Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:121

Zaaknummer

26-262/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een erfrechtelijk geschil. Uit het dossier volgt geen aanknopingspunt dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt of medeplichtig is aan oplichting en/of valsheid in geschrifte. Ook wordt klager niet gevolgd dat verweerder de rechtbank heeft misleid. De civiele rechter heeft over het door verweerder gelegde beslag geoordeeld dat dit niet onrechtmatig is geweest en dat geen sprake was van misbruik van recht. Het is niet aan de tuchtrechter om in dit civiele oordeel te treden. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 27 mei 2026 in de zaak 26-262/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 27 maart 2026 met kenmerk K160 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager heeft een broer. Zijn broer staat onder bewind. Hun zus is overleden en klager is de vereffenaar van haar nalatenschap. Verweerder is de advocaat van de broer van klager, die wordt vertegenwoordigd door de bewindvoerder. 1.2    In december 2023 heeft verweerder, namens de bewindvoerder, klager gesommeerd om de broer zijn deel van de nalatenschap uit te betalen en rekening en verantwoording over de afwikkeling van de nalatenschap af te leggen. Klager heeft dit niet gedaan, omdat de vereffening volgens hem nog niet was afgerond. 1.3    Op 29 januari 2024 heeft verweerder, na verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir beslag gelegd op de privérekeningen van klager. Op 30 januari 2024 heeft verweerder een dagvaarding laten betekenen aan klager. Klager heeft een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld. 1.4    Op 15 mei 2024 heeft klagers advocaat aan verweerder verzocht om het conservatoir beslag te beperken tot het voorlopige begrote bedrag van de vordering, omdat klager anders schade zou oplopen. Verweerder heeft het conservatoir beslag diezelfde dag laten opheffen voor zover het bedrag boven de begrote vordering uitkwam. Op 30 juli 2024 is het gehele beslag opgeheven. 1.5    Op 11 oktober 2024 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank.  1.6    Bij vonnis van 27 november 2024 heeft de rechtbank de verdeling van de nalatenschap vastgesteld, in die zin dat klager is veroordeeld om een bedrag van € 61.668,83 te betalen aan de broer uit hoofde van de nalatenschap van hun overleden zus. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de beslaglegging niet onrechtmatig is geweest en dat er gegronde vrees voor verduistering was. De rechtbank heeft de keuze om beslag te leggen op de privérekeningnummers van klager gerechtvaardigd geacht, omdat de bewindvoerder niet bekend was met de ervenrekeningnummers en het opvragen van bankrekeningnummers het risico vormde dat het geld daarvan af werd gehaald. Van misbruik van recht is de rechtbank niet gebleken. 1.7    Klager heeft eind 2024 aangifte gedaan van oplichting door de bewindvoerder. De aangifte heeft niet geleid tot vervolging. Klager is hiertegen een artikel 12 Sv-procedure gestart. 1.8    Ook heeft klager de rechtbank verzocht om het vonnis van 27 november 2024 te verbeteren op grond van artikel 31 Rv, te weten dat er € 36.368,83 moet worden betaald. Op 11 december 2024 heeft verweerder hiertegen verweer gevoerd. Bij vonnis van 29 januari 2025 heeft de rechtbank het artikel 31 Rv-verzoek afgewezen. Klager heeft vervolgens op 18 februari 2025 hoger beroep ingesteld met als verschijningsdatum 6 april 2027. 1.9    Nadat verweerder het vonnis heeft betekend aan klager, is het bedrag van € 61.668,83 niet betaald. Verweerder heeft daarop executoriaal derdenbeslag laten leggen op klagers banktegoeden en pensioen, tot een bedrag van € 49.018,83 omdat er mogelijk een rekenfout van € 12.650,- is gemaakt die niet toegewezen had moeten worden. Het beslag op de banktegoeden is uiteindelijk opgeheven. Het beslag op het pensioen is wel in stand gehouden. 1.10    Op 1 juli 2025 heeft verweerder verzocht om betaling van € 49.018,83 en bevestigd dat alle beslagen na betaling van het voornoemde bedrag zullen worden opgeheven. 1.11    Op 7 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.  1.12    Klager is een executiegeschil gestart tegen het beslag, dat op 2 september 2025 ter zitting is behandeld. Bij vonnis van 12 september 2025 zijn de vorderingen van klager afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daarbij geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijke misslag in de eerdere vonnissen en dat klager er niet in kan worden gevolgd dat de bewindvoerder de rechter doelbewust relevante informatie over het conservatoir beslag heeft onthouden door daarover in strijd met de waarheid te verklaren.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.  a)    Verweerder faciliteert een of meer misdrijven (oplichting en valsheid in geschrifte) van de bewindvoerder van klagers broer, en de feiten zijn hemzelf mogelijk ook aan te rekenen; b)    Verweerder heeft beslag gelegd op het de privérekening van klager, met als (enig) doel om hem onder druk te zetten om de oplichting verborgen te houden; c)    Verweerder heeft de voorzieningenrechter en rechtbank misleid, waardoor een gebrekkig vonnis is gewezen waartegen klager in hoger beroep moest gaan;

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Beoordeling 4.2    De voorzitter stelt voorop dat het tuchtrecht enkel bedoeld is om te beoordelen of een advocaat al dan niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is niet aan de tuchtrechter om inhoudelijk te oordelen over het achterliggende civielrechtelijke geschil. Als klager het niet eens is met de uitkomst van de procedure bij de rechtbank, dan staat daartegen het middel van hoger beroep open, zoals klager dat ook heeft ingesteld. 4.3    Uit het dossier volgt geen aanknopingspunt dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt of medeplichtig is aan oplichting en/of valsheid in geschrifte. De voorzitter volgt klager ook niet in zijn stelling dat verweerder de rechtbank heeft misleid. Ook daarvoor bevindt zich geen aanknopingspunt in het dossier. De omstandigheid dat verweerder andere stellingen dan klager inneemt, komt voort uit het feit dat hij partijdig advocaat is van de wederpartij, de bewindvoerder van klagers broer. 4.4    Evenmin kan de voorzitter vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld bij het leggen van beslag. De civiele rechter heeft daarover wel geoordeeld dat dit niet onrechtmatig is geweest en dat geen sprake was van misbruik van recht. Het is niet aan de tuchtrechter om in dit civiele oordeel te treden, nu de tuchtrechter geen civiele rechter is.  4.5    Ook verder ziet de voorzitter geen aanknopingspunten in het dossier voor het oordeel dat verweerder klachtwaardig zou hebben gehandeld. De voorzitter zal de klacht daarom in het geheel kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 27 mei 2026