Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:127

Zaaknummer

26-354/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over een advocaat die de buurvrouw van klagers is. Klagers hebben geen eigen, rechtstreeks betrokken belang bij hun klachten over het onzorgvuldig omgaan met cliëntgegevens of de naleving van advocatuurlijke regelgeving. Daarin zijn zij kennelijk niet-ontvankelijk. Klacht over de realisatie van een bijgebouw door verweerster en een geschil over de erfgrens is kennelijk ongegrond. Niet gebleken dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 27 mei 2026 in de zaak 26-354/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klagers

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 21 april 2026 met kenmerk K065 2026 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klagers van 24 april 2026. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klagers zijn buren van verweerster. Verweerster houdt kantoor aan huis.  1.2    Tussen klagers en verweerster loopt een geschil over de erfgrens en een bijgebouw dat verweerster heeft gerealiseerd op haar perceel. Verweerster heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat zij het bijgebouw vergunningsvrij mag realiseren. Een handhavingsverzoek van klagers is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente afgewezen. Daartegen loopt een beroepsprocedure bij de rechtbank.  1.3    Op 17 november 2025 hebben klagers onversnipperde dossierstukken van verweersters advocatenkantoor aangetroffen in een afvalcontainer.  1.4    Op 6 februari 2026 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerster het volgende.  a)    Verweerster heeft onbetamelijk gehandeld door de erfgrens te beschadigen en een bijgebouw met ramen te dicht op de erfgrens te plaatsen. Verweerster heeft daarmee gekozen voor eigenrichting, wat het vertrouwen in de advocatuur schaadt; b)    Verweerster heeft haar beroepsgeheim geschaad door onzorgvuldig om te gaan met cliëntgegevens; c)    Verweerster heeft in strijd met de advocatuurlijke regelgeving gehandeld, doordat zij kantoor houdt op een ander adres dan op het Tableau en in het Handelsregister is vermeld.

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Ontvankelijkheid 4.1    Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. 4.2    Klachtonderdeel b) gaat over de dossiers van verweerster die zijn aangetroffen door klagers in een afvalcontainer. Deze dossiers heeft geen betrekking op hen. Zij hebben dan ook geen eigen, rechtstreeks betrokken belang bij dit klachtonderdeel dat gaat over de schending van de geheimhoudingsplicht. De omstandigheid dat de aangetroffen dossiers inmiddels zijn opgehaald door de deken, terwijl klagers deze willen gebruiken als bewijs in een bestuursrechtelijke procedure dat verweerster ten onrechte kantoor houdt op het perceel terwijl dat planologisch niet zou mogen, levert ook geen eigen, rechtstreeks betrokken belang op. 4.3    Klachtonderdeel c) ziet op de naleving van advocatuurlijke regelgeving. Dat is iets wat ziet op het algemeen belang, waar (alleen) de deken over kan klagen. 4.4    De voorzitter zal klagers kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdelen b) en c). Beoordeling klachtonderdeel a) 4.5    Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 4.6    Klachtonderdeel a) ziet op het handelen van verweerster bij de realisatie van een bijgebouw en een geschil over de erfgrens van haar woning. De voorzitter ziet daarin geen aanknopingspunten met de praktijkuitoefening van verweerster. Dat verweerster aan huis kantoor houdt is daarvoor onvoldoende. Dat betekent dat de voorzitter uitsluitend zal beoordelen of verweerster het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De voorzitter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Dat wordt als volgt toegelicht. 4.7    Op grond van hetgeen klagers hebben gesteld, kan de tuchtrechter niet vaststellen dat verweerster met haar handelen jegens klagers het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Als klagers het niet eens zijn met de werkzaamheden die verweerster heeft laten uitvoeren, dan zullen zij zich tot de (civiele- of bestuurs)rechter moeten wenden. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.

BESLISSING De voorzitter: - verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond; - verklaart klachtonderdelen b) en c), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 27 mei 2026