Rechtspraak
Uitspraakdatum
18-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:113
Zaaknummer
25-891/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Verweerder heeft een eerste letselschadezaak voor klaagster behandeld. De klacht ziet erop dat hij haar tweede letselschadezaak heeft verwaarloosd. Verweerder stelt dat hij deze opdracht niet heeft aangenomen. Niet gebleken dat voor deze tweede zaak een advocaat-cliënt relatie tot stand is gekomen. Klaagster heeft hiertoe onvoldoende gesteld. Klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 18 mei 2026 in de zaak 25-891/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 27 mei 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 22 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/114 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Klaagster en verweerder zijn bij die gelegenheid niet verschenen. Klaagster heeft kort voorafgaand aan de zitting per e-mail aan de griffie laten weten verhinderd te zijn. Verweerder heeft, eveneens kort voorafgaand aan de zitting, de griffie per e-mail bericht vanwege privé- omstandigheden niet aanwezig te kunnen zijn. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Op 16 juni 2023 raakte klaagster betrokken bij een verkeersongeval. Zij heeft zich tot verweerder gewend met het verzoek haar bij te staan in de afhandeling van haar letselschade. 2.3 Op 20 juni 2023 heeft klaagster een overeenkomst tot opdracht met verweerder getekend. 2.4 Op 31 augustus 2023 heeft verweerder namens klaagster de verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval aansprakelijk gesteld en aanspraak gemaakt op schadevergoeding. 2.5 Op 7 maart 2024 is klaagster opnieuw slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Zij heeft daarvan melding gemaakt aan verweerder. 2.6 De zaak over het eerste ongeval is op 10 juli 2024 afgesloten met een vaststellingsovereenkomst. 2.7 Op 23 september 2024 heeft klaagster het schadeformulier van het tweede ongeval aan verweerder toegezonden. Vervolgens heeft klaagster in de periode hierop volgend tot en met februari 2025 verschillende WhatsApp en e-mailberichten aan klager gestuurd, waarin zij probeert contact met verweerder te krijgen. Verweerder reageert hier niet op. 2.8 Op 6 februari 2025 is klaagster onaangekondigd verschenen op het kantoor van verweerder. 2.9 Op 27 mei 2025 heeft klaagster een klacht over verweerder ingediend.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij haar belangen ernstig heeft verwaarloosd doordat er sinds de aanname van haar tweede letselschadezaak op 23 september 2024 geen enkele inhoudelijke communicatie is geweest zodat verweerder daarmee zijn zorgplicht jegens haar heeft geschonden. Klaagster licht toe dat zij steeds contact over haar zaak heeft proberen te krijgen, maar dat ze geen reactie van verweerder kreeg. Uiteindelijk bleek dat hij helemaal niets heeft gedaan in haar zaak, terwijl zij ervan uit mocht gaan dat hij voor haar aan de slag was gegaan. Door deze nalatigheid heeft verweerder volgens klaagster haar rechtspositie ernstig verzwakt met mogelijk blijvende gevolgen voor haar zaak.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Dat verweer komt er in de kern op neer dat hij de (tweede) letselschadezaak van klaagster niet heeft aangenomen en er ten aanzien daarvan dus geen advocaat-client relatie tot stand is gekomen. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat hij in maart 2024 mondeling aan klaagster heeft laten weten dat deze tweede schadezaak gemeld diende te worden bij de verzekeraar van het eerste ongeval, die in dat geval als regelend verzekeraar zou optreden. Klaagster wilde dit echter niet. Nadat klaagster het aanrijdingsformulier in september 2024 bij verweerder op kantoor inleverde, heeft hij mondeling aan haar kenbaar heeft gemaakt die zaak niet te willen behandelen. Toen klaagster op 6 februari 2025 onaangekondigd bij verweerder op kantoor kwam, heeft hij heeft haar opnieuw duidelijk gemaakt de tweede zaak niet te behandelen. Verweerder heeft om die reden ook geen werkzaamheden verricht in die zaak.
5 BEOORDELING 5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt te beoordelen indien deze daar over klaagt. 5.2 Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken stelt de raad vast dat verweerder klaagster bijstond met betrekking tot het eerste verkeersongeval. De raad kan echter niet vaststellen dat er tussen klaagster en verweerder ten aanzien van het tweede ongeval een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. 5.3 Klaagster stelt weliswaar dat een schriftelijke opdrachtbevestiging voor de tweede schadezaak is ondertekend, maar verweerder heeft dat gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting had het op de weg van klaagster gelegen de opdrachtbevestiging over te leggen. Dat heeft zij echter nagelaten. Ook anderszins wordt haar stelling dat ten aanzien van het tweede ongeval tussen haar en verweerder een advocaat-client relatie tot stand is gekomen, niet door de stukken ondersteund. Klaagster heeft hiertoe onvoldoende gesteld. Zo is er bijvoorbeeld geen correspondentie door klaagster ingebracht waaruit een en ander zou blijken. Weliswaar blijkt uit de door klaagster overgelegde WhatsApp en e-mailberichten dat zij contact met verweerder zoekt over de tweede zaak, maar niet blijkt hieruit dat verweerder hierop heeft gereageerd. De raad vermag dan ook niet in te zien waarom klaagster in de veronderstelling verkeerde dat verweerder met haar (tweede) zaak bezig was. 5.4 Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de klacht ongegrond zal verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. W.R. Arema en A.N. Kampherbeek, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 18 mei 2026
