Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-05-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:119
Zaaknummer
25-696/DH/DH
Inhoudsindicatie
Ongegrond verzet.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 mei 2026 in de zaak 25-696/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 10 december 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder gemachtigde: mr. F.K. Doornbos
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 3 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 14 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K135 2025 van de deken ontvangen. 1.3 Bij beslissing van 10 december 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen. 1.4 Op 29 december 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 13 april 2026. Daarbij waren klager en verweerder en zijn gemachtigde aanwezig. 1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET 2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen. 2.2 Klager stelt dat de voorzittersbeslissing is gebaseerd op onjuiste feiten. De klacht kan slechts ongegrond worden verklaard als men bereid is het verweer zonder enige verificatie voor waar aan te nemen. Klager heeft echter herhaaldelijk en onderbouwd aangegeven dat zowel verweerder als zijn kantoor aantoonbaar onjuiste beweringen doen over het verloop van de zaak en klagers positie daarin. Zowel de deken als de voorzitter van de raad hebben deze tegenstrijdigheden óf niet kritisch getoetst óf willens en wetens genegeerd. 2.3 Klager stelt verder dat de deken en de voorzitter zijn afgeweken van de klacht zoals deze door klager is ingediend, ondanks dat klager hier herhaaldelijk en expliciet op heeft gewezen. Klagers klacht betreft de kwaliteit van handelen van verweerder. Verweerder heeft niet gehandeld met de zorgvuldigheid, loyaliteit en integriteit die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. De advocaat levert ondermaatse dienstverlening wanneer hij niet bereid is zich in te zetten voor het verhalen van de door zijn cliënt geleden schade, zoals vastgesteld door een onafhankelijke deskundige. Verweerder en zijn kantoor hebben vervolgens geprobeerd het handelen achteraf te verhullen door een onjuist beeld van de feiten en klagers positie te schetsen. Klager wijst op diverse e-mails uit de tussen hem, verweerder en het kantoor gevoerde correspondentie. 2.4 Klager voert verder aan dat het oordeel van de voorzitter over het door verweerder staken van de werkzaamheden berust op een onjuiste feitelijke en juridische duiding. De formele klacht tegen verweerder is pas op 3 juni 2025 ingediend. Verweerder had zijn werkzaamheden eind april 2025 feitelijk gestaakt, zonder dit te communiceren en zorg te dragen voor overdracht of voortzetting van de zaak. De interne klacht van 28 april 2025 was niet gericht tegen verweerder persoonlijk, maar tegen de organisatie. 2.5 Tegen de overige vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet (verder) niet op.
3 FEITEN EN KLACHT 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. De raad zal hierna (onder 4) ingegaan op klagers stelling dat de voorzitter is uitgegaan van onjuiste feiten en is afgeweken van de door hem ingediende klacht.
4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De raad volgt klager niet in zijn stelling dat de voorzitter van de klacht is afgeweken. Hoewel de voorzitter in 2.1 als klacht heeft opgenomen het verwijt dat verweerder weigert klagers belangen nog langer te behartigen, is daar in 2.2 onder meer bij opgenomen dat verweerder weigert om klager te vertegenwoordigen op een manier waardoor klager de vergoeding kan krijgen waar hij – naar klagers eigen opvatting – recht op heeft. Ook in 4.5 heeft de voorzitter opgenomen dat het gaat om de wijze van vertegenwoordiging door verweerder en het feit dat verweerder er voor heeft gekozen klager niet meer te vertegenwoordigen. Daarmee komt de klacht zoals opgenomen in de voorzittersbeslissing overeen met de klacht zoals die op 3 juni 2025 door klager is ingediend en hoeft op dit punt in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.3 De raad volgt klager ook niet in zijn stelling dat sprake is van onjuiste feiten. Klager heeft niet concreet gemaakt welke door de voorzitter opgenomen feiten onjuist zijn of welke feiten ontbreken. Klagers verzet lijkt op dit punt met name ingegeven door de manier waarop de voorzitter de feiten en het verweer beoordeeld heeft. Klager is het in de kern niet eens met de beoordeling van de voorzitter en veronderstelt dat de voorzitter bij die beoordeling bepaalde feiten niet heeft betrokken. De raad is echter met de voorzitter van oordeel dat het verweerder vrij stond aan klager te laten weten dat hij, gezien het recent verschenen rapport, wilde onderhandelen, maar geen procedure zou voeren. Uit de daarop door klagers gestuurde mails (van 25 april 2025 en de door hem ingediende klacht) volgt dat klager zich misleid voelde en altijd had ingezet op een procedure. Klager leek (op dat moment) uit te zijn op een procedure. Dat hij later (in de correspondentie in het kader van het de klachtenprocedure) heeft aangegeven liever niet te procederen maar te willen onderhandelen, maakt dat niet anders. De raad is daarom met de voorzitter van oordeel dat eind april 2025 sprake was van een verschil van inzicht over de aanpak en het vervolg van klagers zaak. 4.4 Anders dan klager is de raad van oordeel dat de door klager bij het kantoor ingediende klacht niet anders kan worden opgevat dan als (mede) gericht tegen verweerder. Hoewel het kantoor in het kader van de klachtenprocedure duidelijker met klager had kunnen communiceren, met name over het feit dat verweerder kennelijk zijn werkzaamheden had gestaakt zolang de interne klacht nog niet was afgehandeld, kan verweerder daarvan geen verwijt worden gemaakt. De raad acht, met de voorzitter, niet onbegrijpelijk dat verweerder niet meer heeft gereageerd en geen actie heeft ondernomen in klagers zaak nadat klager de klacht indiende. Het ging bovendien slechts om een periode van enkele weken en er verliepen geen termijnen. De raad onderschrijft dan ook het oordeel van de voorzitter dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 4.5 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 mei 2026
