Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:115

Zaaknummer

26-148/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem. Klacht verder kennelijk ongegrond, omdat het feit dat verweerder eerder geen verweer heeft gevoerd en niet ter zitting is verschenen in tuchtprocedure geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 mei 2026 in de zaak 26-148/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 25 februari 2026 met kenmerk K030 2026 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van klager van 17 maart 2026. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager is verwikkeld geweest in een geschil met een VvE en/of vastgoedbeheerder. Verweerder heeft klager in hoger beroep bijgestaan in het geschil. 1.2    Op 20 september 2022 heeft het gerechtshof arrest gewezen. Klager stelt dat dit arrest is vervalst.  1.3    Op 1 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.  1.4    Bij beslissing van 24 september 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline deze klacht (met zaaknummer 25-487/DH/DH) kennelijk ongegrond verklaard.  De klacht zag op het volgende: “Verweerder heeft willens en wetens met klagers zaak gefraudeerd, beginnende met het vervalste tussenarrest van 12 april 2022. Verweerder heeft tezamen met de tegenpartij en gerechtsmedewerkers op 23 juni 2022 een toneel uitgevoerd die eindigde met het vervalste arrest van 20 september 2022, waarmee deze criminelen klagers appartement onderhands hebben verkocht.” In de beslissing is vermeld dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om verweer te voeren tegen de klacht. 1.5    Klager heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzet is op 24 november 2025 op zitting behandeld. Verweerder was daarbij niet aanwezig. 1.6    Bij beslissing van 19 januari 2026 heeft de raad het verzet niet-ontvankelijk verklaard.   1.7    Op 26 januari 2026 heeft klager bij de deken deze (tweede) klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.  a)    Schending van de zorgplicht: verweerder heeft nagelaten 1) klager adequaat te informeren over een ernstige procedurele onregelmatigheid, 2) klagers belangen te beschermen toen objectieve stukken wezen op mogelijke onjuistheden in het arrest, 3) enige corrigerende of juridische actie te ondernemen. b)    Schending kernwaarden advocatuur: door zijn handelwijze heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarden deskundigheid, integriteit en verantwoordelijkheid.  c)    Passieve betrokkenheid bij een mogelijk vervalst arrest: hoewel verweerder niet de rechter is, rustte op hem de professionele plicht om een onregelmatigheid te signaleren, zijn cliënt te informeren en passende stappen te zetten. Door dit alles na laten, heeft verweerder bijgedragen aan het in stand laten van een arrest waarvan de totstandkoming aantoonbaar ter discussie staat.  d)    Tuchtrechtelijk verwijtbaar procesgedrag: het volledig uitblijven van enig verweer, ook na overdracht aan de raad van discipline, het bieden van een extra termijn en oproeping voor de zitting, is op zichzelf ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. 2.2    Klager wijst op het door de griffie verstrekte audiëntieblad van 20 september 2022, waaruit blijkt dat geen reguliere uitspraak op de rol heeft plaatsgevonden, althans dat de vermelding op het audiëntieblad niet strookt met het later overgelegde arrest. Klager schrijft in zijn klacht dat het gaat om een ‘hernieuwde en inhoudelijk aangescherpte tuchtklacht’, die is gebaseerd op onder meer aanvullend bewijs en het structureel uitblijven van enig verweer. 

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om verweer te voeren tegen de klacht.

4    BEOORDELING 4.1    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd. 4.2    De klacht ziet voor een groot deel op de (volgens klager) procedurele onregelmatigheden in de procedure bij het gerechtshof c.q. het vervalste arrest. Klager verwijt verweerder in de kern dat hij hier niets tegen heeft gedaan. Daarmee klaagt hij naar het oordeel van de voorzitter over hetzelfde feitencomplex en hetzelfde handelen en/of nalaten als in de eerdere klacht. Op die klacht is inmiddels onherroepelijk beslist. Klager kan daar niet nogmaals over klagen. Dat de klacht hernieuwd en/of inhoudelijk is aangescherpt, blijkt overigens niet. De klacht is voor dit deel kennelijk niet-ontvankelijk. 4.3    De klacht ziet er verder op dat verweerder geen verweer heeft gevoerd in de eerdere tuchtprocedure en niet ter zitting is verschenen. Dat levert geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Hoewel het gepast is als een advocaat in een tuchtprocedure reageert op de klacht, bestaat daartoe geen verplichting. Evenmin bestaat er een verplichting om ter zitting in een tuchtprocedure te verschijnen, te meer nu de ontvankelijkheid van het verzet eerst beoordeeld dient te worden. Verweerder kan op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klacht is voor dit deel kennelijk ongegrond.    BESLISSING De voorzitter verklaart:  -    de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk (4.2); -    de klacht deels kennelijk ongegrond (4.3);     beiden met toepassing van artikel 46j Advocatenwet.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 20 mei 2026