Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-06-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:129
Zaaknummer
26-287/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de opvolgend advocaat in hoger beroep in een kwestie over vaderschap. Van nalatigheid door verweerster is niet gebleken. In het appelschrift was al aandacht besteed aan de door klaagster genoemde punten. Het was niet verweersters taak dat nog eens allemaal te herhalen. Verweerster heeft klaagster terecht gewezen op de mogelijkheid om cassatie in te stellen en heeft toegelicht waarom herziening/herroeping op dat moment niet mogelijk was. Klachten kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 juni 2026 in de zaak 26-287/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 1 april 2026 met kenmerk K198 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klaagster is verwikkeld (geweest) in een vaderschapsprocedure die haar (beweerde) halfzus (T) aanhangig heeft gemaakt. Op 18 oktober 2023 heeft de rechtbank een beschikking gegeven met daarin een voor klaagster negatieve uitkomst. 1.2 Klaagster is in de procedure in hoger beroep eerst bijgegaan door mr. M. Mr. M heeft op 17 januari 2024 het appelschrift ingediend bij het gerechtshof. In het appelschrift is onder meer opgenomen: “29. [Klaagster] komt met één grief in hoger beroep tegen de bestreden beschikking. Kort samengevat, grieft [klaagster] dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan haar bezwaren tegen het door [T] overgelegde DNA-rapport en, daarmee samenhangend, dat het verzoek van [klaagster] tot benoeming van een deskundige c.q. het leveren van tegenbewijs (contra-expertise), zowel ten aanzien van de juistheid van het DNA-rapport als ten aanzien van het laten uitvoeren van een rechtsgeldige DNA-test door Verilabs, ten onrechte is afgewezen. (…) 33. [T] heeft tussen de eerste en de tweede tussenbeschikking en tussen de tweede tussenbeschikking en de eindbeschikking, anders dan in eerste instantie een kopie en vervolgens het originele DNA rapport, geen enkel bewijs overgelegd. [Klaagster] meent dan ook dat de rechtbank ten onrechte in strijd met haar eerdere beschikking heeft geoordeeld dat het DNA-rapport ineens wel voldoet aan de volgens vaste jurisprudentie in Nederland te stellen eisen en dat er sprake is van een rechtsgeldige DNA-test. (…) 37. In navolging op het Besluit DNA-onderzoek vaderschap van 20 oktober 2008, houdende de vereisten die zijn gesteld aan het vaderschapsonderzoek in verband met erkenning bedoeld in artikel 4, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap, welk besluit op 1 maart 2009 in werking is getreden, stelt de rechtspraak voorts ook de volgende bijzondere eisen aan een rapport van DNA-onderzoek: - uit het rapport dient te blijken dat het onderzoek is verricht in een Nederlands laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007), of - dat is gevestigd in het buitenland en door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie of door een bevoegde autoriteit is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007). 38. [Klaagster] meent dat het door [T] overgelegde DNA-rapport niet voldoet aan de algemene en bijzondere eisen die in de rechtspraak worden gesteld aan een DNA-rapport. Nu dit hoger beroep zich in de kern uitsluitend richt tegen het door [T] overgelegde DNA-rapport, zal [klaagster] hieronder nogmaals haar bezwaren uiteenzetten. (…) 39. [Klaagster] betwijfelt of [T] de biologische dochter van de man is en zij betwist de juistheid van het in Thailand uitgevoerde DNA-onderzoek. Het DNA-onderzoek is - voor zover bij [klaagster] bekend - niet gelegaliseerd, noch bij de notaris/rechtbank in Thailand, althans niet op een voor haar kenbare wijze. Daarnaast is vast komen te staan dat het DNA-onderzoek is afgenomen bij een hospitaal/universiteit in Thailand dat niet is geaccrediteerd. Ook bestaan er bij [klaagster] vragen over op welke manier de te onderzoeken personen ([T] en de man) zijn geïdentificeerd en of de ondertekening van de testresultaten is geschied door een persoon met een daartoe relevante studie, die aldus de conclusies van het DNA-onderzoek voor zijn of haar rekening neemt. [Klaagster] verwijst in dit kader naar pagina 9 t/m 13 van haar verweerschrift in eerste aanleg (…), waarin het juridisch kader uitgebreider wordt benoemd en wordt ingegaan op recente jurisprudentie, en de accreditatielijst (…) 42. Ook wenst [klaagster] nogmaals op te merken dat zij meent dat er bij de rechtbank meerdere processuele fouten zijn gemaakt, hetgeen haar heeft geschaad in haar procespositie. (…) Daarnaast heeft de rechtbank in strijd met haar eigen beschikking het originele DNA-rapport geaccepteerd, ondanks dat de termijn voor het indienen van dit stuk was verstreken (…) en is het cruciale processtuk, het originele DNA-rapport, gedeponeerd bij de rechtbank op 18 juli 2023 en opgehaald op 28 juli 2023, zoals blijkt uit het familiejournaal van de rechtbank (…). [Klaagster] meent dat haar advocaat in eerste aanleg heeft nagelaten om bij de rechtbank aan te vechten dat het cruciale processtuk, het originele DNA-rapport, is opgehaald, zodat op verzoek van [klaagster] een contra-expertise op dit document verricht kon worden. Dit heeft ertoe geleid dat [klaagster] op dit moment - helaas - is verwikkeld in een klachtenprocedure met haar vorige advocaat. (…) 44. Vervolgens overlegt [T] geen bewijsstukken waaruit blijkt dat het DNA-rapport voldoet aan de normen die daartoe in Nederland worden gesteld en oordeelt de rechtbank bij eindbeschikking ineens dat dit wél het geval is. (…) 45. In het hiernavolgende zal nader worden ingegaan op de redenen waarom [klaagster] meent dat het DNA-rapport niet voldoet aan de algemene en bijzondere door de rechtspraak gestelde eisen. (…) 48. Document 2 betreft het DNA Fingerprint Report, waarin de ID/paspoortnummers van de man en [T] staan vermeld, en document 3 bevat een foto van de man en [T] waarbij de man een bordje omhoog houdt. De rechtbank concludeert dus uitsluitend op basis van de vermelding van de ID/paspoortnummers in het rapport en een foto dat sprake is van een zorgvuldige en verifieerbare identificatie. Gelet op de door [klaagster] geuite bezwaren - betwisting van de echtheid van het rapport en van de foto voornoemd - is deze conclusie onnavolgbaar. Hierbij zij opgemerkt dat het [T] is die moet bewijzen dat de identificatie van de te onderzoeken personen zorgvuldig en verifieerbaar heeft plaatsgevonden. Het is niet [klaagster] die moet bewijzen dat dit niet is het geval is. (…) 54. Het is [klaagster] tot op heden onduidelijk op basis waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat het DNA-rapport is opgesteld door een geaccrediteerd onderzoeksbureau in Thailand. Dit wordt nergens in de beschikking(en) gemotiveerd. Gelet op de door [klaagster] geuite bezwaren tegen het door [T] overgelegde DNA-rapport, kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat er sprake is van een geaccrediteerd onderzoeksbureau. Dit geldt des te meer gelet op de strenge eisen die in de rechtspraak worden gesteld aan rechtsgeldige DNA-onderzoeken. (…) 59. Dit betreft informatie die voor [klaagster] niet verifieerbaar is, nu zij het originele DNA-rapport niet onder ogen heeft gezien (…) 60. Kortom: de hele beschikking van de rechtbank is gebaseerd op een rapport dat voor [klaagster] (…) niet beschikbaar was waardoor ook de uitspraak van de rechtbank voor haar niet controleerbaar is.” 1.3 In april 2024 heeft de wederpartij een (nieuw) Nederlands DNA-rapport van CWZ overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat T zeer waarschijnlijk de biologische dochter is van klaagsters vader. 1.4 Klaagster heeft vervolgens opdracht gegeven aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO) voor onderzoek. 1.5 Eind juni 2024 heeft mr. M. haar werkzaamheden voor klaagster neergelegd. Op 1 juli 2024 heeft zij zich bij het gerechtshof onttrokken en uitstel van de op 7 augustus 2024 geplande zitting verzocht. Het gerechtshof heeft dat uitstelverzoek afgewezen. 1.6 Op 9 juli 2024 heeft het NFO een rapport uitgebracht. 1.7 Klaagster heeft de deken verzocht een advocaat aan te wijzen om haar bij te staan (op grond van artikel 13 Advocatenwet). Op 16 juli 2024 heeft de deken verweerster aangewezen. 1.8 Op 17 juli 2024 heeft klaagster een patiëntenfolder van het CWZ aan verweerster gestuurd, met het verzoek deze folder en het NFO-rapport in te dienen bij het gerechtshof. 1.9 Op 18 juli 2024 heeft verweerster klaagster onder meer gevraagd de stukken te sturen waarvan klaagster vindt dat die nog moeten worden gediend. 1.10 Op 19 juli 2024 heeft klaagster een toelichting en diverse bijlagen aan verweerster gestuurd. 1.11 Op 22 juli 2024 heeft verweerster een brief aan het gerechtshof gestuurd met daarbij producties 6 (NFO-rapport) en 7 (patiëntenfolder CWZ), voorzien van een toelichting. 1.12 Op 24 juli 2024 heeft verweerster klaagster een bericht gestuurd met onder meer een voorstel voor nog in te dienen stukken en met diverse vragen aan klaagster. 1.13 Op 25 juli 2024 heeft klaagster gereageerd en aangegeven dat ze de door verweerster genoemde stukken onvoldoende vindt. Klaagster heeft aangegeven dat uit de patiëntenfolder van het CWZ blijkt dat de digitale foto van de deelnemers ontbreekt. Zij heeft verweerster verzocht naar de patiëntenfolder en het NFO-rapport te verwijzen. Klaagster heeft verder aangegeven dat het haar voorkeur heeft dat het verzoek om een kostenveroordeling direct wordt ingediend, in plaats van in de pleitnota, zodat het gerechtshof tijdig op de hoogte is van het verzoek. 1.14 Op 26 juli 2024 heeft verweerster een brief met additionele producties 8 t/m 19 aan het gerechtshof gestuurd, eveneens voorzien van een toelichting. 1.15 Op 27 juli 2024 heeft klaagster een reactie op de door de wederpartij ingebrachte stukken aan verweerster gestuurd. Klaagster heeft verweerster verzocht een aantal dingen aan te kaarten in haar pleitnota, waaronder het ontbreken van de handtekeningenbijlage bij een rapport. 1.16 Op 2 augustus 2024 heeft klaagster verweerster verzocht om nog aanvullende stukken in te dienen bij het gerechtshof omdat de wederpartij een incompleet stuk (de ontbrekende handtekeningenpagina) heeft ingediend. 1.17 Diezelfde dag heeft verweerster haar conceptpleitnota aan klaagster gestuurd. In haar e-mail heeft verweerster onder meer aan klaagster geschreven dat het haar niet duidelijk is wat klaagster aan het gerechtshof wil sturen en dat zij in haar pleitnota op het ontbreken van de bijlage (“handtekeningen”) zal wijzen. 1.18 Op 4 en 5 augustus 2024 heeft klaagster gereageerd op de conceptpleitnota. 1.19 Op 7 augustus 2024 is de zaak mondeling behandeld door het gerechtshof. Klaagster en verweerster waren daarbij aanwezig. Verweerster heeft pleitaantekeningen voorgedragen, waarin onder meer is opgenomen: “8. (…) Bovendien ontbreekt het vijfde bestand dat in de mail van CWZ genoemd staat, de mail van de handtekeningen. (…) 14. (…) Niet alleen was de instelling in Thailand niet geaccrediteerd, evenmin is ten aanzien van beide onderzoeken niet voldaan aan de criteria in NEN-EN ISO/IEC 17025.” In het proces-verbaal van de zitting is onder meer opgenomen: “[Verweerster]: (…) Het rapport uit Thailand voldoet niet aan de voorwaarden die er in Nederland aan een DNA-rest worden gesteld. Zo is het medisch centrum niet geaccrediteerd en heeft de identificatie van de personen ook niet op de juiste wijze plaatsgevonden. Ook bij het CWZ was dit niet zo. (…) Daarnaast ook bevreemding met het feit dat er bij de rapportage eerst geen foto’s en legitimatiebewijzen zijn overgelegd en nog steeds de handtekening niet aanwezig is.” 1.20 Bij beschikking van 11 september 2024 heeft het gerechtshof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. 1.21 Op 16 september 2024 heeft verweerster de beschikking van het gerechtshof aan klaagster toegestuurd, voorzien van een toelichting. Verweerster heeft klaagster gewezen op de mogelijkheid om binnen drie maanden cassatieberoep tegen de beschikking in te stellen. 1.22 Op 20 september 2024 heeft klaagster in een e-mail aan verweerster geschreven dat zij na eigen onderzoek tot de conclusie is gekomen dat een herzieningsverzoek wellicht een betere optie is dan cassatie, met het verzoek om verweersters visie en mogelijke plan van aanpak in deze kwestie. 1.23 Op 23 september 2024 heeft klaagster een e-mail met als onderwerp ‘klacht over nalatigheid en gebrekkige communicatie’ aan verweerster gestuurd, waarin zij verweerster onder meer vraagt waarom zij klaagster niet heeft gewezen op de optie van een herzieningsverzoek. 1.24 Op 23 september 2024 heeft verweerster gereageerd en onder meer gemotiveerd toegelicht dat herziening en herroeping (nu) niet mogelijk zijn. 1.25 Op 11 augustus 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende. a) Nalatigheid ten aanzien van informatie en advies over een herzienings- en/of herroepingsverzoek; b) Nalatigheid in het tijdig signaleren en schriftelijk aankaarten bij het gerechtshof: 1. van een incompleet CWZ-verwantschapsonderzoek (ontbrekende handtekeningenpagina) en het niet inbrengen van de door klaagster aangeleverde relevante criteria van de Raad voor Accreditatie; 2. met het oog op controle/contra-expertise en de juistheid van het procesdossier – van het cruciale processtuk dat binnen tien dagen werd gedeponeerd en opgehaald (waarvan klaagster pas achteraf door de betrokken advocaat op de hoogte is gesteld); 3. van het inbrengen van misleidende documenten door de wederpartij, terwijl verweerster bekend was met de lopende tuchtprocedures met betrekking tot valsheid in geschrifte; 4. van het ontbreken van identiteitsbewijzen behorende bij het Thaise DNA-onderzoek, evenals het niet aanvoeren van de relevante juridische en wetenschappelijke criteria waaraan een rechtsgeldig DNA-onderzoek moet voldoen, zoals vermeld het Besluit DNA-onderzoek vaderschap en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics. 2.2 Klaagster stelt dat verweerster proceskansen heeft laten liggen door niet tijdig actie te ondernemen. Zij stelt dat verweerster de geldende gedrags- en beroepsregels onvoldoende heeft nageleefd.
3 VERWEER 3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. 3.2 Klachtonderdeel a): verweerster wijst op haar e-mail van 23 september 2024 aan klaagster, waarin zij heeft meegedeeld waarom herziening/herroeping niet aan de orde is. 3.3 Klachtonderdeel b): verweerster stelt dat de door klaagster genoemde punten in het appelschrift zijn benoemd. In het appelschrift is gegriefd tegen de overwegingen van de rechtbank en is bepleit en geconcludeerd dat het Thaise rapport niet aan deze criteria voldeed. In de pleitnota is eveneens aandacht gevraagd voor het feit dat beide rapporten niet voldaan hebben aan de criteria. In de pleitnota en ter zitting is eveneens gewezen op het incompleet zijn van het CWZ-rapport, alsook de onvolkomenheden die zijn gesignaleerd. In de brief aan het gerechtshof van 26 juli 2024 is een toelichting gegeven op de overgelegde producties, gericht op de onjuiste mededelingen/stellingen die de advocaat van T naar voren had gebracht. Bij het samenstellen van de producties is overleg geweest met klaagster. 3.4 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de (eigen) advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Klachtonderdeel a) 4.2 Klaagster verwijt verweerster dat zij nalatig is geweest bij het informeren en adviseren van klaagster over (de mogelijkheid van) een herzienings- en/of herroepingsverzoek. Uit de correspondentie tussen klaagster en verweerster in september 2024 volgt niet dat verweerster hierin nalatig is geweest. Verweerster heeft klaagster terecht gewezen op de mogelijkheid om cassatie in te stellen tegen de beschikking van het gerechtshof. Na berichten van klaagster heeft verweerster gemotiveerd toegelicht waarom een herzienings- en/of herroepingsverzoek op dat moment niet mogelijk was. De voorzitter is niet gebleken dat verweerster klaagster daarover onjuist heeft geïnformeerd. Dat klaagster het er niet mee eens is, maakt het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) 4.3 Klaagster verwijt verweerster verder dat zij nalatig is geweest in het (tijdig) signaleren en schriftelijk aankaarten van een aantal inhoudelijke punten. Ook hier is de voorzitter dan oordeel dat uit het klachtdossier niet blijkt dat verweerster nalatig is geweest. Verweerster is half juli 2024 aangewezen als advocaat. Op dat moment was het appelschrift al ingediend door klaagsters voormalig advocaat en was het nog minder dan een maand tot de geplande zitting. In het appelschrift is aandacht besteed aan de door klaagster genoemde punten, waaronder de ontbrekende legalisatie, de accreditatie van het onderzoeksinstituut, de deponering van het (originele) rapport bij rechtbank en het feit dat klaagster niet in de gelegenheid is geweest een contra-expertise te laten verrichten. In het appelschrift is al gemotiveerd aangegeven dat het DNA-rapport niet voldoet aan de gestelde eisen. Het was niet verweersters taak om dit nog eens allemaal te herhalen. Verweerster heeft klaagsters standpunt naar voren gebracht door op 22 juli en 26 juli 2024 gemotiveerd aanvullende producties in te dienen en klaagster ter zitting bij te staan. Verweerster heeft daarbij onder meer gewezen op de ontbrekende handtekeningpagina en ontbrekende legitimatiebewijzen. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster nalatig is geweest c.q. tekort is geschoten in haar bijstand aan klaagster. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Conclusie 4.4 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 juni 2026
