Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:122

Zaaknummer

26-264/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht niet-ontvankelijk omdat niet tijdig is geklaagd.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 27 mei 2026 in de zaak 26-264/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder gemachtigde: mr. M.D. Winter

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 30 maart 2026 met kenmerk R 2026/023 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 46. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager heeft in 2019 via zijn onderneming geld geleend aan een B.V. voor een bankgarantie, dat is overgemaakt via de derdengeldenrekening van verweerder. Op 17 december 2019 is aan klager eind 2019 of begin 2020 heeft verweerder het geld van zijn derdengeldenrekening overgemaakt naar de B.V. Klager is hiervan op 20 januari 2021 op de hoogte geraakt. 1.2    Op 17 mei 2024 is verweerder geschrapt van het tableau. 1.3    Op 12 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.  a)    Verweerder heeft willens en wetens meegewerkt aan het verduisteren en mogelijk witwassen van het geld, door het geld over te maken aan zijn cliënt.

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft geen verweer gevoerd tegen de klacht.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).  De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.  Beoordeling 4.2    Op 12 juni 2025 heeft klager zijn klacht ingediend over verweerders handelen uit eind 2019 dan wel begin 2020. Daarmee is de klacht ruim na afloop van de driejaarstermijn ingediend, die tot begin 2023 liep. Van het verweten handelen was klager bovendien al naar eigen zeggen in 2021 bekend. De voorzitter ziet daarom ook geen aanleiding om toepassing te geven aan het tweede lid van artikel 46g, lid 1 en onder a, van de Advocatenwet. De klacht is niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g, lid 1 onder a, van de Advocatenwet.   BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a, van de Advocatenwet, kennelijk niet ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 27 mei 2026