Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:126

Zaaknummer

26-280/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Niet gebleken waarom de informatie die verweerster heeft ingebracht onjuist zou zijn en waarom verweerster dat had moeten weten. De tuchtrechter kan niet oordelen over in de procedure ingenomen stellingen en verweren. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 27 mei 2026 in de zaak 26-280/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 31 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K201 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de nagezonden stukken van 17 april 2026 van klager. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager en zijn ex-partner zijn in de zomer van 2023 uit elkaar gegaan. Zij hebben samen twee meerderjarige kinderen, een zoon en een dochter. Verweerster staat de ex-partner bij in de echtscheidingsprocedure. 1.2    In een brief aan klager van 14 september 2023 heeft verweerster opgenomen: “[De ex-partner] hecht er daarom aan om nogmaals het voorstel te doen dat de zoon in de woning verblijft en partijen om en om een week bij hem in de woning verblijven. Zoon heeft mondeling aan [de ex-partner] aangegeven dat hij deze oplossing een goede zou vinden.” 1.3    Op 4 juni 2024 en 12 november 2024 heeft verweerster processtukken ingediend. Zij heeft daarbij financiële stukken ingebracht die door een derde zijn opgesteld. 1.4    Op 10 juli 2025 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de zitting hebben klager en de ex-partner een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Bij beschikking van 11 juli 2025 is de echtscheiding uitgesproken. 1.5    Op 13 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.  a)    Verweerster heeft foutieve en niet-onderbouwde inhoudelijke en financiële stellingen ingenomen en aantijgingen gedaan in de periode van september 2023 tot en met 10 juli 2025. Zij heeft de rechtbank op valse gronden voorgelicht en daarbij valsheid in geschrift gepleegd. b)    Verweerster heeft in haar (in de 1.2 genoemde) brief van 14 september 2023 gesteld dat klagers zoon iets heeft aangegeven, terwijl de zoon dat niet heeft gezegd. 2.2    Klager verzoekt om zijn zoon en een registeraccountant als getuigen op te roepen. 2.3    In zijn aanvullende stukken van 17 april 2026 heeft klager nieuwe klachtonderdelen naar voren gebracht. 

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    Omdat klachten op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet bij de deken moeten worden ingediend, kunnen de nieuwe klachtonderdelen van klager in de aanvullende stukken van 17 april 2026 niet worden meegenomen in deze procedure.  4.2    Voor zover klager heeft verzocht om getuigen te horen, een mogelijkheid die de Advocatenwet biedt, maar die vrij ongebruikelijk is in het tuchtrecht, wijst de voorzitter dat verzoek af. Klager heeft, net als verweerster, twee keer de gelegenheid gekregen om zijn standpunt schriftelijk aan de deken door te geven. Na de dekenvisie heeft klager ook aanvullende stukken naar de raad gestuurd. Daarmee is klager voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn visie naar voren te brengen. De voorzitter acht zich verder voldoende voorgelicht.  Toetsingskader 4.3    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 4.4    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: – het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, – het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, – het verloop van het geschil tot dan toe en – de kans op succes van de procedure. Beoordeling 4.5    De klacht komt er in essentie op neer dat verweerster volgens klager standpunten heeft ingenomen die volgens hem niet juist zijn. Het uitgangspunt is dat verweerster mag vertrouwen op de juistheid van de informatie die zij van haar cliënte heeft gekregen. Klager heeft in zijn klacht gesteld dat die informatie niet zou kloppen, maar heeft niet met stukken onderbouwd wat verweerster in haar processtukken heeft opgenomen, waarom dat onjuist zou zijn en waarom verweerster had moeten weten dat die informatie onjuist was. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is op basis van het dossier niet gebleken.  4.6    De tuchtrechter kan niet oordelen over in de procedure ingenomen stellingen en verweren. Het debat daarover is immers gevoerd in die procedure, althans had daar moeten worden gevoerd. De tuchtprocedure is niet bedoeld om een procedure over te doen.  4.7    De klacht is in het geheel kennelijk ongegrond.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 27 mei 2026