Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:124

Zaaknummer

26-267/AL/MN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing over de eigen advocaat in een letselschadeclaim. Naar het oordeel van de voorzitter is verweerster op zorgvuldige wijze voor klager opgetreden. Verweerster was bij haar handelen beperkt door het juridisch kader van een letselschadezaak. Niettemin heeft zij de van klager ontvangen berichten op zijn verzoek ook aan de wederpartij, medisch adviseur en deskundige verstrekt. Vast staat dat die informatie van klager door de deskundige ook in zijn beoordeling is betrokken. Toen verweerster bemerkte dat klager en zij uiteenlopende visies op de wijze van aanpak van de zaak kregen, heeft zij klager gewezen op de mogelijkheid om een second opinion via DAS te vragen. Gezien de stand van zaken in het dossier, de constatering van verweerster dat zij - anders dan klager - geen redelijke kans van slagen meer zag, kon verweerster niet anders dan besluiten om met haar werkzaamheden in de zaak van klager te stoppen. Dat heeft zij naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige wijze gedaan door klager tijdig en duidelijk te wijzen op de ophanden zijnde verjaring en zijn mogelijkheden. Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2026 in de zaak 26-267/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 30 maart 2026 met kenmerk 2463722, ontvangen op 20 april 2026.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager heeft op 16 september 2020 na telefonische triage waarnemend huisarts dr. B. bezocht in verband met klachten. 

1.2    Op 20 september 2020 is klager opgenomen in het ziekenhuis na een hartinfarct en is daarvoor behandeld.

1.3    Op 4 oktober 2020 heeft klager zich bij zijn rechtsbijstandsverzekeraar DAS gemeld met het verwijt dat huisarts dr. B zijn (symptomen van een) hartinfarct op 16 september 2020 heeft gemist. DAS heeft op basis van het medisch dossier van klager advies gevraagd aan haar medisch adviseur. In het medisch advies van 2 maart 2021 heeft de medisch adviseur van DAS laten weten nog aanvullende informatie nodig te hebben om de zaak goed te kunnen beoordelen.

1.4    Op 5 mei 2022 heeft de medisch adviseur in een aanvullend advies geoordeeld het verwijtbaar te achten dat de waarnemend huisarts onvoldoende heeft doorgevraagd naar de klachten van klager en geen lichamelijk onderzoek heeft verricht. 

1.5    DAS heeft de huisartsenpraktijk van klager, waar dr. B als  waarnemend huisarts op 16 september 2020 dienst had, op 26 juli 2022 aansprakelijk gesteld. 

1.6    Op 30 augustus 2022 heeft de huisartsenpraktijk van klager aan DAS bericht dat klager door waarnemend huisarts dr. B is gezien. Omdat huisarts dr. B als zelfstandige optrad, viel diens eventuele aansprakelijkheid niet onder de aansprakelijkheidsverzekering van de huisartsenpraktijk. De huisartsenpraktijk heeft de zaak gemeld bij haar aansprakelijkheidsverzekeraar en de aansprakelijkstelling van klager doorgestuurd naar huisarts dr. B. De aansprakelijkheidsverzekeraar van huisarts dr. B heeft een extern bureau voor onderzoek ingeschakeld.

1.7    Op 1 juni 2023 heeft DAS aan klager bericht zijn zaak te zullen overdragen aan een externe advocaat, te weten aan het kantoor van verweerster. 

1.8    Op 6 juli 2023 heeft verweerster bij klager thuis een intakegesprek gevoerd en heeft verweerster DAS bericht bereid te zijn om klager bij te staan in de onderliggende zaak. Op 11 juli 2023 heeft verweerster aan klager een verslag van het intakegesprek van 6 juli 2023 gestuurd. 

1.9    Verweerster heeft klager op 20 augustus 2022 geïnformeerd over haar bevindingen en visie op de zaak. DAS heeft op 5 september 2023 de opdracht voor klager aan verweerster bevestigd. 

1.10    In de daaropvolgende periode is tussen verweerster, de huisartsenpraktijk en de aansprakelijkheidsverzekeraar van de waarnemend huisarts gecorrespondeerd. Geen van partijen heeft aansprakelijkheid erkend. De huisartsenpraktijk weigerde desgevraagd om de naam van de aansprakelijkheidsverzekeraar aan verweerster te geven. 

1.11    Na overleg tussen verweerster en klager heeft DAS op 14 november 2023 ingestemd met een procedure tot het vragen van een voorlopig deskundigenbericht. In de periode daarna is daarover tussen verweerster, de door haar voorgestelde (externe) medische adviseur en klager gecorrespondeerd. 

1.12    Klager heeft op 5 januari 2024 aan verweerster zijn toestemming gegeven om de aangepaste versie van het verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht bij de rechtbank in te dienen. Dat heeft verweerster op 8 januari 2024 gedaan. 

1.13    Op 4 juni 2024 heeft de advocaat van huisarts dr. B en diens aansprakelijkheidsverzekeraar een verweerschrift ingediend.

1.14    Op 12 juni 2024 heeft bij de rechtbank een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn klager en verweerster, huisarts dr. B en diens advocaat mede namens de verzekeraar verschenen. Ook de eigenaren van de huisartsenpraktijk zijn bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest, zonder bijstand van een advocaat. Tijdens de mondelinge behandeling is overeenstemming bereikt over de vraagstelling aan de deskundige, niet over de persoon van de deskundige.

1.15    Bij beschikking van 21 augustus 2024 heeft de rechtbank dr. S als deskundige benoemd en hem opgedragen te onderzoeken of huisarts dr. B medisch onzorgvuldig richting klager heeft gehandeld. Op 22 augustus 2024 heeft verweerster deze beschikking aan klager gestuurd en daarbij onder meer vermeld dat een deskundigenrapport bindend is voor partijen. 

1.16    Ter uitvoering van de beschikking heeft verweerster op 27 augustus 2024 het (proces)dossier aan de deskundige gestuurd, inclusief de patiëntenkaart van klager van vijf jaar voorafgaand aan het consult.

1.17    In de periode daarna heeft verweerster met instemming van klager aanvullende stukken aan de deskundige gestuurd.

1.18    Op 19 november 2024 heeft verweerster het conceptrapport van de deskundige ontvangen waarin de deskundige heeft geconcludeerd dat huisarts dr. B op 16 september 2020 conform de medische professionele standaard heeft gehandeld. Dit conceptrapport is op 20 november 2024 door verweerster met toelichting aan klager gestuurd waarbij verweerster heeft voorgesteld om haar medisch adviseur om aanvullend advies te vragen. Na overleg met klager heeft verweerster haar medisch adviseur op 28 november 2024 om aanvullend advies gevraagd en berichten van klager ter informatie meegestuurd.

1.19    Op 16 december 2024 heeft verweerster namens klager aanvullende vragen aan de deskundige gesteld. Onder meer is namens klager verzocht te bevestigen dat het geluidsfragment van het telefoongesprek van klager met de triagist van de huisartsenpraktijk en transcript daarvan in zijn beoordeling zijn betrokken. 

1.20    Op 19 december 2024 heeft verweerster het definitieve deskundigenrapport ontvangen. Daarin is door de deskundige vermeld dat de aanvullende vragen namens klager niet tot een wijziging van zijn visie hebben geleid. Verweerster heeft het rapport die dag aan klager gestuurd. 

1.21    Op 20 december 2024 heeft verweerster telefonisch contact met klager gehad. Diezelfde dag heeft verweerster klager via e-mail bericht dat het deskundigenrapport bindend is en daarin in haar optiek geen fundamentele fouten zijn gemaakt. Omdat zij weinig kans van slagen ziet om nog verder te gaan met de zaak, heeft zij klager bericht zijn dossier te zullen sluiten. Ook heeft zij klager geschreven:

Je hebt aangegeven dat je het hier niet mee eens bent en wel verder wilt met de zaak. Ik heb je geadviseerd om hierover contact op te nemen met DAS. We spraken af dat ik DAS daarover alvast zal informeren, zal vragen of DAS contact met je op wil nemen (zojuist gedaan met jou in de cc) en dat ik DAS het deskundigenrapport zal toesturen.   

Voor het geval (ook) DAS meent dat er te weinig kans van slagen is om met de zaak verder te gaan, heb ik jou gewezen op de geschillenregeling op basis waarvan je wellicht een second opinion zou kunnen inwinnen bij een andere advocaat. (…)  

Tot slot informeer ik jou erover dat je vanaf nu zelf verantwoordelijk bent voor zaken als de verjaring. Voor medische aansprakelijkheid geldt een verjaringstermijn van vijf jaar, waardoor de verjaring richting [dr. B] en de huisartsenpraktijk vóór 15-09-2025 moet worden gestuit.

 

1.22    In de periode daarna hebben klager en verweerster gecorrespondeerd over een mogelijk vervolg. Klager heeft daarin meermaals aangegeven zich niet in de visie van verweerster te kunnen vinden. 

1.23    Verweerster heeft klager in haar e-mail van 7 januari 2025 aangeboden om nog eenmaal een aanvullend medisch advies te vragen. Ook heeft zij klager gewezen op de mogelijkheid van een second opinion om haar visie over de zaak te laten toetsen en hem gemeld dat zij bij een vertrouwensbreuk zich zal moeten onttrekken aan de zaak. 

1.24    Op 22 januari 2025 heeft verweerster haar medisch adviseur om aanvullend advies gevraagd en daarbij ook berichten van klager ter informatie meegestuurd. 

1.25    Op 13 februari 2025 heeft verweerster het medisch advies van haar medisch adviseur ontvangen. Daarin is geconcludeerd dat het deskundigenrapport voldoet aan de daaraan te stellen eisen en geen grond is om het rapport te verwerpen, of een contra-expertise te vragen.

1.26    Op 14 februari 2025 heeft verweerster het medisch advies met toelichting aan klager doorgestuurd. Zij heeft klager daarin gemeld dat zij de zaak gaat sluiten en hem opnieuw gewezen op de mogelijkheid om via DAS een second opinion bij een andere advocaat te vragen.

1.27    Op 18 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

 

2    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    de letselschadeclaim van klager onvolledig en onzorgvuldig te behandelen;

b)    ten onrechte zijn zaak te sluiten. 

 

3    VERWEER

De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Maatstaf

4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 

4.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

4.3    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Klachtonderdeel a)

           de letselschadeclaim van klager onvolledig en onzorgvuldig te behandelen;

Toelichting van klager

4.4    Volgens klager is sprake geweest van een gebrek aan integrale beoordeling van de volledige zorgketen door verweerster. Zij heeft ten onrechte uitsluitend naar de behandeling door waarnemend huisarts dr. B gekeken. Uit geluidsopnames, die zijn gemaakt in opdracht van DAS, blijkt dat zijn huisartsenpraktijk heeft erkend dat er fouten zijn gemaakt door de triagist omdat die tijdens de telefonische triage heeft nagelaten om, conform de TriageWijzer 2020, noodzakelijke extra vragen aan klager te stellen. Daardoor ontving de waarnemend huisarts onvolledige informatie, wat vervolgens heeft bijgedragen aan een vertraagde diagnose en een ernstige hartaanval, resulterend in een spoed-bypassoperatie. 

4.5    Verweerster negeerde (het transcript van) de geluidsopname nagenoeg in haar communicatie met de wederpartij en heeft die informatie ook niet meegenomen in de vraagstelling aan de deskundige. Zij gaf klager ook onvoldoende de mogelijkheid om zijn standpunten over de bewezen triagefout volledig te bespreken. Hij werd daarin onvoldoende gehoord door verweerster. Verweerster volgde in haar advisering blind een onvolledig en irrelevant eenzijdig deskundigenrapport. De nalatigheid van de triagist en de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de huisartsenpraktijk zijn daardoor onopgemerkt gebleven, met alle financiële gevolgen voor klager. Verweerster heeft bovendien onvolledige stukken doorgestuurd en klager daarin niet betrokken. Ook heeft verweerster de patiëntenkaart van klager zonder enige inhoudelijke toelichting aan de rechtbank en deskundige gezonden. 

Verweer van verweerster

4.6    Verweerster verwijst naar de met klager gevoerde correspondentie. Zij heeft de volledige correspondentie in deze zaak overgelegd. Zij stelt dat zij klager vanaf het begin heeft geïnformeerd over het juridisch (toetsings)kader bij medische aansprakelijkheid en dat dit vooral een medische beoordeling is. Klager is bij alle stappen nauwgezet betrokken, heeft opmerkingen gemaakt op concepten en met de definitieve stukken ingestemd. Door klager genoemde aandachtspunten heeft zij aan de wederpartij, de door haar ingeschakelde medisch adviseur en ook aan de deskundige gestuurd, zodat ook die informatie is meegenomen in hun beoordeling.  

Oordeel van de voorzitter

4.7    Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster op zorgvuldige wijze voor klager opgetreden. Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat verweerster klager nauw heeft betrokken bij elke te nemen volgende stap bij haar aanpak van de zaak en klager daar ook telkens mee heeft ingestemd. Ook is uit de stukken gebleken dat verweerster klager schriftelijk duidelijk heeft uitgelegd wat zij voor hem kon doen. Zij heeft daarbij oog gehad voor de grote persoonlijke belangen van klager en hem herhaaldelijk de gelegenheid gegeven om zijn visie op de aanpak met haar te delen. Verweerster was bij haar handelen beperkt door het juridisch kader van een letselschadezaak. Niettemin heeft zij de van klager ontvangen berichten op zijn verzoek ook aan de wederpartij, medisch adviseur en deskundige verstrekt. Vast staat dat die informatie van klager door de deskundige ook in zijn beoordeling is betrokken. Toen verweerster bemerkte dat klager en zij uiteenlopende visies op de wijze van aanpak van de zaak kregen, heeft zij klager gewezen op de mogelijkheid om een second opinion via DAS te vragen. Dat klager van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken.   

4.8    Het lijkt erop dat klager achteraf meer had verwacht, namelijk dat verweerster niet alleen de waarnemend huisarts dr. B maar ook de triagist van zijn eigen huisartsenpraktijk dan wel de huisartsenpraktijk van dr. B aansprakelijk had gesteld voor gemaakte fouten. Die keuze is door verweerster na afstemming met klager en DAS anders gemaakt. Niet is gebleken dat verweerster daarin tuchtrechtelijk verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat betekent dat de voorzitter klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond zal verklaren. 

 

Klachtonderdeel b)  

                 ten onrechte zijn zaak te sluiten;

Toelichting van klager

4.9    Volgens klager heeft verweerster zijn dossier ten onrechte gesloten. Volgens klager had zijn huisartsenpraktijk aanvankelijk aansprakelijkheid erkend, zoals dat ook uit de gemaakte geluidsopnames bleek. In latere correspondentie met verweerster heeft de huisartsenpraktijk ineens elke aansprakelijkheid ontkend. Naar klager later is gebleken bleek de verzekeraar van de praktijk geen dekking te bieden wegens een zakelijk geschil en te late melding van het incident. Dit had volgens klager voor verweerster aanleiding moeten zijn om hier nader onderzoek naar te doen en bewijs bij de wederpartij op te vragen. Zij heeft zich echter vlak voor de verjaring onttrokken, na maanden stilstand. Volgens klager liet zij geen overdracht, actieplan of opvolging achter waardoor zijn vordering ernstig gevaar liep om te verjaren.

Verweer van verweerster

4.10    Op 19 en 20 december 2024 heeft verweerster aan klager laten weten de zaak te willen sluiten. Zij heeft klager toen ook gewezen op de mogelijkheid van een second opinion als hij het niet met haar visie eens was en op zijn eigen verantwoordelijkheid om tijdig de verjaring van zijn vordering op huisarts dr. B te stuiten. Op 7 januari 2025 heeft zij klager toch nog een laatste optie geboden, het vragen van een aanvullend advies bij de door haar ingeschakelde medisch adviseur. Ook toen heeft zij klager gewezen op de mogelijkheid van een second opinion. Na overleg met klager heeft zij aanvullende vragen aan de door haar ingeschakelde medisch adviseur gesteld en stukken van klager meegestuurd. Op 14 februari 2025 heeft zij de aanvullende rapportage van de door haar ingeschakelde medisch adviseur ontvangen. De voor klager negatieve uitkomst daarvan was voor haar reden om klager mee te delen dat zij de zaak sloot. Hij had weinig kans op een succesvol vervolg. Klager is toen wederom door haar gewezen op de mogelijkheid van een second opinion. Dat kon hij toen nog vragen. Volgens verweerster heeft zij zelfs meer gedaan dan haar verwacht kon worden. Zo heeft zij zelfs nadat zij de zaak had neergelegd, nog vragen van klager beantwoord. Dat had zij niet hoeven doen. 

Oordeel van de voorzitter

4.11    Waar beoordeeld moet worden of een advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich aan de zaak te onttrekken wordt acht geslagen op Gedragsregel 14 leden 2 en 3. Daarin is bepaald dat als een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen hij dat op zorgvuldige wijze moet doen en ervoor moet zorgen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.

4.12    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster haar bijstand aan klager ten onrechte of ontijdig is gestopt. Als een advocaat een verschil van inzicht over de wijze van aanpak van een zaak constateert, moet een advocaat zich op grond van genoemde gedragsregel aan die zaak onttrekken. Gezien de stand van zaken in het dossier, de constatering van verweerster dat zij - anders dan klager - geen redelijke kans van slagen meer zag, kon verweerster niet anders dan besluiten om met haar werkzaamheden in de zaak van klager te stoppen. Verweerster heeft dit ruim voor de feitelijke sluiting al aan klager aangekondigd. Om hem ter wille te zijn heeft zij nog eenmaal een aanvullend advies bij haar medisch adviseur gevraagd. Toen de uitkomst daarvan negatief voor klager was, waar klager zich niet in kon vinden, kon verweerster niet anders dat zich als advocaat onttrekken. 

4.13    Dat heeft zij naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige wijze gedaan door klager tijdig en duidelijk te wijzen op de op handen zijnde verjaring en op zijn mogelijkheid om een second opinion van een advocaat te vragen. Van enig nadeel dat aan verweerster te wijten is, is niet gebleken. Nu van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster in deze niet is gebleken, zal de voorzitter klachtonderdeel b) eveneens kennelijk ongegrond verklaren. 

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

Griffier         Voorzitter

 

Verzonden op : 26 mei 2026