Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-06-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:130
Zaaknummer
26-246/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 1 juni 2026 in de zaak 26-246/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 24 maart 2026 met kenmerk K25/73.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft de ex-partner van klaagster bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. Het intakegesprek van deze echtscheidingsprocedure heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2023. Bij dit intakegesprek waren verweerder, zijn cliënt en de vertrouwenspersoon van zijn cliënt aanwezig.
1.2 Op 11 augustus 2023 heeft verweerder een opdrachtbevestiging aan zijn cliënt en aan de vertrouwenspersoon van zijn cliënt gestuurd. Later heeft verweerder ook een conceptechtscheidingsverzoek en een conceptechtscheidingsconvenant aan zijn cliënt en aan de vertrouwenspersoon van zijn cliënt gestuurd.
1.3 De echtscheidingsprocedure is op een gegeven moment volledig afgerond. Aansluitend op de echtscheidingsprocedure is verweerder zijn cliënt bij gaan staan in een procedure met betrekking tot het gezag en de omgang van de zoon van zijn cliënt.
1.4 Op 11 april 2025 heeft de mondelinge behandeling van de procedure met betrekking tot gezag en omgang plaatsgevonden. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.5 Op 17 april 2025 heeft klaagster een klacht over verweerder ingediend bij de deken.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zijn geheimhouding te schenden en hiermee een inbreuk te maken op mijn privacy;
b) zich onnodig grievend over klaagster uit te laten tijdens de mondelinge behandeling.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De klacht ziet op het optreden van verweerder in diens hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat aan de advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid, die mede voortvloeit uit de kernwaarde partijdigheid als bedoeld in artikel 10a Advocatenwet, mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Deze vrijheid vindt haar begrenzing in de plicht van de advocaat zich te onthouden van (feitelijke) stellingen waarvan hij de onjuistheid kent of redelijkerwijs kan kennen. De ratio van deze beperking van bedoelde vrijheid van de advocaat is, dat de rechter en de wederpartij door de onware feiten niet worden misleid. Daarbij moet wel in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. Daarnaast mag een advocaat zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij van zijn cliënt.
Klachtonderdeel a)
4.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij – zonder haar toestemming – het echtscheidingsconvenant met een vriend van zijn cliënt heeft gedeeld. Klaagster is van mening dat verweerder hiermee zijn geheimhouding heeft geschonden en een inbreuk op de privacy van klaagster heeft gemaakt. Verweerder heeft bevestigd dat hij in deze zaak stukken aan de vertrouwenspersoon van zijn cliënt heeft gestuurd.
4.3 De voorzitter volgt klaagster niet in dit verwijt. Het stond verweerder vrij om dit stuk – in overleg met zijn cliënt – te delen met een vertrouwenspersoon van zijn cliënt. Hij heeft daarmee de (grote) vrijheid die hij als advocaat van de wederpartij heeft, niet overschreden. Daarbij acht de voorzitter mede van belang dat verweerder deze stukken heeft gedeeld omdat zijn cliënt wist dat klaagster op dat moment toegang had tot de telefoon van cliënt en zijn cliënt wilde voorkomen dat deze e-mails uit zijn e-mailbox zouden worden verwijderd. Van het – op tuchtrechtelijk wijze – inbreuk maken op de privacy van klaagster is niet gebleken. Over verder is niet vast komen te staan dat verweerder de belangen van klaagster onnodig heeft geschaad. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.4 Klaagster stelt dat verweerder haar op de mondelinge behandeling van 11 april 2025 gestoord, dan wel gek, en een stalker heeft genoemd en op die zitting heeft gezegd dat klaagster zich moest laten onderzoeken. Volgens klaagster moest de rechter ingrijpen omdat verweerder haar zo noemde.
4.5 De voorzitter constateert dat in het proces-verbaal van de zitting niet staat dat verweerder op de zitting deze bewoordingen heeft gebruikt en ook niet dat de rechter heeft moeten ingrijpen. Verweerder heeft dit ook betwist. Ook uit andere stukken in het klachtdossier blijkt niet dat verweerder deze of andere grievende of ongepaste uitlatingen over klaagster heeft gedaan. Dat betekent dat de juistheid van dit verwijt niet kan worden vastgesteld. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 1 juni 2026
