Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-06-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:133
Zaaknummer
25-774/AL/NN
Inhoudsindicatie
Klacht over de eigen advocaat. In het klachtdossier ontbreekt een schriftelijke vastlegging in een brief, e-mail of andere correspondentie van een gedegen voorlichting over de aanpak en de kans van slagen van de zaak van klager. Dat komt voor risico van de advocaat en levert een ernstige schending op van gedragsregel 16 en de kernwaarde deskundigheid. Maatregel onvoorwaardelijke schorsing van vier weken.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 1 juni 2026 in de zaak 25-774/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 15 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 10 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN118 / 2383202 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig klager, bijgestaan door zijn partner en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager heeft een stucbedrijf. Het stucbedrijf wordt door klager uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak. In opdracht heeft klager in het najaar van 2022 stucwerkzaamheden verricht aan de buitenzijde van een woning.
2.2 De opdrachtgever van klager heeft een deskundige ingeschakeld om de stucwerkzaamheden van klager te beoordelen. Deze partijdeskundige heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van juli 2023. De conclusie van de partijdeskundige is dat het stucwerk niet goed is uitgevoerd en (gevolg)schade heeft veroorzaakt.
2.3 Vanaf augustus 2023 is tussen klager en de advocaat van de opdrachtgever gecorrespondeerd.
2.4 Eind 2023 heeft klager bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar melding gemaakt van de door de opdrachtgever gemelde schade. Een expert van de verzekeraar heeft vervolgens de situatie ter plaatse beoordeeld en daarvan een rapport opgemaakt. Vervolgens heeft de verzekeraar klager € 22.000 betaald. Klager heeft dit bedrag niet doorbetaald aan de opdrachtgever.
2.5 Op 10 juni 2024 heeft de advocaat van de opdrachtgever een kort geding aangekondigd, de verhinderdata van klager opgevraagd en (nogmaals) gevraagd om een afschrift van het door de verzekeraar van klager opgestelde (schade)rapport.
2.6 Klager heeft zich op 10 juni 2024 tot verweerder gewend en hem in het bezit gesteld van de correspondentie met de advocaat van de opdrachtgever. Klager heeft moeite met de Nederlandse taal. De communicatie tussen klager en verweerder verliep daarom via de partner van klager.
2.7 Op 11 juni 2024 heeft verweerder aan klager laten weten dat hij de belangen van klager zou behartigen en dat hij na bestudering van de stukken op de zaak terug zou komen.
2.8 Op 12 juni 2024 heeft verweerder aan klager een opdrachtbevestiging gestuurd en een voorschotfactuur. Op 14 juni 2024 heeft klager het voorschot van € 3.025 inclusief btw aan verweerder betaald.
2.9 Op 11 augustus 2024 heeft verweerder aan klager een tweede voorschotfactuur gestuurd van € 8.939 inclusief btw. Onderdeel van de factuur is een bedrag van € 2.889 voor griffierecht. Klager kon dit bedrag niet ineens voldoen en sprak een betalingsregeling af. Op 30 augustus 2024 heeft klager € 2.000 aan verweerder betaald.
2.10 Op 3 september 2024 is de kortgedingdagvaarding aan klager betekend. Een eerste bespreking op kantoor tussen klager en verweerder vond plaats op 5 september 2024. Het kort geding vond plaats op 11 september 2024. In de kortgedingprocedure heeft verweerder namens klager een conclusie van antwoord ingediend en een pleitnota.
2.11 In een kortgedingvonnis van september 2024 is klager veroordeeld om aan de opdrachtgever ruim € 27.000 te betalen en is klager in de proceskosten veroordeeld waaronder € 1.325 aan griffierecht.
3 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) klager niet goed voor te lichten over zijn juridische positie en kans van slagen in de procedure;
b) de zaak/zitting niet goed voor te bereiden/voor te bespreken met klager;
c) foto’s bij de rechtbank in zwart/wit in te dienen in plaats van in kleur, waardoor relevante zaken niet goed zichtbaar waren;
d) klager niet te vragen of hij een rechtsbijstandsverzekering heeft;
e) te hoge declaraties te versturen, onnodig veel tijd aan de zaak te besteden en werkzaamheden te vermelden die niet zijn verricht en te dreigen met faillissement van klager.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Het gaat in deze zaak om een klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat in het geschil van klager met zijn opdrachtgever. De raad komt tot een gegrondverklaring van de klachtonderdeel a en tot een ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b, c, d en e. Dat wordt hierna uitgelegd.
Maatstaf - Algemeen
5.2 Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Daarbij geldt dat een advocaat is gehouden de aan hem toevertrouwde belangen met de nodige voortvarendheid te behartigen.
5.3 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Maatstaf - Meer specifiek t.a.v. klachtonderdeel a)
5.4 In de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur 2018 geformuleerd, waaruit volgt dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken.
5.5 Uitgangspunt daarbij is dat het de taak van de advocaat is om de cliënt bij aanvang van de zaak niet alleen te adviseren maar ook een op de cliënt en de situatie afgestemde voorlichting te geven over mogelijke strategieën en de bijbehorende kansen en risico’s, waaronder een indicatie van de te verwachten kosten. Als zich daarna nog ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, moet de advocaat ook dat met zijn cliënt bespreken en hem opnieuw zorgvuldig adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie en de daarmee gepaard gaande kosten voldoende overziet.
5.6 Verder moet de advocaat ter voorkoming van misverstanden daarover, belangrijke informatie en afspraken schriftelijk vastleggen. Als de advocaat dit niet doet, komt het bewijsrisico daarvan op de advocaat te rusten.
5.7 De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar moet wel door de advocaat geïnformeerd zijn over de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven, zodat de cliënt de consequenties van die keuzes kan overzien.
Klachtonderdeel a)
5.8 Klager heeft zich tot verweerder gewend in een lopend geschil met zijn opdrachtgever waarin de opdrachtgever via zijn advocaat aan klager had laten weten een kortgedingprocedure tegen hem te zullen beginnen en klager zijn verzekeraar al had ingeschakeld voor de schade die de opdrachtgever claimde.
5.9 Klager klaagt erover dat verweerder de goede en kwade kansen van de zaak van klager en de processtrategie met bijbehorende kansen en risico’s niet tevoren zorgvuldig met hem heeft afgestemd. Klager stelt dat verweerder tegen hem heeft gezegd dat hij 99% kans had dat hij de procedure zou winnen. Verweerder betwist dat. Verweerder verwijst naar het partijdeskundigenonderzoek en het gegeven dat de schade aan de woning van de opdrachtgever al was beoordeeld door de partijdeskundige en de verzekeraar van klager, redenen waarom de voorzieningenrechter de vordering van de opdrachtgever heeft toegewezen.
5.10 De raad stelt vast dat in de door verweerder overgelegde opdrachtbevestiging wel een omschrijving van de aard en de omvang van het geschil staat, maar geen inschatting van de haalbaarheid van de zaak en de processtrategie met bij behorende kansen en risico’s. In de opdrachtbevestiging staat alleen “Advocaat wederpartij heeft een kort geding aangekondigd. Onmiddellijk stellen namens cliënten, proberen zaak op te lossen en procedure voorkomen.” Hieruit blijkt niet dat en hoe verweerder klager aldus heeft geïnformeerd en geadviseerd dat klager de consequenties van zijn keuzes kon overzien.
5.11 Verweerder heeft voor klager wel processtukken (een pleitnota en een conclusie van antwoord) opgesteld en ingediend en namens klager schikkingsonderhandelingen gevoerd, maar schriftelijke vastlegging in een brief, e-mail of andere correspondentie van een gedegen voorlichting over de aanpak en de kans van slagen van de zaak van klager ontbreekt in het klachtdossier. Dat is te meer kwalijk gelet op de situatie waarin klager verkeerde waarin de verzekeraar aan klager een uitkering van € 22.000 had gedaan vanwege de door de opdrachtgever gemelde schade.
5.12 De raad rekent het verweerder aan dat hij het niet nodig heeft gevonden om, als daarover bij de deken wordt geklaagd zoals klager doet, stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat hij klager wel zorgvuldig heeft geadviseerd en geïnformeerd, zoals hij beweert. Verweerder toont daarmee geen, althans onvoldoende inzicht in de ernst van de hem verweten gedragingen. Deze handelwijze van verweerder is ook kwalijk omdat zo niet kan worden vastgesteld wat er is afgesproken en is gebeurd, ook niet door de raad.
5.13 Uit het klachtdossier blijkt dus niet dat verweerder op enig moment klager heeft voorgelicht over de haalbaarheid van de zaak, mogelijke strategieën en de bijbehorende kansen en risico’s, ook niet toen duidelijk werd dat de kortgedingprocedure niet was voorkomen. Het ontbreken van een schriftelijke vastlegging brengt niet zondermeer mee dat er daarom van moet worden uitgegaan dat verweerder klager niet heeft voorgelicht over de haalbaarheid van de zaak, mogelijke strategieën en de bijbehorende kansen en risico’s, maar het komt daarmee wel voor zijn risico als het aankomt op het bewijs van zijn woord tegenover dat van klager. Verweerder is immers verplicht om dergelijke belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan klager te bevestigen en verweerder heeft dat niet gedaan.
5.14 De raad houdt het er daarom voor dat verweerder klager niet goed heeft voorgelicht over zijn juridische positie en kans van slagen in de procedure waarmee verweerder tekort is geschoten in de advisering van klager en in de informatieverstrekking aan klager. Verweerder heeft daarmee in ernstige mate gedragsregel 16 geschonden en ook de kernwaarde deskundigheid. De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren.
Klachtonderdeel b)
5.15 Klager en verweerder hebben elkaar minder dan een week voor de kortgedingzitting voor het eerst ontmoet. Klager stelt dat zijn partner op een gegeven moment verweerder maar heeft gevraagd of zij nog kennis gingen maken of dat zij elkaar bij de rechtbank voor het eerst zouden ontmoeten. Verweerder betwist dat dit aan hem lag. Verweerder voert aan dat klager in de periode voorafgaand aan het kort geding ineens niet meer beschikbaar was voor een bespreking op kantoor omdat hij naar Turkije was vertrokken in verband met een operatie aan zijn been. Verweerder verklaart dat hij daarom met klager had afgesproken elkaar op kantoor te spreken direct na zijn terugkomst in Nederland. Klager heeft dat niet weersproken. Klachtonderdeel b) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.16 Klager stelt en verweerder betwist dat verweerder niet kleurenfoto’s van klager van vóór en na het stucwerk in de kortgedingprocedure in het geding heeft gebracht. De raad kan niet vaststellen welke van beide lezingen de juiste is. Dit klachtonderdeel kan daarom niet gegrond worden verklaard. Dit berust niet hierop dat het woord van klager minder geloof zou verdienen dan het woord van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor de kwalificatie van het handelen of nalaten van verweerder als tuchtrechtelijk verwijtbaar eerst dient te worden vastgesteld dat het verweten handelen of nalaten feitelijk heeft plaatsgevonden. Dat nu is in deze zaak niet mogelijk. Klachtonderdeel c) is ongegrond.
Klachtonderdeel d)
5.17 Artikel 7.11 lid 1 aanhef en onder a Verordening op de Advocatuur bepaalt dat de advocaat de cliënt voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst schriftelijk ten minste informeert over de mogelijkheid van beroep op een particuliere rechtsbijstandverzekering.
5.18 Verweerder heeft klager schriftelijk gewezen op het mogelijk bestaan van een rechtsbijstandsverzekering. In de opdrachtbevestiging staat onder het kopje “financiële gegevens” namelijk - onder meer - “rechtsbijstandverzekeraar: geen”. Klager heeft daar geen verklaring voor weten te geven. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
Klachtonderdeel e) 5.19 Volgens vaste jurisprudentie is de tuchtrechter niet bevoegd om declaratiegeschillen te beslechten. Hiervoor dienen andere wegen te worden bewandeld zoals de civiele of de geschillenprocedure. Wel beoordeelt de tuchtrechter of er sprake is van excessief declareren. Dat laatste blijkt niet uit het klachtdossier, ondanks dat verweerder tijdens de mondelinge behandeling bij de raad heeft erkend dat zijn rekening fors is, reden waarom verweerder aan klager een voorstel heeft gedaan tot betaling van een lager bedrag, maar pas nadat de klacht was ingediend. In zijn specificatie van zijn einddeclaratie valt op dat verweerder op 8 september 2024 zowel tien uren declareert voor het opstellen van een conclusie van antwoord als drie uren voor het opstellen van een pleitnota en anderhalf uur voor het bekijken en selecteren van over te leggen foto’s met het geven van een toelichtingen. Op 10 september 2024 declareert verweerder weer drie uur voor het opstellen van een pleitnota en dat alles voor hetzelfde kort geding. Hoewel dit opvallend veel uren zijn, is dat nog onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat verweerder excessief heeft gedeclareerd. door verweerder gehanteerde tarief en het aantal door hem gedeclareerde uren in de kortgedingprocedure in verhouding tot de volgens het klachtdossier verrichte werkzaamheden en het contact tussen klager en verweerder zijn nog niet kennelijk onredelijk. De onvrede van klager met het behaalde resultaat in de kortgedingprocedure leidt niet tot een ander oordeel. Immers, niet het behaalde resultaat of de mening van een cliënt daarover is leidend maar, zoals gezegd, de vraag of het aantal gedeclareerde uren in verhouding tot de verrichte werkzaamheden kennelijk onredelijk is. De raad oordeelt klachtonderdeel e) ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Uit het voorgaande volgt dat één klachtonderdeel gegrond is. Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 16 en met de in artikel 10a van de Advocatenwet vastgelegde kernwaarde deskundigheid. Zijn bijstand aan klager is onder de maat geweest. Met het handelen van verweerder is het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De aard en de ernst hiervan rechtvaardigen de oplegging van een zware maatregel.
6.2 Bij de bepaling van de maatregel weegt de raad het tuchtrechtelijk verleden van verweerder mee alsook de kans op herhaling. Verweerder heeft geen blijk gegeven van inzicht in de ernst van de hem verweten gedragingen. Verweerder is vaker door de tuchtrechter veroordeeld. Verweerder zijn eerder twee berispingen, een voorwaardelijke schorsing en een voorwaardelijke geldboete opgelegd.
6.3 Vanwege de ernstige schending van gedragsregel 16 en de kernwaarde deskundigheid, het tuchtrechtelijk verleden van verweerder en de kans op herhaling, zal de raad de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing van vier weken opleggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- aan forfaitaire reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer 25-774/AL/NN.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen b) tot en met e) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van 4 (vier) weken op;
- bepaalt dat de schorsing ingaat 4 (vier) weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot 5 (vijf) jaar.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. S.J. de Vries en M.M. Mok, leden, bijgestaan door mr. S.J. Velsink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 1 juni 2026
