Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-06-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:130

Zaaknummer

26-289/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Verweerder heeft niet klachtwaardig gehandeld door een second opinion te geven aan een (voormalig) cliënt van klaagster en het door klaagster opgebouwde dossier in te zien. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 juni 2026 in de zaak 26-289/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster gemachtigde: [naam]

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 2 april 2026 met kenmerk R 2026/027 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 21.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    De gemachtigde van klaagster exploiteert een juridisch adviesbureau (klaagster). Klaagster heeft meerdere jaren rechtsbijstand verleend aan de familie [V] in omgevingsrechtelijke procedure. De familie [V] heeft op enig moment verweerder benaderd voor het geven van een second opinion. Op 10 juli 2025 heeft verweerder telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van klaagster over het dossier. 1.2    Op 30 september 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.  a)    Verweerder heeft niet professioneel zorgvuldig gehandeld, door de heer [V] een aanbod te doen voor een second opinion op basis van het dossier van klaagster. Dit heeft plaatsgevonden zonder overleg met of toestemming van klaagster, zonder hoor en wederhoor, terwijl het handhavingsverzoek reeds door de rechtbank als niet haalbaar is beoordeeld en met als gevolg dat het vertrouwen van de heer [V] in klaagster ernstig is geschaad met mogelijk nadelige gevolgen voor de hogerberoepsprocedure. 2.2    Klaagster is van mening dat verweerder hiermee in strijd heeft gehandeld met gedragsregels 2, 7, 26 en 29 en met de leveringsvoorwaarden van klaagster, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat zonder schriftelijke toestemming geen gebruik mag worden gemaakt van de door klaagster opgebouwde dossiers. Klaagster heeft ter onderbouwing gewezen op vijf tuchtrechtelijke beslissingen.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen.  Beoordeling 4.2    Verweerder heeft toegelicht dat hij door de familie [V] benaderd is voor het geven van een second opinion. Het is niet klachtwaardig om op een dergelijk verzoek in te gaan en verweerder was niet verplicht om eerst met klaagster te overleggen. Evenmin is klachtwaardig dat verweerder hiertoe de stukken, die de familie [V] aan hem heeft overhandigd, inziet. Daarover hoeft hij klaagster niet te informeren of om toestemming te vragen. Overigens is onweersproken gesteld dat verweerder, na verkrijging van de opdracht van de familie [V] wel contact heeft gezocht met de gemachtigde van klaagster. Verweerder is tot slot niet gebonden aan de algemene voorwaarden die tussen klaagster en de heer [V] zouden zijn overeengekomen.  4.3    De voorzitter zal de klacht kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 3 juni 2026