Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-06-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:129

Zaaknummer

26-241/AL/MN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 1 juni 2026 in de zaak 26-241/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over

verweerder

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 23 maart 2026 met kenmerk 2508037.

 

   FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager heeft een conflict met zijn woningcoöperatie. Verweerder heeft opgetreden voor de woningcoöperatie

1.2    Op 26 mei 2025 heeft klager aan de coöperatie een aansprakelijkheidstelling gestuurd, waarin hij de coöperatie aansprakelijk stelt vanwege het uitgevoerde woonfraudeonderzoek. 

1.3    In een aangetekende brief van 26 juni 2025 heeft verweerder op de aansprakelijkheidsstelling van klager gereageerd. Die brief luidt, voor zover relevant, als volgt: H wijst u nog op het volgende. Ondanks de brief van H van 21 juni 2024 heeft zij van Bureau V begrepen dat u bij voortduring de medewerker die het woonfraudeonderzoek heeft uitgevoerd, lastig blijft vallen. Omdat dit woonfraudeonderzoek is uitgevoerd in verband met de tussen H en u gesloten huurovereenkomst, is dit — zeer ongewenste gedrag — mogelijk relevant voor het voortbestaan van uw huurovereenkomst namelijk voor het geval u niet voldoet aan het navolgende verzoek. H is van mening dat uw gedrag in strijd is met de verplichtingen die u als (goed) huurder heeft om u correct te gedragen zowel naar (medewerkers van) H alsook naar derden die H inschakelt. H verzoekt — en voorzoveel nodig sommeert — u verder geen contact met (de medewerker van) Bureau V meer op te nemen. Mocht u aan dat verzoek geen gehoor geven, dan zal H daaruit de gevolgtrekking maken die haar geraden voor komt. lk verzoek u dan ook hier goede nota van te willen nemen.

1.4    Op 23 juli 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

 

2    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door hem op intimiderende, tevens onnodig grievende en misleidende wijze, in een brief van 26 juni 2025 onder druk te zetten door zonder feitelijke of juridische grondslag te dreigen met beëindiging van zijn huurovereenkomst.

 

3    VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

4.1    De klacht ziet op het optreden van verweerder in diens hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat aan de advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid, die mede voortvloeit uit de kernwaarde partijdigheid als bedoeld in artikel 10a Advocatenwet, mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Deze vrijheid vindt haar begrenzing in de plicht van de advocaat zich te onthouden van (feitelijke) stellingen waarvan hij de onjuistheid kent of redelijkerwijs kan kennen. De ratio van deze beperking van bedoelde vrijheid van de advocaat is, dat de rechter en de wederpartij door de onware feiten niet worden misleid. Daarbij moet wel in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. Daarnaast mag een advocaat zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij van zijn cliënt. 

4.2    Klager klaagt over de inhoud van de brief van verweerder van 26 juni 2025. De voorzitter volgt klager niet in dit verwijt. De voorzitter is van oordeel dat verweerder op een zakelijke en gemotiveerde wijze aan klager heeft verzocht, dan wel gesommeerd, om geen contact meer op te nemen met (de medewerkers van) zijn cliënte. Het stond verweerder vrij om dat verzoek namens zijn cliënte op deze wijze te doen. Ook op de aansprakelijkstelling door klager heeft verweerder op een correcte manier gereageerd. Van het op een tuchtrechtelijk verwijtbare wijze onder druk zetten van klager of van het anderszins nodeloos of op ontoelaatbare wijze schaden van de belangen van klager is dan ook niet gebleken. Verweerder heeft de grenzen van de aan hem toekomende vrijheid van handelen als advocaat van de wederpartij niet overschreden. Dat betekent dat de klacht kennelijk ongegrond wordt verklaard. 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.

Griffier         Voorzitter  

Verzonden op : 1 juni 2026