Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-06-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:166

Zaaknummer

250387

Inhoudsindicatie

Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft in een faillissementskwestie kennis genomen van een machtiging tot binnentreden die door de rechtbank abusievelijk niet naar de curator is gestuurd, maar naar het advocatenkantoor van verweerder. De brief waarin de machtiging was opgenomen, was niet gericht aan een specifieke geadresseerde, maar “Aan ieder die dit aangaat”. Verweerder heeft nadat hij kennis had genomen van de inhoud van deze brief contact opgenomen met de curator en zijn cliënt geïnformeerd, aan wie ook de brief van de rechter-commissaris is doorgestuurd. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad dat deze handelwijze van verweerder tuchtrechtelijk niet verwijtbaar is.

Uitspraak

Beslissing van 29 mei 2026  in de zaak 250387

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klaagster

vertegenwoordigd door: [NW] 

tegen:

verweerder  

1    INLEIDING

1.1    Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft in een faillissementskwestie kennis genomen van een machtiging tot binnentreden die door de rechtbank abusievelijk niet naar de curator is gestuurd, maar naar het advocatenkantoor van verweerder. De brief waarin de machtiging was opgenomen, was niet gericht aan een specifieke geadresseerde, maar “Aan ieder die dit aangaat”. Verweerder heeft nadat hij kennis had genomen van de inhoud van deze brief contact opgenomen met de curator en zijn cliënt geïnformeerd, aan wie ook de brief van de rechter-commissaris is doorgestuurd. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad dat deze handelwijze van verweerder tuchtrechtelijk niet verwijtbaar is. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-198/DH/DH) een beslissing genomen op 13 oktober 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:198 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 11 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad; -    nagekomen stuk van klaagster.     2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 30 maart 2026. Daar is klaagster verschenen. Verweerder heeft online via een Teams verbinding aan de zitting deelgenomen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Klaagster is schuldeiser van [RWP] Holding B.V. [RWP] is statutair gevestigd te [plaats 1] maar houdt kantoor aan het adres [adres 1]. Op dat adres is ook [M] B.V. gevestigd.

3.3    Verweerder was destijds advocaat van de Stichting Participaties [RWP], (hierna: [STAK]) en staat thans onder andere het bestuur/bestuursleden van [RWP] en [M] bij. Verweerder treedt tevens op als advocaat van [V] Holding B.V. [V] is aandeelhouder respectievelijk certificaathouder en bestuurder van [RWP] en [STAK]. [V] is tevens 50% aandeelhouder van [M]. 

3.4    In februari 2023 heeft verweerder namens [V] en [STAK] aan de advocaat van klaagster een voorstel gedaan over onder andere de overdracht van de ondernemingen [RWP] Holding en [RWP].

3.5    RWP is op 4 april 2023 failliet verklaard en er is een curator benoemd. 

3.6    Op 16 juli 2024 heeft de faillissementsgriffie van de rechtbank Den Haag per e-mail een brief van de waarnemend rechter-commissaris verzonden aan het secretariaat van het kantoor van verweerder. Deze e-mail is in cc verzonden aan mr. S., kantoorgenote van verweerder. Mr. S. heeft deze e-mail doorgestuurd naar verweerder.

3.7    De inhoud van de hiervoor bedoelde brief is de volgende:

“Aan ieder die dit aangaat,  

Op 4 april 23 is door de rechtbank failliet verklaard:   

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [RWP],  

(…)   

met benoeming van (…) tot curator. Sinds de datum van faillietverklaring is de curator onder meer doende met het verzamelen van benodigde informatie en het inventariseren van activa in het kader van de afwikkeling van de faillissementen. In het kader van zijn onderzoek is de curator tot de slotsom gekomen dat er concrete aanwijzingen zijn dat nog niet alle benodigde informatie beschikbaar is (gesteld). De curator heeft aanleiding te vermoeden dat op de locatie [adres 1] ([M] B.V.) verdere informatie, in de vorm van bescheiden en/of bestanden, aanwezig is.  

Op grond van artikel 93a van de Faillissementswet (Fw) heeft de curator toegang tot de bedrijfsruimte aan de [adres 1]. Artikel 93a Fw luidt: De curator heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. De rechter-commissaris is bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. Artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden betreft het binnentreden van een woning en is derhalve in dit geval niet van toepassing. Naar het oordeel van ondergetekende heeft de curator voldoende aannemelijk gemaakt dat het binnentreden bij de bedrijfsruimte aan de [adres 1] redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van zijn taak.   

Tevens wordt hier gewezen op artikel 92 Fw, waaruit onder meer volgt dat de curator de aan te treffen bescheiden en andere gegevensdragers, gelden, kleinodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangstbewijs onmiddellijk onder zich neemt.  

Hierbij verzoek ik alle bevoegde instanties die medewerking c.q. assistentie aan de curator te verlenen die hij in verband met het binnentreden van de bedrijfsruimte verlangt, in het bijzonder assistentie van de politie voorafgaande en tijdens de binnentreding van de bedrijfsruimte. “

3.8  Verweerder heeft na ontvangst van deze brief contact gezocht met de curator. De curator is vervolgens naar het adres [adres 1] gegaan. Ook verweerder en de directie van RWP zijn daarheen gegaan. De curator is niet binnengetreden.

3.9  Op 27 augustus 2024 heeft de rechtbank Den Haag aan klaagster geschreven:

“(…) Het is juist dat onze faillissementsgriffie op 16 juli 2024 een door de waarnemend rechter-commissaris afgegeven machtiging tot binnentreden per ongeluk niet naar de curator (…) maar naar mr. S. van het advocatenkantoor [naam kantoor] heeft verzonden. Mr. S. heeft op haar beurt [verweerder], tevens zijnde advocaat van [M] B.V., op de hoogte gesteld. Wij vinden het heel spijtig dat deze fout aan onze kant is gemaakt. Dit had nooit mogen gebeuren. Wat de gevolgen van deze fout zijn is achteraf niet vast te stellen. De curator heeft u in dit verband ook verteld dat niet kan worden vastgesteld dat bewijsmateriaal verloren is gegaan dan wel dat andere schade is ontstaan. Door het raam heeft hij het gehuurde bekeken en daarbij geconstateerd dat deze ogenschijnlijk niets bevatte waarnaar hij op zoek was. De curator heeft u dit op 12 augustus jl. ook uitgelegd. Hoewel de hele gang van zaken zeer kwalijk is, kan dit helaas niet ongedaan worden gemaakt. Iets anders dan onze excuses aanbieden, is dan ook niet mogelijk. (…)”.

3.10  Op 2 september 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    na ontvangst van de brief van 16 juli 2024 de rechter-commissaris niet heeft gebeld;

b)   zijn cliënt op de hoogte heeft gebracht van het feit dat aan de curator een machtiging tot       binnentreden was verleend;

c)     optreedt voor verschillende partijen die potentieel een tegenstrijdig belang hebben;

d)    zijn verantwoordelijkheid als managing partner binnen zijn kantoor niet heeft genomen. 

 

5    BEOORDELING RAAD

Klachtonderdelen a), b) en d)

5.1    De raad heeft deze klachtonderdelen gezamenlijk behandeld. De brief die verweerder van zijn kantoorgenote mr. S. ontving was niet gericht aan een specifieke geadresseerde maar aan “een ieder die het aangaat”. Gelet daarop is het naar het oordeel van de raad begrijpelijk dat deze door de medewerker(s) van het kantoor van verweerder onder de aandacht van verweerder als advocaat van het bestuur van de gefailleerde en [M] is gebracht en dat verweerder naar aanleiding daarvan contact heeft opgenomen met de curator. De inhoud van de brief zag immers op een aan die curator toegekende bevoegdheid bij zijn cliënt binnen te treden. Het is bovendien ook niet gebruikelijk om als advocaat van het bestuur van een failliet verklaarde cliënt contact op te nemen met de rechter-commissaris. De contacten met de rechter-commissaris verlopen immers via de curator.

5.2    Anders dan klaagster stelt was de brief in kwestie niet een beslissing/beschikking van de rechter-commissaris maar slechts een algemene kennisgeving aan “een ieder die het aangaat” dat de curator tot binnentreden bij [M] bevoegd was en dat daaraan medewerking moest worden verleend. Uit de brief blijkt ook niet dat hij niet voor de cliënt(en) van verweerder bestemd was. Dat verweerder deze brief aan zijn cliënt(en) heeft doorgestuurd is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Gelet op het bepaalde in gedragsregel 16 zou juist het niet informeren van zijn cliënt over de brief tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn geweest volgens de raad.

5.3    De raad heeft in dit verband nog opgemerkt dat hetgeen verweerder over het moment en de wijze van doorsturen van de brief aan zijn cliënt heeft verklaard tijdens het dekenonderzoek (‘de secretaresse heeft de e-mail aan hem én de cliënt(en) doorgestuurd’) afwijkt van hetgeen hij daarover ter zitting ook naar voren heeft gebracht (‘verweerder heeft de e-mail na het telefoongesprek zelf aan de cliënt(en) doorgestuurd’) en dat verweerder vragen daarover van de raad ook niet adequaat heeft kunnen beantwoorden. De raad begrijpt dat dit bij klaagster vragen oproept over de gang van zaken en tot wantrouwen bij klaagster leidt. Echter de raad is tot de conclusie gekomen dat het één het ander niet hoeft uit te sluiten, terwijl het moment van doorsturen op zichzelf genomen ook niet van belang is voor de beoordeling van de klacht.  

5.4    De raad heeft deze klachtonderdelen ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

5.5    Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan een ieder toe, maar slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar belang is of kan worden getroffen. Op basis van hetgeen klaagster heeft gesteld ter onderbouwing van dit klachtonderdeel, heeft de raad niet kunnen vaststellen dat daarvan sprake is. De regels omtrent de onafhankelijkheid van de advocaat en het voorkomen van belangenverstrengeling hebben bovendien niet de bescherming van de belangen van de wederpartij maar die van de eigen cliënt tot doel. 

5.6    De raad heeft dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard. 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

6.1    Klaagster stelt voorop dat er sprake is van een miskwalificatie als haar klacht alleen wordt gekwalificeerd als een klacht over de advocaat van de wederpartij. Daardoor wordt uitsluitend getoetst aan de kernwaarde partijdigheid en niet aan de overige kernwaarden. Op grond van artikel 46 Advocatenwet moet volgens klaagster aan alle kernwaarden worden getoetst. 

6.2    Ten aanzien van de feiten die in de beslissing van de raad staan, merkt klaagster aanvullend (samengevat) het volgende op:

- verweerder trad en treedt nog steeds op voor andere ondernemingen dan de door de raad genoemde STAK, waaronder M BV en V Holding;

- klaagster wijst erop dat verweerder een zwager is van A. van H, bestuurder van RWP en M BV;

- klaagster stelt dat er sprake is van een bewuste strategie om door RWP ontwikkelde verfpoeder in M BV door te ontwikkelen; 

- klaagster wijst erop dat verweerder de brief van de rechtbank op 1 oktober 2024 naar zichzelf heeft doorgestuurd. Klaagster vraagt zich af waar de originele e-mail is van mr. S aan hem; 

- de raad heeft volgens klaagster ten onrechte niet vermeld van wie de brief van de rechtbank afkomstig is en wat het kenmerk c.q. het onderwerp is. Dat is volgens klaagster relevant omdat hierdoor in één oogopslag duidelijk was voor verweerder dat de brief niet voor hem bestemd was;

- de raad heeft ten onrechte niet opgenomen bij de feiten dat verweerder zowel telefonisch en per mail contact heeft gezocht met de curator, alsook dat de curator verweerder heeft gevraagd naar de locatie te komen. Volgens klaagster is de heer A. van H daar ook naartoe gekomen;    - klaagster heeft niet gezegd dat verweerder de rechter-commissaris had moeten informeren maar de rechtbank. 

6.3    Volgens klaagster heeft verweerder wel de kernwaarde partijdigheid geschonden door zijn cliënten (M BV en RWP) over de machtiging tot binnentreden te informeren. Hierdoor heeft verweerder ook tegengestelde belangen behartigd van onderling gelieerde partijen met (potentieel) tegengestelde belangen binnen het faillissementsdossier van RWP. Dit vraagt om een bredere toetsing door de Orde van Advocaten en de raad van discipline. Volgens klaagster is de raad voorbij gegaan aan de context van de tegenstrijdige belangen en heeft klaagster bij de toetsing hiervan een eigen belang als schuldeiser.  

6.4    De brief van de waarnemend rechter-commissaris had verweerder volgens klaagster niet mogen delen met zijn cliënten en ook niet direct mogen doorsturen aan zijn cliënten. Klaagster vindt de verklaringen hierover van verweerder innerlijk tegenstrijdig. Verweerder heeft hiermee, ook als professioneel verantwoordelijke voor de kantoororganisatie, gedragsregels 1 en 3 geschonden.

6.5    In de verklaringen van verweerder over de wijze waarop hij de brief heeft ontvangen, wanneer welke cliënten zijn geïnformeerd en wanneer verweerder en zijn cliënten op de locatie waren, zitten volgens klaagster inconsistenties. Dit raakt volgens klaagster aan integriteit en transparantie. Klaagster wenst dat het hof nader onderzoek laat doen naar de tijdlijn van telefoon- en  e-mailgegevens van verweerder op 16 juli 2024. 

6.6    Klaagster voert aan dat zij schade heeft geleden door de handelwijze van verweerder maar dat het ook raakt aan het maatschappelijk/algemeen belang. Dit is door de raad onvoldoende onderkend vindt klaagster. 

Verweer verweerder

6.7    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    Deze zaak betreft  een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is – naast de toetsing aan de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet – mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

Klachtonderdelen a), b) en d)

7.2    Ook het hof ziet aanleiding de klachtonderdelen a), b) en d) gezamenlijk te behandelen. Klaagster verwijt verweerder dat hij contact heeft opgenomen met de curator na ontvangst op 16 juli 2024 van de niet voor hem bestemde brief van de rechter-commissaris. Volgens klaagster heeft verweerder daarmee niet onderkend dat die brief niet voor hem bestemd was. Het hof volgt klaagster hierin niet. Verweerder heeft zowel telefonisch als per e-mail contact gezocht met de curator op het moment dat hij constateerde dat hij kennis had genomen van een brief van de rechter-commissaris die niet voor hem bestemd leek te zijn. Verweerder heeft om die reden de curator ingelicht, voor wie de brief in ieder geval wél bestemd was, die vervolgens heeft besloten naar het betreffende adres te gaan. Verweerder is met zijn cliënt (het bestuur van de failliet) ook naar dat adres gekomen toen verweerder bleek dat de curator zich daar bevond. Het hof acht deze handelwijze van verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. 

7.3    Dat verweerder kennis heeft genomen van de brief van 16 juli 2024 van de rechter-commissaris valt verweerder evenmin te verwijten omdat uit de aanhef van de brief (“Aan ieder die dit aangaat”) niet direct duidelijk is dat verweerder niet de geadresseerde was. In het licht van de ontstane situatie is het volgens het hof ook niet onbegrijpelijk dat verweerder zijn cliënt op de hoogte heeft gebracht van het feit dat aan de curator een machtiging tot binnentreden was verleend. Verweerder behoorde op grond van de kernwaarde partijdigheid zijn cliënt daarover ook te informeren. Het moment waarop verweerder de brief van 16 juli 2024 aan zijn cliënt heeft doorgestuurd is, gelijk ook de raad heeft geoordeeld, niet van belang voor de beoordeling van deze klachtonderdelen. De tegen deze klachtonderdelen gerichte beroepsgronden van klaagster slagen daarom niet. 

Klachtonderdeel c) 

7.4    Hetgeen klaagster in beroep heeft aangevoerd, leidt volgens het hof niet tot een andere beslissing dan die van raad. Het hof sluit zich aan bij die beslissing van de raad en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en neemt die over. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. 

Slotsom

7.5    Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beslissing van de raad zal bekrachtigen. 

 

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van 13 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, genomen onder nummer 25-198/DH/DH.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. R. van der Hoeven en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 29 mei 2026.