Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:124

Zaaknummer

26-277/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over een advocaat in de hoedanigheid van hulppersoon van een curator. Verweerder is aanwezig geweest bij een taxatie van een woning. Van actieve betrokkenheid bij het taxatieproces, anders dan verweerders enkele fysieke aanwezigheid, is niet gebleken. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 27 mei 2026 in de zaak 26-277/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klagers

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 31 maart 2026 met kenmerk K157 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klagers en hun onderneming V.O.F. [naam bedrijf] zijn op 23 april 2024 failliet verklaard. [Naam 1] is benoemd tot curator. Verweerder is een kantoorgenoot van de curator. 1.2    Op 9 januari 2025 is de woning van klagers getaxeerd, omdat deze mogelijk verkocht zou worden. Namens de curator was verweerder tijdens de taxatie aanwezig in de woning. In het taxatierapport is (kennelijk abusievelijk) opgenomen dat een andere kantoorgenoot, [naam 2], in plaats van verweerder aanwezig was tijdens de taxatie.  1.3    Op 7 juli 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Ook zijn klachten ingediend tegen [naam 1] en [naam 2].

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, door fysiek aanwezig te zijn bij de taxatie van de woning wat in strijd is met de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het proces. 

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien de advocaat zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Voor een advocaat die optreedt als faillissementscurator brengt deze maatstaf mee dat niet snel van tuchtrechtelijk laakbaar handelen sprake zal zijn. Dat komt onder meer omdat een curator bij de uitoefening van zijn taak rekening dient te houden met uiteenlopende belangen nu hij de boedel vertegenwoordigt en het belang van de schuldeisers van de gefailleerde. Ook speelt een rol dat de curator zijn taak uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris is te beslissen of het handelen van de curatoren zich binnen de wettelijke kaders afspeelt (zie HvD 24 november 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:236 en HvD 1 februari 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:11).  4.2    Verweerder heeft niet opgetreden als curator, maar slechts als hulppersoon van de curator. De voorzitter zal desalniettemin aansluiten bij het hiervoor opgenomen toetsingskader. Beoordeling 4.3    Niet kan worden ingezien waarom het vertrouwen in de advocatuur zou zijn geschaad doordat verweerder aanwezig is geweest bij de taxatie van de woning van klagers. Van actieve betrokkenheid bij of bemoeienis met het taxatieproces, anders dan zijn enkele fysieke aanwezigheid, is niet gebleken. De klacht is kennelijk ongegrond.    BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 27 mei 2026