Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-06-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:128
Zaaknummer
26-286/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht betreft weliswaar een ander feit, maar ziet op hetzelfde feitencomplex als de eerdere klacht tegen verweerster. Ook in de eerdere klacht is over verweersters e-mail van 10 augustus 2023 geklaagd. De voorzitter houdt het ervoor dat klaagster toen bekend is geworden met de e-mail en daar toen ook over had kunnen klagen. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk vanwege strijd met de beginselen van een behoorlijk tuchtprocesrecht.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 juni 2026 in de zaak 26-286/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 1 april 2026 met kenmerk K165 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van klaagster van 19 april 2026.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klaagster is verwikkeld (geweest) in een vaderschapsprocedure die haar (beweerde) halfzus aanhangig heeft gemaakt. In een tussenbeschikking van 24 mei 2023 heeft de rechtbank de (beweerde) halfzus een termijn gegeven om het originele DNA-rapport in te zenden. 1.2 Verweerster heeft klaagster vanaf 19 juni 2023 bijgestaan. 1.3 Op 10 augustus 2023 heeft verweerster een e-mail aan klaagster gestuurd waarin zij klaagster informeert over de van de rechtbank ontvangen stukken, waaruit blijkt dat het originele Thaise DNA-rapport door de advocaat van de wederpartij bij de rechtbank is gedeponeerd. Verweerster heeft in haar e-mail geschreven: “Kort en goed stel ik voor dat het nu aan ons is deze documenten te bestuderen en een inhoudelijke reactie voor te bereiden, die wij dus uiterlijk op 1 september a.s. bij de rechtbank dienen in te dienen. Wij zullen deze stukken grondig bestuderen, en ik neem aan dat jullie dit ook zullen doen, waarbij wij graag ook jullie bevindingen horen.” Bij de e-mail zijn verschillende bijlagen gevoegd. 1.4 Op 18 oktober 2023 heeft de rechtbank een beschikking gegeven met daarin een voor klaagster negatieve uitkomst. In de beschikking heeft de rechtbank overwogen dat de rechtbank het er voor houdt dat het overgelegde DNA-rapport een origineel rapport is en dat het voldoet aan de volgens vaste jurisprudentie in Nederland te stellen eisen. 1.5 Op 24 januari 2024 heeft klaagster bij de deken een (eerste) klacht ingediend over verweerster (zaaknummer K026 2024). 1.6 Bij beslissing van 23 oktober 2024 heeft de voorzitter van de raad van discipline deze klacht kennelijk ongegrond verklaard (zaaknummer 24-633/DH/DH). De klacht zag op het volgende: a) Verweerster is nalatig geweest met betrekking tot het originele Thaise DNA-rapport. Verweerster had moeten aankaarten dat het processtuk was opgehaald, maar heeft dit niet in de brief van 1 september 2023 benoemd. Klaagsters zaak heeft daardoor onnodige schade opgelopen en heeft daardoor noodzakelijk hoger beroep moeten instellen; b) Verweerster heeft ten onrechte niet om een contra-expertise ten aanzien van de echtheid van het Thaise DNA-rapport verzocht; c) Verweerster heeft pas op 10 augustus 2023 de ontbrekende stukken aan klaagster doorgestuurd met onder andere de brief van de rechtbank van 26 juli 2023 met de mededeling dat de zaak tot 1 november 2023 was aangehouden; d) Verweerster heeft misleidende informatie gestuurd aan klaagster over het processtuk dat nog bij de rechtbank zou liggen en de pro-forma datum van 1 november 2023; e) Verweerster heeft de vragen en verzoeken van klaagster over de contra-expertise, de brief van 1 september 2023 en het opgehaalde DNA-rapport niet beantwoord. 1.7 Klaagster heeft verzet ingesteld tegen deze voorzittersbeslissing. Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 24 maart 2025. Voorafgaand aan de zitting heeft klaagster op 6 maart 2025 stukken ingediend bij de raad. 1.8 Bij beslissing van 6 mei 2025 heeft de raad het verzet van klaagster ongegrond verklaard. 1.9 Op 7 juli 2025 heeft klaagster bij de deken deze klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende. a) Verweerster had tijdig moeten onderkennen dat de door de wederpartij overgelegde documenten niet aan de wettelijke vereisten voldeden en dit ter discussie moeten stellen. Klaagster heeft toegelicht dat in de vaderschapsprocedure een DNA-onderzoek is ingebracht. De bijbehorende identiteitsbewijzen, die noodzakelijk zijn voor de rechtsgeldigheid van een dergelijk onderzoek, ontbraken. Hierdoor voldeed het onderzoek niet aan de vereisten voor een rechtsgeldige vaststelling van het vaderschap. Verweerster heeft dit gebrek niet tijdig onderkend. Klaagster wijst op de bijlagen bij de e-mail van verweerster van 10 augustus 2023. Bij controle blijken de documenten ‘pport.pdf (2023072)’ en ‘pport.pdf (2021071)’ niet de bedoelde identiteitsbewijzen te zijn, maar een brief van de rechtbank en een overdrachtsdocument van een vingerafdrukrapport. De advocaat van de wederpartij heeft ten onrechte de indruk gewekt dat het hier kopieën van identiteitsbewijzen betreft. Klaagster stelt dat deze klacht is ontstaan in een vervolgprocedure (cassatieberoep), waarin duidelijk is geworden dat verweerster dit niet heeft gesignaleerd. Tot op heden zijn de identiteitsbewijzen (die noodzakelijk zijn voor een rechtsgeldig DNA-onderzoek) niet ingebracht.
3 VERWEER 3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Klacht kennelijk niet-ontvankelijk 4.1 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. 4.2 De voorzitter stelt vast dat klaagster in haar eerste klacht al heeft geklaagd over verweersters bijstand, waaronder ook over verweersters e-mail van 10 augustus 2023. De klacht die nu voorligt betreft een ander verwijt dan klaagster in de eerdere klacht heeft gemaakt. De klacht is daarmee niet gelijk aan de eerdere klacht. Daarmee is geen sprake van schending van het ne bis in idem beginsel. 4.3 Wel is het wenselijk dat een klager zijn klachten zo veel mogelijk bundelt. Om die reden kan in een concreet geval het indienen van een opvolgende klacht in strijd kan komen met de beginselen van een behoorlijk tuchtprocesrecht (vergelijk HvD 10 juli 2023, ECLI:NLTAHVD:2023:116). 4.4 De voorzitter overweegt dat de nu ter beoordeling voorliggende klacht, welke weliswaar een ander verwijt is, wel ziet op hetzelfde feitencomplex als de eerste klacht. Deze klacht ziet op verweersters e-mail van 10 augustus 2023, waarover ook in de eerste klachtzaak is geklaagd. Klaagster stelt dat deze nieuwe klacht haar pas bekend is geworden in een opvolgende procedure. Klaagster concretiseert of onderbouwt dat echter niet. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen dat klaagster pas later bekend is geworden met hetgeen waarover ze nu klaagt en houdt het ervoor dat klaagster op 10 augustus 2023 bekend is geworden met de gewraakte e-mail en daar toen ook over had kunnen klagen. 4.5 Naar het oordeel van de voorzitter is deze klacht zodanig verweven met de eerdere door klaagster ingediende klacht, dat van klaagster redelijkerwijs verlangd had mogen worden dat zij de nu voorgelegde klacht ten tijde van de tuchtrechtelijk behandeling van de eerste klacht had ingediend. Naar het oordeel van de voorzitter staan de beginselen van een behoorlijk tuchtprocesrecht aan een inhoudelijke beoordeling van deze klacht in de weg. De voorzitter verklaart de klacht daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Tot slot 4.6 In de aanvulling van 19 april 2026 verwijt klaagster verweerster nog dat zij in de tuchtprocedure een onjuiste en misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven. Dat punt is pas na afronding van het onderzoek door de deken door klaagster naar voren gebracht. Dit staat op gespannen voet met artikel 46c van de Advocatenwet, waarin wordt bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat de deken daarnaar onderzoek instelt. De voorzitter laat dit verwijt daarom buiten beschouwing.
BESLISSING De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 juni 2026
