 5.2    Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. Daarbij geldt dat een advocaat is gehouden de aan hem toevertrouwde belangen met de nodige voortvarendheid te behartigen.

5.3    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.  

5.4    Bij de toetsing van het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven betamelijkheidsnorm, betrekt de tuchtrechter onder meer de kernwaarde (financiële) integriteit zoals omschreven in artikel 10a lid 1 onder d Advocatenwet. Financiële integriteit komt er samengevat op neer dat de advocaat gehouden is tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid in financiële aangelegenheden. 

Klachtonderdeel a)

5.5    Uit het klachtdossier blijkt het volgende. Klager heeft zich tot verweerder gewend toen hij was gedagvaard door zijn aannemer. De raad stelt vast dat nadat verweerder zich in de procedure voor klager had gesteld, de werkzaamheden van verweerder in de procedure alleen hebben bestaan uit het indienen van een verzoek tot uitstel voor het nemen van een conclusie van antwoord omdat hij ziek was. Verweerder heeft geen conclusie van antwoord namens klager ingediend. Vervolgens heeft verweerder klager een eindnota gestuurd van € 5.533,38. 

5.6    Op de zitting heeft de raad verweerder voorgehouden dat hij op 6 maart 2025 aan klager heeft bericht dat hij ziek thuis zit, maar dat uit zijn urenspecificatie bij de einddeclaratie blijkt dat hij klager die dag (6 maart 2025) drie-en-een-half uur in rekening brengt voor bestudering van de stukken. Klager had kort daarvoor op diezelfde dag aan verweerder laten weten die dag verdere informatie over zijn zaak te willen omdat hij anders op zoek zou gaan naar een andere advocaat. 

5.7    Verweerder heeft daarop geantwoord dat het vanwege zijn ziekte voor hem niet mogelijk was om contact te hebben met cliënten, maar dat hij wel het dossier van klager kon bestuderen. 

5.8    De raad heeft verweerder op de zitting verder voorgehouden dat hij klager in zijn e mailbericht van 6 maart 2025 uitvoerig adviseert om niet over te stappen naar een andere advocaat, maar daarin niet laat weten dat hij die dag bezig gaat met de zaak van klager. Verweerder heeft klager dat ook niet laten weten in zijn e-mailbericht van 14 maart 2025 waarin hij aan klager heeft laten weten dat uitstel was verleend tot 23 april 2025 en dat hij contact met klager zou opnemen zodra hij weer aan de slag kon. Verweerder heeft daarop geantwoord dat hij daarom aan klager een aanbod heeft gedaan. Verweerder heeft klager dat aanbod evenwel pas gedaan in het kader van de klachtbehandeling bij de deken. 

5.9    Gelet op de inhoud van de e-mailberichten van 6 en 14 maart 2025 heeft de raad net als klager grote twijfels of verweerder die dag die uren heeft gemaakt. De raad stelt vast dat verweerder die uren ook niet in een processtuk of in correspondentie heeft verantwoord. Gelet daarop, bezien in samenhang met het feit dat verweerder zich die dag ziek had gemeld en verweerder klager nog op 14 maart 2025 heeft laten weten dat hij contact met klager zou opnemen zodra hij weer aan de slag kon, oordeelt de raad aannemelijk dat verweerder door hem geclaimde uren ofwel niet heeft gemaakt ofwel voor de door hem die dag wel verrichte werkzaamheden veel meer tijd in rekening heeft gebracht dan deze werkzaamheden hebben geduurd. Aldus heeft verweerder excessief gedeclareerd. Dit handelen van verweerder tast in ernstige mate het vertrouwen in de advocatuur aan. 

5.10    Verweerder heeft daarmee de kernwaarde (financiële) integriteit geschonden. De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren. 

Klachtonderdeel b)

5.11    Klager stelt dat het bijna onmogelijk was om met verweerder in contact te komen. Verweerder betwist dat. De raad kan op basis van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder onvoldoende beschikbaar en/of bereikbaar was voor klager. Weliswaar deed verweerder inhoudelijk niet veel, maar uit het dossier blijkt niet dat verweerder telefoontjes of e-mails onbeantwoord heeft gelaten. De raad zal klachtonderdeel b) daarom ongegrond verklaren.   

Klachtonderdeel c)

5.12    Dit klachtonderdeel ziet op de wijze waarop verweerder zich na de einddeclaratie tegenover klager heeft opgesteld. De raad zal de handelwijze van verweerder toetsen aan de norm van artikel 46 Advocatenwet en beoordelen of verweerder een verwijt kan worden gemaakt ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

5.13    Hoewel het een advocaat in beginsel vrij staat om een kortgedingprocedure te entameren tegen een voormalig cliënt, is het dreigen met een kortgedingprocedure tegen klager alleen omdat hij refereerde aan een voor verweerder onwelgevallige uitspraak van het hof van discipline waarbij hij zijn nieuwe advocaat in de cc had meegenomen, naar het oordeel van de raad ongepast. Verweerder heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. De raad zal klachtonderdeel c) gegrond verklaren.

 

6    MAATREGEL

6.1    Uit het voorgaande volgt dat twee klachtonderdelen gegrond zijn. Verweerder heeft in twee opzichten in strijd gehandeld met de in artikel 10a van de Advocatenwet vastgelegde kernwaarde (financiële) integriteit. Met het handelen van verweerder is het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. De aard en de ernst hiervan rechtvaardigen de oplegging van een zware maatregel. 

6.2    Bij de bepaling van de maatregel weegt de raad het tuchtrechtelijk verleden van verweerder mee alsook de kans op herhaling. Verweerder heeft geen blijk gegeven van inzicht in de ernst van de hem verweten gedragingen. Verweerder is vaker door de tuchtrechter veroordeeld. Verweerder zijn eerder twee berispingen, een voorwaardelijke schorsing en een voorwaardelijke geldboete opgelegd. De raad zal de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing van vier weken opleggen. 

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager,

b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer 26-038/AL/NN.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klachtonderdelen a) en c) gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;-

-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van 4 (vier) weken op;

-     bepaalt dat de schorsing ingaat 4 (vier) weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:

-    de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen, 

-    verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

-    de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

-     veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

-    bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot vijf (5) jaar.

  Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. S.J. de Vries en M.M. Mok, leden, bijgestaan door mr. S.J. Velsink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.   

Griffier    Voorzitter

 

Verzonden op : 1 juni 2026