Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-05-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:128

Zaaknummer

26-016/AL/MN

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in echtscheidingskwestie. Bij het indienen van het echtscheidingsverzoek is verweerster niet over een nacht ijs gegaan. Verweerster is op basis van haar eigen waarneming tijdens haar gesprekken met de man en naar aanleiding van de informatie van de bewindvoerder/mentor van de man en de zorgverantwoordelijke in het verzorgingstehuis uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat de man zijn wil kon bepalen ten aanzien van het echtscheidingsverzoek. De aan de orde zijnde CIZ-indicatie betekent niet automatisch dat een advocaat voor de betreffende cliënt nooit een verzoek tot echtscheiding mag indienen. De man stond ook niet onder curatele, dus hij was niet handelingsonbekwaam en de kantonrechter heeft de man toestemming gegeven voor het starten van de echtscheidingsprocedure. De bewindvoerder heeft zich daar evenmin tegen verzet. Klacht is ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 26 mei 2026 in de zaak 26-016/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster gemachtigde: mr. E.A. Kronenburg, advocaat te Den Haag.

 

   VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 6 mei 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 8 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2491762/FB/SD van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Daarbij waren klaagster, vergezeld door twee dochters, verweerster en de gemachtigde van verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 02 tot en met 05. Daarnaast heeft de raad kennisgenomen met de e-mail met bijlagen van verweerster van 27 maart 2026.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klaagster is gehuwd met de cliënt van verweerster (hierna ook: de man). De man woont in een appartement in een verzorgingstehuis.

2.2    De man heeft een mentor en bewindvoerder. Op 18 juli 2024 heeft de bewindvoerder toestemming van de kantonrechter gekregen voor het inschakelen van verweerster voor het starten van een echtscheidingsprocedure. 

2.3    Op 28 augustus 2024 heeft verweerster namens haar cliënt een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank).

2.4    Op 6 november 2024 heeft de advocaat van klaagster een verweerschrift ingediend waarbij is verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn echtscheidingsverzoek, omdat hij wilsonbekwaam is. 

2.5    De rechtbank heeft het echtscheidingsverzoek op 11 februari 2025 mondeling behandeld.

2.6    Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank verweerster in de gelegenheid gesteld om een rapport van een specialist ouderengeneeskunde over de man en de diagnose van de GZ-psycholoog uit 2021 in te dienen. Dat is op 11 maart 2025 gebeurd en daar heeft de advocaat van klaagster op 17 maart 2025 gereageerd.

2.7    Op 22 april 2025 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot echtscheiding, omdat is vast komen te staan dat de man wilsonbekwaam is en dat hij niet in staat is om de gevolgen van een echtscheiding te overzien.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster dat zij haar belangen onnodig of onevenredig heeft geschaad door een echtscheidingsprocedure te starten, terwijl verweerster wist of behoorde te weten dat haar cliënt wilsonbekwaam was. Daarbij verwijst klaagster naar een Wlz-indicatie van 9 februari 2023, een test van een VIA-geregistreerde arts op 30 april 2024 en een onderzoek van een specialist ouderengeneeskunde in december 2024. Volgens klaagster had verweerster ter zitting al kunnen weten dat bij de man dementie is geconstateerd en dat hij beïnvloedbaar is. Verweerster had het verzoek tot echtscheiding namens de man nooit mogen indienen. 

3.2    De raad zal hierna bij de beoordeling op de klacht ingaan.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerster aan dat zij de zaak met voldoende zorgvuldigheid heeft behandeld. Volgens verweerster heeft de man bij het eerste gesprek verteld dat hij een VV05-indicatie (beschermd wonen met intensieve dementiezorg en 24-uurs toezicht) had en dat hij begreep dat klaagster een beroep zou kunnen doen op zijn dementie.  Verder merkt verweerster op dat er bij haar vanaf het eerste gesprek met de man gerede twijfels bestonden over de juistheid van de CIZ-indicatie, vanwege de helderheid in het gesprek, de actieve houding van haar cliënt en het feit dat partijen eerder waren gescheiden en later zijn hertrouwd. Volgens verweerster is zij drie keer bij de man op bezoek geweest en heeft hij alle vrijheid om het verzorgingshuis te verlaten. Daarbij wijst verweerster erop dat de man volgens de zorgverantwoordelijke van het verzorgingstehuis op meerdere terreinen wilsbekwaam is. Ook voert verweerster aan dat zij in maart 2024 en april 2025 diverse gesprekken met de man heeft gehad en is haar uit al deze gesprekken gebleken van een consistente en consequente houding van de man om te willen scheiden en is deze houding meermaals bevestigd door familie, de maatschappelijk werker en de bewindvoerder/mentor.  Tot slot voert verweerster aan dat haar cliënt bij de zitting aanwezig is geweest en ook vragen van de rechtbank heeft beantwoord.

4.2    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

Toetsingskader

5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:

–   het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,

–   het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,

–   het verloop van het geschil tot dan toe en

–   de kans op succes van de procedure.

 

De klacht is ongegrond

5.3    De raad is op grond van het klachtdossier en de ter zitting afgelegde verklaringen van oordeel dat verweerster de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klaagster niet heeft overschreden. Verweerster heeft zowel in haar schriftelijke verweer op de klacht als in haar verklaring ter zitting uitvoerig en onweersproken toegelicht hoe zij met de man in contact is gekomen en welke stappen zij heeft gezet voordat zij namens de man het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank heeft ingediend. De raad stelt op grond daarvan vast dat verweerster niet over een nacht ijs is gegaan en dat zij op basis van haar eigen waarneming tijdens haar gesprekken met de man en naar aanleiding van de informatie van de bewindvoerder/mentor van de man en de zorgverantwoordelijke in het verzorgingstehuis uiteindelijk tot de conclusie is gekomen dat de man, ondanks de CIZ-indicatie, zijn wil kon bepalen ten aanzien van het echtscheidingsverzoek. Daarbij merkt de raad op dat de aan de orde zijnde CIZ-indicatie niet automatisch betekent dat een advocaat voor de betreffende cliënt nooit een verzoek tot echtscheiding mag indienen. De man stond ook niet onder curatele, dus hij was niet handelingsonbekwaam en de kantonrechter heeft de man toestemming gegeven voor het starten van de echtscheidingsprocedure. De bewindvoerder heeft zich daar evenmin tegen verzet.

5.4    Tot slot is het de raad niet gebleken dat verweerster door het namens de man indienen van een echtscheidingsverzoek de belangen van klaagster onevenredig heeft geschaad. De omstandigheid dat klaagster kosten heeft gemaakt voor de echtscheidingsprocedure, zoals klaagster ter zitting heeft toegelicht, betekent niet dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld door de echtscheidingsprocedure namens en in het belang van haar cliënt te starten. De klacht is dan ook ongegrond.

 

BESLISSING

De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. S.M. Bosch-Koopmans en   E.J.C. de Jong, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

Griffier                                        Voorzitter

 

Verzonden op : 26 mei 2026